Kranenburgia

English

home - lexicon - links - forum - anglahall - contact

Anglisch-Nederlands Woordenboek  
 

Dixicon

learning a language is learning a world

woordenlijst Anglisch-Nederlands / Anglish-Dutch wordlist




 
Anglisch is de taal van de Angelen in Angelland (Angle) in de periode 650vC-1200nC op het continent van NW Europa, het gebied in Nederland, Vlaanderen en NW Duitsland tussen Denemarken, Elbe, Saale, Bohemen, Frankrijk en de Noordzee. Onderstaande woordenlijst is tijdloos, dwz ze bevat woorden uit alle tijden, inclusief Klassiek Anglisch. Ze is gebaseerd op alle beschikbare bronnen. Primair zijn dat Anglisch en Anglesch in voormalig Angelland en Anglesh in Engeland en Schotland. Daarnaast zijn dat Oud Engels, Oud Nederlands, Zweeds en de streektalen in voormalig Angelland en in Engeland. Deze talen staan immers zeer dicht bij het Anglisch, dat ooit is gesproken. De spelling van alle Anglische woorden is geschreven zo dicht mogelijk bij de oorspronklijk geachte Anglische spelling. Anglisch is een West Europese taal en als zodanig nauw verwant aan andere West Europese talen als Engels, Nederlands, Zweeds, Saxisch, Frankisch en Fries. Zweeds neemt hier een belangrijke plaats in omdat de Angelen zijn voortgekomen uit de Inglo-Goten in Zweden. Anglisch, Saxisch en Normandisch vormen samen de basistalen van het Engels. Anglisch, Saxisch, Frankisch en Fries vormen samen de basistalen van de Nederlandse taal.
> PgAng/Angelen, Angelland, Anglisch, Anglesch, Anglesh

Anglish is the language of the Angles in Angelland (Angle) in the period 650BC-1200AD on the Continent of NW Europe, the area in the Netherlands, Flanders and NW Germany between Denmark, Elbe, Rhine, Saale, Bohemia, France and the North Sea. The wordlist below is timeless, i.e. she contains words of all times, including Classic Anglish. She is based on all available sources. Primary that are Anglish en Anglesch in former Angelland and Anglesh in England and Scotland. Next to them are Old English, Old Dutch, Swedish and the dialects in former Angelland and in England, for those languages are very close to Anglish as it was ever spoken. The spelling of all Anglish words is written as close as possible to the assumed Anglish spelling. Anglish is a West European language and as such closely related to other West European languages as English, Dutch, Swedish, Saxon, Frankish and Frisian. Swedish takes here an important position since the Angles derive from the Inglo-Gothics in Sweden. Anglish, Saxon and Normandic together form the basic languages of English. Anglish, Saxon, Frankish and Frisian together form the basic languages of the Dutch language.
> PgAng/Angelen, Angelland, Anglisch, Anglesch, Anglesh


Codes: A=AL AA=Anglisch/Angeln AC=Anglesch/Continent AF=Afrikaners AFG=Afgaans AG=Anglesh/GB AH=Achterhoek AL=AN=A=Anglisch AM=American AR=Arisch AS=Anglesey AU=AustralianAboriginal AV=AfgeleidVan AVA=AfgeleidVanAnglisch avs=achtevoegsel Ax=Anglicana bn=Bijv.Naamw. bb=Bijw.Bepaling BD=Bangladesh BM=Bushmen BR=Brabants BT=Betreft BU=BijUitbreiding BW=Betuwe bz=Bezit.Voornmw. CE=ChatEnglish CH=Chinees CW=Cornwall DN=Deens DR=Drente DT=Duits EA=EastAnglia EF=EngelsFolk EL=Emsland EM=Eskimo ES=EnglishSlang ev=enkelvoud EX=Essex EZ=Elzas FR=Fries GD=Geordie GK=Grieks GR=Groningen GS=Graafschap GT=Gotisch HAG=Hist.AnglischGebied HD=Hindi HN=Hannover HT=Hettitisch HZ=GrootHezenland ID=Indonesisch IN=IndischNederlands IR=Iraans ivm=InVerbandMet KA=KlassiekAnglisch LA=Latijn LB=Limburg LC=Lancashire LD=LakeDistrict ld=lidwoord LM=Liemers LN=Lincolnshire LT=Letterlijk LV=LatereVorm LW=Litouws Lx=Lexicon(A-Z) M=Midden MC=Mercia MD=Midlands ME=ModernEngels MG=Mongools ML=Maleis MN=ModernNederlans MO=MogelijkOok MV=MogelijkVan mv=meervoud mvA=mvAnglisch N=Noord NE=NoordEngeland NF=Norfolk NH=NorthHumbria NHL=NoordHolland NI=NoordIerland NL=Nederlands NR=Noors NS=NederSaxen NV=NederlandsVolkstaal NW=NoordrijnWestfalen O=Oost OA=OudAnglisch OB=OudsteBetekenis OD=OudDuits OE=OudEngels OI=OudIers ON=OudNederlands OT=Oertaal OV=OudVlaams OVD=Overdrachtlijk PD=Platduits Pg=pagina PL=Pools PN=PlatNederlands PV=Pers.Vnw. RN=RykVanNymegen RY=Rijssen SC=Schotland SF=Suffolk SH=SleswigHolstein SK=Sanskriet SL=Salland sl=slang sn=synoniem ST=streektaal SW=Stellingwerf TJ=Tjetjeens tw=telwoord TW=Twente US=USA UT=Utrecht VB=voorbeeld VD=Vechtdal vd=VoltDlw VI=VoorIndiŽ/India+Pakistan+Bangladesh VL=Vlaanderen VT/vt=volkstaal vv=vervoeging VW=Veluwe W=West WA=WestAngle WS=Widsith wv=werkwoordvorm ww=werkwoord YK=Yorkshire Z=Zuid ZA=ZieAldaar ze=ZieEventueel ZH=ZuidHolland ZL=Zeeland zn=ZelfstandigNaamwoord zt=zoekterm ZW=Zweeds
()A=omvatAnglisch =A=Anglisch >A=ZieAnglisch []=uitspraak {}=vervoeging;etc *=mogelijk @=dubieus #=soort,bron

 
Uitspraak Regels // Pronounciation Rules > Pg Linguana




a::
A (Ah, Ic, Ick) = ik; KA Ic; NH A
a = ben, zijn; ME are
a (av, o) = altijd, voor altijd
a- = ge-; SW e-
a- =A ar-
-a (ay, ey, e, ea, a, ig, ie) in geonamen = eiland, afgescheiden gebied; KA ey
aa (apa, awa, waeter) = water; KA waeter; ML ajar; AU appa
aad (ald, aeld, aold, eald, ould, auld) = oud; KA eald; ON old; WA ald, old, ould; GD ald, aad; ME old
aem = 150 Liter, houten vat of ton; ON aem
abac (utbac) = buitengebied
abac (butanof) = achteraf, buitenaf; GD abacka
abbaye = abdij
abbod = abt
abel = fraai, schoon, geschikt, bekwaam, handig; ME able
abele = abeel = zilverspar; ON abele
abelhyde = handigheid, beschaving; ON abelheyt
abeodan = aankondigen
abidan = wonen, afwachten, verblijven, verdragen; ON verbijden; ME abide
abitan = verslinden, verbijten; WA verbieten
ablaese = in brand, in vlammen; GD ableeze; ME ablaze
ablendan = verblinden
aboleran = afschaffen; ON aboleren; ME abolish
abondancy = overvloed; ME abundance
abondant = vervloedig; ME abundant
abugan = afbuigen, buigen, zwenken; WA afbugen
abut (onbut) = ongeveer, buitendien, bijna; GD aabut; ME about
abutan (onbutan) =A abut
ac (aek, ack, ock) = eik; KA ock; ON eek, heek, hyek; VW oek; SFoud oc
ac (and) = ook, en; AH ok
Acca = de Aarde >A Modra Acca
aceran = eikels rapen; ON akeren
aca = aak > naca
acan >A aecan
acennan = dragen van een kind
aceocian = smoren, verstikken; GD chowk; ME choke
acer =A acre
ack =A ac (eik)
acolian = afkoelen, koud worden
acoly = akelei; ON acoly
acre (acer, aecer) = akker, veld; KA acre; ON acker; ZW aker [oker}; ME acre
acreberie (raspberie) = soort framboos (# vrucht); ZW akerbšr [okerber]
acreblom = akkerbloem
acreborgar = keuterboer; WAoud ackerborger
acrebow = akkerbouw
acrebour = akkerboer
acrecole = boerekool; ZW akerkal [okerkool]
acrecrod = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid
acrehone = patrijs (# hoen); ZW akerhŲn
acreland = akkerland
acreman = landbouwer, boer; ON ackerman
acreseoc = melaats; ON ackersiec
acwaerd (bacweard) = achterlijk
acwellan = doden, vermoorden
acwencan = uitroeien
acweorna = eekhoorn
-ad (-ta) = -te; iets wat ergens veel voorkomt; vbA stillad = stilte; drugad = droogte
-ad = -d, -ed, -et, -t; voltooid deelwoord van werkwoord
addan = optellen; ON adeeren; ME add
addre (aedre, naedre, naga) = adder, slang; KA addre; ON nadre, nater; ME adder
adele = aalt, aal = mestvocht; VA NL adel; NB "adel stinkt"
ader = of; ON eder, edder; WAoud ader, eder; >A ohtthe
adesa = adze = kapmes om planten en struiken weg te kappen
adesan = clearen, wegkappen, etsen; ME adze
adh =A ath
adone (done) = gedaan; KA done; DR daon; AH ed‚‚n; LC [d‚‚n]
adrincan = verdrinken
adune = beneden, omlaag; ME down; > dune
ae = wet
ae (aa, ea) = water, rivier
Aebbingas = Abbings = Anglische stam > PgAng/Aebbingas
aec (ac, aek, eec, ock) = eik, eikeboom; ON eek, aek, heek, hyek; TW eek
aecaeppel = galappel
aecan (acan) = hevige pijn hebben, ernstig lijden
aecbus = eikenbos
aeccel (aecer, eccle) = eikel (vrucht van eikeboom); DR+TW ekkel; AH ekel
NB Ekkelbos bij Anderen/Drente
aeccelbeam = eikelboom, eik
aeccelwyrm = meikever; WA ekkelwurm
aece = hevige pijn, enrstig lijden
aecer (aeccel, eccel) = eikel (vrucht van eikeboom); ME acorn
aecer (acre) = akker; KA acre; ZW aker [oker}
aecholt = eikenbos, eikenhout
aeclig = akelig, naar
aecwaerd = akelig, achterlijk, onhandig; GD aakward; ME awkward
aecwaeter = eikewater; WA eekwater
Wordt gebruikt om linnen bruin te kleuren. > smudda
aecweal = eikenwal = aarden wal met eiken hakhout ter bescherming van akkerland tegen wild
aedel = adel
aedele = bn edel, adelijk; ON edele
aedre = ader, zenuw, pees
aedre = adder (# slang); ME adder >A addre
aef (af, of, fan) = of, van; KA of; WA of; ZW av; ME of
aefaestness = vastigheid, zekerheid, geloof
aefayeran = bekennen; ON avajere
aefen = even; ME even
aefen = avond; WAoud avent, avont; ME evening
aefengloming (twileoht) = avondgloed, schemering; KA twileoht; DR twielocht
aefer = kind, nazaat; NV aver
aefer =A aefre
aefers = omgekeerd, keerzijde; NV avers
aefest = alvast, voorlopig; TW avest, avust
aefnian = avond
aefre = altijd, steeds, weer; ON ever; GD ivver; ME ever >A naefre
aefre aelc = ieder, iedereen
aefs = zijdelings, verkeerd, dwars
aeft = vz na; ME after
aeftan = achter
aefter = achter, achteraft, achterna, volgens, door; ON after, efter; ME after > eftir
waen aefter ran = de wagen reed achter
aefter non = namiddag
aefter tiadae = nadien
aefterbac = achterbaks
aefterclap = achterklap; ON achterclap
aeftergraes = grasoogst na eerste maai = tweede grasoogst
aeftermaeth {LT na het maaien} = tweede maaisel = oogst na eerste maai
aeftermaeth = naspel, naweeŽn
aefyse = waarschuwing; ON avys
aeg (aog, eage) = oog (# lichaam); KA aog; TW aoge, oag; DR oge
aeg {mv aegas} (eag, ec, ey) = ei; WA ei; ZW agg [eg]; ME egg
aeg = eiland; ON ieg; OE ey
aeg >A eag = ieder
aeg = bezit, eigendom
aegan (agan) = bezitten
aegan (agan, egen, egon, agn, ayn, eyn) = bn eigen; ON egan, eighin, eygan; WA eign, eegn; GR aigen; TW ein; GD ain
NB Eigenhuizen (familienaam)
aeganan = eigenen, toe-eigenen, in bezit nemen
aeganearfet = bn eigenerfd = in bezit van minimaal 15 Ha grond dat al minstens 3 generaties familiebezit is
aeganearfet = eigenerfde = bezitter van minimaal 15 Ha grond dat al minstens 3 generaties familiebezit is
aegas (eagas, eyan) = eieren
aegbour (eagbour) = eierboer
aegenere (agnere) = eigenaar; WA/VWoud eygener
aegenes =A aegan
aegenwis = eigenwijs; WA eegnwies
aegenwisnis = eigenwijsheid
aegethyrel (windaog) = piepgat, raam; KA windaog
aeghwaether =A aegther
aeghwelc (eaglic) = ieglijk, iedereen
aegman = eierdief
aegmaerct (eagmerct) = eiermarkt
aegmilc = pap van melk en eieren; ZW aggmjolk [egmjulk]
aegmond = eiermand
aegrora = roerei; ZW aggrŲra [egreura]
aegther = ieder, elk, beide; ON eder, edder; ME either
aegwitnis = ooggetuige
aehan = bezitten, hebben
aeht = bezit, eigendom
aek (ac) = eik
aekta = veld met veel eiken; WA eekt, eekte
ael = aal, paling (# vis); WAoud ail; ZW al [ool]
ael (ayl, oltar, outar) = altaar, tempel, offerplaats > PgAng/Ael
ael >A eal
aelan = verminderen, verdwijnen, wegkwijnen
aelbeorg (aelsop, pasop, pasbeorg) = aalberg, paasberg = hoogte waarop een ael (altaar) staat > PgAng/Aelsop
aelc = elk, ieder
aelcerlic = iedereen; ON elcerlyc
aeld (old, eald) = oud; KA eald; GD ald
aelda (olla) = al de, alle, alles
aelda barnum = al de gebaarden (geborenen) > PgLing/Caedmon
aeldo = ouderdom
aelest (bifot) = aalst, bijvoet (# kruid)
aelf = elf, elve = natuurgeest, mytholigusch wezen
aelfbenc = elfenbank (# boomzwam)
Aelfingas = Alfings = Anglische stam > PgAng/Aelfingas
aelhista (alhista) = heiligdom
Aelhista = Elst in de Overbetuwe. Aldaar stond ooit een Anglisch heiligdom.
aelhorn =A ellaern
aeling = altaarvolk, priesters
aeling = overig; ON aling
aelm (elm, eap, eoppa) = elm, olm, iep (# boom); DN aelm
NB Almelo, Almen, Almkerk/Zandwijk/ZH
Aelm = Alm = rivier in Noord Brabant
aelman = priester belast met zorg voor een altaar (ael) en regie voor offerdiensten
aelmesse = aalmoes
aelmessere = gelbuidel; ON aelmoesenere
aelmette (eamp) = mier; ON ameise
aelmihtig = almachtig
aelsmocery = palingrokerij; WAoud ailsmokerie
aelsop (aelbeorg, pasop, pasbeorg) = aalberg, paasberg = hoogte waarop een ael (altaar) staat > PgAng/Aelsop
aelt (adele) = aalt, gier, mestvocht
aem (attam, braeth) = adem; AH amme; WA aom; ON aem; GD blaa
aem (eam) = water, rivier; KA eam; ON aam, eem
aem (oem) = 150 liter (inhoudsmaat voor wijn)
aembre (baernstin) = amber = barnsteen
aembrestin (baernstin) = ambersteen
aeme (min) = min, voedster; ON ame, amme
aemel (spelt) = spelt (# grove tarwe)
aemelta = speltakker
aemerge = gloeiende kooltjes
aemetan = luieren
aemetig = maklijk, leeg; ME empty = leeg
aemetta = leegheid, leegte, gemak
aemlup = voorspoed; > PgAng/Weven
aen (an, on) = aan, op, bij, achter, te; KA an; WA aon; AH an; LB aon; ON aen, ane, an; ME on
aen =A aengeland
aenca = eend; ZW anka [anka]
aencarstocc = pompernikkel = grof zwart brood; ZW ankarstock [ankarstok]
aencoman = aankomen; ON aencommen
aend (aened, ened) = wilde eend; KA aend; ZW and [and]
aendman = eendenman, -houder, -handelaar
aendsticc = gebraden eend; ZW andstek [andsteek]
aened (ened) = eend
aengan = aangaan, aanlopen, binnengaan; ON aengaen
aengang = begin; ON aenganc
aengang = verkering; WA aengang
aenganghus = cafee, restaurant, open huis
aengeland [AVA aen-geland] (aen) = aangrenzend land = land grenzend aan weg, dijk, wetering, moeras, e.d.
aengeland = eigenaar van aangrenzend land, eigenaar van land grenzend aan weg, dijk, wetering, e.d.
Aenglisc (Anglisc, Englisc) = Anglisch, Angels, Anglesh, Engels; KA Anglisc
aengul = bn egaal, gelijkmatig; WA aengol
aenholt {mv aenholts} = herberg, pleisterplaats, uitspanning; TW+AH anholt
aenholtan = aanhouden, aanleggen; DR anholden
aenig (enig) = enig; ME any; > naenig
aens (elcor) = anders; WA aens
Aens [ens] (Ayns, Eans, Ens) = Ens (mansnaam)
aensjoufisc = ansjovis (# vis); ZW ansjovis [ansjoewies]
aensjoufiscloda = ansjovisomelet; ZW ansjovislada [ansjoewiesloda]
aenta = tante
aenweorp = aanworp = aangslibt land
aenwonne = plek van akker waar ploeg wordt gekeerd; VW anewonne
aeppel [eppel] (aepple) {mv aeppels} = appel (# vrucht); ZW appel [eppel]
aeppelaere = appelgaarde = boomgaard met appelbomen; ON appelare
aeppelcoce = appeltaart; ZW appelkaka [eppelkŗka]
Aeppeldore (Aeppledore) = Apeldoorn
aeppelmos [eppelmoos] = appelmoes (# gerecht); ZW šppelmos [eppelmoes]
aeppeltere = appelboom
aeppelwin = appelwijn, cider; ZW aepplevin [epplewien]
aepple [eppel] (aeppel) = appel (# vrucht); ZW apple [epple]
Aeppledore (Aeppeldore) = Apeldoorn
aer = bw eer, vůůr, voordat; TW ear; ME ere
aer (ar) = eer, genade; KA aer
aercebiscop = aartsbisschop
Aerderbroec = Wilp-Achterhoek
Aerdermearc = Wilp-Achterhoek
aerdcoccere = artisjok; ZW šrtskockor [ertskokkoer]
aerem =A aerm
aerende = gerucht, bericht, boodschap
aerendraca = boodschapper
aerest = eerst, eerste; OD erst
aerestan = eerste; WAoud ersten
aerfe (ierfe, yrfe) = erfdeel
aerist = herrijzenis
aerle =A alor (els; # boom)
aerlic = eerlijk; WA earlek
aerlicnis = eerlijkheid
aerm (arm, earm, aerem) = arm, ongelukkig, gering, sober; ON aerm, arem
aerm (arm, earm, aerem) = arm van rivier, zeearm; ON aerm, earm, aerem
aerm = arm (# lichaamsdeel); ME arm
aerman (earman) = arme, ongelukkige; ON arman
aermed = verarmd; ON armt
aermey =A armey
aermhus (earmhus) = armenhuis; OE armhouse
aermod (earmod) = armoede, karigheid; WA armood
aermodig (earmodig) = armoedig, karig; WA armodig
aermodighed (earmodigheid) = armoedigheid
aermpit (eaxl) = oksel (# lichaamsdeel)
aermsarg (earmsarg) = armenzorg
aern = plaats, locatie, plek
aernan =A rinnan (rennen, lopen)
aerne = bt vroeg
aernemergen = smorgensvroeg
aernlig = bt vroeg
aerpel =A earpel
aerras = handgeld; ON arras
aers (ars, ears) = aars, anus, achterste, billen; KA aers; GD arse
aerta = aard, aarde, soort; ON aert
aerthaemthe = voordat
aerthonthe = voordat
aes = aas, voedsel, lokaas
Aesc = mansnaam
aesc (aess) = es, esdoorn (# boom); VW asse
aesc = oorlogschip gemaakt van essenhout
aescfeld = met essen begroeid veld; ON asveld
Aescloa (Ascloa, Haslo) = Asselt/N.Limburg = de laagte bij de esdoorns
Aescwine = mansnaam AVA aesc (es) + win (vriend) =A Aswin; NB Azewijn
aesent = gezicht, aangezicht; ON asent
aesp = esp (# boom); WA espe
aess = esdoorn (# boom); ON ase, aze; VW asse; ME ash
aet = ad, te, bij
aet =A aen + tho = aan 't
aet = oud, edel, goed; OI at; AU at; AU at; OT* at
aet spraece = ter sprake, aan het spreken
aetbregdan = wegnemen, jatten
aeteowian = vertonen, showen
aetes (ates) = haver (# gewas); KA aetes; ME oats
aetesfeld = haverveld; ON aetsveld
aetforan = tevoren, van voren
aetgaedre = altegader, tegader, bij elkaar
aethel (ethel) = adel, edel
aetheldom = adeldom
aethelman = edelman
aethelstan = edelsteen
aethlic = adellijk, edel
aethling = edeling
aetiewan = vertonen, aantonen, showen, blijken, verschijnen
aetlan = adelijk
aetlan leodum = adelijke lieden
aetlicgan = luieren
aetren = giftig
aetsamne = tesamen, meteen, direct
aetwitan = verwijten, berispen; ME twit
aevan (efne) = even; LM aeven
aew (oew) = huwelijk, wet
aewman = gehuwd man
ayse (eyse) = tevreden, vrolijk, gemak; KA eyse; ON eyse, ayse; ME ease
aex = bijl; WA ax, axe, akse; ME axe
af (aef) = af, van, weg, gescheiden. omlaag; KA af; ON af, ave; AH ave; BR+ZL+VL af; ME of
afagar (afugar) = avegaar = grote boor met kruk; ON avager
afaran = afvaren, wegvaren, weggaan, vertrekken
afbreak = verlies; ON afbrek
afeallan = afvallen, neervallen
afel (yfel, ofel) = euvel, slecht; KA yfel; ON avel; OE yfel; ME evil
afeor = verweg, van veraf, van verre; ME afar
afer (ofer) = hoger, aan de andere kant
afer (ofer) = over, voorbij; ON aver, aever; VW aver; WAoud aver; AH auver
VB: Avereest/Ov (over de Reest/rivier), Avermieden (Meeden/Gro). Avervoorde/Terwolde (over de voorde)
aferest = bn bovenste, hoogste; VW averste
aferest = overste; VW averste
Aferysel = Overijssel
affere = affaire, zaak; ON affere
afleaman = wegjagen, verjagen
afote (on fote) = in actie, in beweging, op gang, aan de gang
afrian (frian) = bevrijden, vrijalten
afrude = citroenkruid; ON averude, afrude
afslegan = afslachten
afslog = afslacht, afslachting
afugar (afagar) = avegaar = grote houtboor > nafugar
afylan = bevuilen
afyrht = bevreesd, bang; GD afeard; ME afraid
afyrthan = vrezen, bevrezen, bang zijn
agan (aegan) = eigen
agan (aegan, agnian, ahtan) = bezitten
agan (befallan) = gebeuren
agan = alweer; GD agyen; ME again
agawud = agahout (# geurige hars)
Agawud is een heerlijke geurstof gemaakt in Indo-China. De stof wordt al sinds oude tijden verhandeld tot in Europa.
agen (aegen) = eigen; GR aigen; TW ein; WA eign, eegn; GD ain
agenere = eigenaar; WA/VWoud eygener
agendom = eigendom
agenhed = eigenheid
Aghele = Agelo (dorp in Twente)
agiefan = afgeven, opgeven, overgeven aan
agn = eigen
agnian = bezitten, eigenen, toe eigenen
agone = gegaan, geleden; TW egoan; AH egaon; ME ago
agu (eaxtar) = ekster
Ah [aik] (A, Ic, Ick) = ik; KA Ic
ah = af
ah = ach!; YK ah [ag]
ahame = thuis; ME ahome
ahebban = verheffen, opstaan
ahefde = verhief (vt ahebban)
ahieldan = hellen, buigen, neigen >A hieldan
ahint = achter; GD ahint
ahneapan = afknijpen, afplukken; WA afkniepen
ahreosan = neervallen; >A hreosan
ahrissan = opschudden; >A hrissan
ahta =A eahta
ahtan (agan) = bezitten, echten >A agan
ahte = bezit
ahte = echte >A agan
ahton =A ahtan
ahoran = aanhoren, luisteren; AR ahuran* > PgAng/AmazdeÔsme
ahwaedher = elk van beide
ahwaer (oferal) = overal
ahyrian = afhuren > hyrian
Ai = ja; NH Ai
ain (agen, aegen, etc) = eigen; WA eign, eegn; GR aigen; GD ain
ait (ayt, althid) = altijd, steeds
aitfedan (alfedan) = altijd maar door; WA aitvedan, alvedan
aiw = eeuw; SW iew
aiwig (ece) = eeuwig; GR aiwig; SW iewig
aiwseald = eeuwenoud; SW iewenoold
al (all, ol, olla) = al, alle; ON olla, ol, al, alle; TW aal; GD aal; ME all [o:l]
al (ael) = altaar, tempel > Aladna
al that sinige = al het zijne
-al = -achtig
Aladna = Aladnaweg in Aalten = AVA Ael (altaar, tempel) + ladna (weg naar). Dus: Aladna = AVA Aelladna = de weg naar het altaar/offerplaats i.c. aan de Romienendiek.
alaeg = vaak
ne alaeg = niet vaak, soms
alaerest = allereerst, allereerste; OD alerst
alane = aleen; ME alone
alanis = aleenheid
Alfaeder = Alvader = Wodan
alang (andlong) = langs; AH+GS elangs, delangs; GD alang; ME along
alca = alk (# zwemvogel)
NB De Alk: clubgebouw in Kerkenveld/DR; Alkemade/ZH > PgAng/Alkemade
ald (aeld, eald, aold, ould, auld, old) = oud; ON old; WA ald, old, ould; GD ald, aad; ME old
Ald Nick = de duivel; GD Ald Nick > PgAng/Nicor
Aldensele = Oldenzaal
alderman =A ealdorman
alding (althing) = alles; ON alding
ale = gier; TW aal; AH ale
alecarre = gierkar; AH alekore
aleceldre = gierkelder; AH alekelder
alescepp = gierschep; AH alescheppe
alecgan = afleggen, neerleggen, wegleggen; >A lecgan
aler =A alor
aleton = gierton; AH aletonne
alfedan (aitfedan) = altijd maar door; TW alvedan, aitvedan
alhista >A aelhista
aliesan = loslaten, los maken, verlossen
aliesend = verlossend; verlosser
all (hala, hale, hall) = huis, gebouw, omheinde grond of wei
all (al, ol, olla) = al, alle, alles, allemaal; ON ol(la), al, all, alle; GA aal; ME all
all of = alsof; ON all of
allane = alleen; ON allene; TW alene; SH alleen; ME alone
allanig = allenig, alleen
allanis = alleenheid
allgeran = te berde brengen; ON allegeren
alliet = bondgenoot; ON aliet; ME ally (AV allied)
allinde =A ellende
allmectig = almachtig
allmehtig =A allmechtig
allswa (alsa, als, as) = alsware, alsdat, als; KA as; DR+TW as; NV as; ON as, als; ME as
allykewell = evenwel, toch; ON allijckewel
almaest = bijna, grotendeels; ON almeest; ME almost
almandyt = almandiet = halfedelsteen
almatic = bovenkleed met wijde mouwen; ON almatike
Almera = Zuiderzee; later Ysselmeer
alof (butanof) = buitenaf, achteraf, afgelegen, veraf; ME aloof
NB Alofsteeg buitengebied Weerselo.
alop (alup) = geheel, helemaal; ON alop
alor (aler, aerle, elle) = els (# boom); KA alor; ME alder
alreadig = alreeds, reeds; ON alrede; GD alreet; ME already
als (allswa, alsa, as) = als; KA as; WA as; EZ ass; ME as
alsa (allswa, als, as) = als, alsdat; KA as; ON alse, als; NV as; ME as
alsoo = zoals, ook; ON alsoo; ME also
alte- = alte- = al te
altefeor = alteveer = al te ver, te veraf
alteneah = altena = al te na, te dichtbij
althid (ait) = altijd; WA altied, ait; DN altid; ZW alltid [altied]; ME always
althing (alding) = alles; ON alding
althomid = samen, bijelkaar, totaal; WA/VWoud altemet
alu (ealu) = eel, ele = bier met weinig hop; ON ele; ME ale
alup =A alop
alwaegs = allerwegen, overal, altijd; GD elwis; ME always
amang (on gemang) = tussen, tussenin; GD amang; ME amongst
amazan* = verbazen; ME amaze > PgAng/AmazdeÔsme
amaze* = verbazing; ME amaze > PgAng/AmazdeÔsme
Amba = Terchelling
amber (eymmar) = (houten) emmer >A eymar
ambilt (onfilti) = aambeeld; ON aembelt
Amisia = Eems (Ems), rivier in NW Duitsland uitmondend in Emden
ammiral = admiraal, legerleider; ON ammirael; ME admiral
amna =A emna
ampna =A empna >A emna
ampulle = pul, kan
Amsen {1555 AD} = Ampsen (buurtschap in Lochem)
Amuda = Muiden/Naarden
an (ane) = ťťn, een, ene, dezelfde, alleen, etc; WA un; SW ien; EZ e
an (aen, on) = aan, op, bij, achter, te; KA an; WA an, oan; ON aen, ane, an; SW an; EZ an; ME on
-an {bij ww} = -en
-an {bij zn} (-er) = -en = van, horend bij
Anc- (Ang-) = Ank-
NB Ankland (Angeln) en Ankehaarveld bij Peest in NW Drente.
ancenned = enig geborene, enig kind
ancla =A ancleow
ancleow (ancla) = enkel; KA ancla; ON anclu, ancalu, ancluw, ancaluw
ancor = anker; ME anchor
mogelijk afgeleid van Grieks agkulos = gebogen, krom
ancorn = eenkoorn (# gewas)
ancorsmidh = ankersmid (# beroep)
Ancxlo {1600 AD} (Anxloo) = Angelsloo bij Emmen/Drente
and (andu, ond, ac) = en; KA and; ON andu, ende; WS ond; TWoud and, ande; SH un; EZ un; ME and [end]
and- = ont-, tegen-
andbidian = ontbieden, afwachten
andel = aandeel, 1 deel; WAoud endel
andettan = bekennen
andgiet = aangaande, betekenis, begrip
andloman = machine
andlong (alang) = langs
anslogt = aanslag
andswarian (andwortan) = antwoorden
andswaru = antwoord
andu =A and
andweard = aanwezig
andwlita (sihth, gesihth) = gezicht, aangezicht; KA sihth
andword = antwoord
andwordan (andwyrdan) = antwoorden
andwyrdan =A antwordan
ane (an) = tw ťťn, een, ene; ON ene; GR ain; GD ae; YK [ťťn]; ME one
ane while = een wijle, een ogenblik; ON ene wile, wijle
Anen {1232 AD} = Ane bij Hardenberg in NO Overijssel
anes = eens, eenmaal, ooit
Anewede {1259 AD} = buurt bij Ane in NO Overijssel; AL wede = weide
anfangan = aanvangen, beginnen
anfattan = aanvatten, aanvangen; ON annevaten
ang (angel) = hoek, haak, bocht
Ang- (Anc-) =A Eng-
anga = angst; ON ange
anga (onga) = punt, stekel
angan (angin) = aangaan, beginnen, bezoeken; KA angan
angan (dordon) = doorgaan; TW angoan
angan = bezoeken, schreeuwen, gillen, lawaai maken; AH angaon
angang = cafee, herberg; AH angank, weerdhoes
angar (anger) = weiland, grasland; ON anger
angast = angst, gevaar, ontzag; ON angest
angastrup (thimstrup) = tijmstroop (# hoestdrank)
ange = eng, nauw; ON ange
Angel (Engel, Ingel, Ongel, Ungel) = Angel (stamlid Angelen), Angeln
Angel {1325 AD} = Angelsloo bij Emmen in Drente
angel (angle) = angel, vishaak; AF angel
angel (angle) = hoek, haak, kromming, bocht*; HD anka (kromming, haak)
angel (angul, ongel, hoc) = haak, vishaak, spits
angel = schuthaar aan aar van rogge, haver of gerst; WA angel
angel = dunne lat om reet of spleet te dichten (OudZeeuws)
Angelcynn = Angelvolk, Angelen
Angelman = Angel (stamlid Angelen)
Angelrade = Angelrode = ontgonnen land waar Angelen wonen; > rode
Angelschen {1687, 1691 AD} (Angelsyn) =A Angelsen
Angelsen {1672 AD} = Angelsloo bij Emmen/Drente
Angelslengi (Angeslengi, Engislingi) = Enzelens/Garrelsweer in NO Groningen.
Angelschlo {1783 AD} =A Angelsloe
Angelsloe {1550*, 1784 AD} = Angelsloo bij Emmen/Drente
Angelsyn {1431 AD} = Angelsloo bij Emmen/Drente
angelsticc (angelstocc) = hengel; KA angelstiic; DR angelstok
anger (angar) = wei, veld; ON anger, angier
Angersse {1450 AD} = Angelsloo bij Emmen/Drente
Angeslengi =A Angelslengi
angh = bevreesd voor, bang; ON angh
angha = benauwd
Angham (Anglum, Englum) = Angelhem, Angelheem
angin (angan) = aangaan, beginnen; KA angan
Angla = Angel, Angelland, Angeln, Anglisch
Anglahall = Hal der Angelen
Anglahus = Anglisch Huis, Huis der Angelen
Anglaland = Angelland, Engeland; DN Engeland
Anglaland = Angelland: strijdkreet van de Angelen > PgAng/Anglaland
anglan = hengelen, vissen
angle (angel) = hoek, bocht, haak; KA angle
angle = hengel, vishaak
Angle (Engle, Ingle, Ongle, Ongull) = Angel, Angelland
Angle (Englum, Engle, Ongle) = Angelland = land der Angelen
Angle (Engle, Ingle, Ongle) = Engeland, Angelen (volk)
Angleman (Engleman) = Angelman = Anglische man, Angel
anglere = hengelaar, visser
Angles = Angelen; ME Angles [Engels]
Angles = bn Angels, Anglisch, Engels
Anglesc (Anglisc) = bn Anglisch, Angels, Anglesch, Anglesh, Engels; KA Anglisc; PD Anglesch; GD Anglesh
Anglia = land der Angelen
Anglian = Angel, Anglisch
Anglisc (Aenglisc, Anglesc, Englisc) = Anglisch, Angels, Anglesh, Anglesch
Anglo = Angel, Anglisch
Anglum = (Englum, Angham) Angelham = Angelheem, Angelland = oord waar Angelen wonen, woonoord van Angelen
Angol (Ingol) = Angel, Anglisch
angol (angul, ingol, ungol, haecce, hoecce, picchoc, sciphoc, piccaex, wenthold) = pikhaak, pikhouweel (# gereedschap, werktuig, wapen)
angol (# slagwapen) = rechte heft met haak aan de top; OT* ankul = slagwapen
NB ML ongol = gebogen stukje deeg > Ongle
NB ML tjankol = spade, schop met schop haaks op steel
angolstaef = angolstaf = staf met soort angol als kop > PgAng/Angolstaf
angolsticc = angolstok = wandelstok met haakse (rechte) handgreep; werd o.a. tevens gebruikt om op deuren te kloppen of als slagwapen tegen agressie.
angon = speer, lans; ML herder > PgAng/Angon
angrislic = afgrijselijk, verschrikkelijk
angs = angst; TW angs; AF angs; ZW šngslan [engs-lan]
angslic = angstig, beangstigend
angul (ongel, hoc) = hoek, haak, angel, hengel, vishaak; ON angel; GR angel, hangel
angulan = hengelen; ON+WA angelen; GR angeln, hangeln; ME angle
angulere = hengelaar >A -ere
angwis = kwelling, smart, pijn
animan =A anniman
anis = anijs; ON anis; WA anies
anisbread = anijsbrood = broodjes met anijszaad
anisdrinc = anijsdrank
anislump = anijsblokje
anismilc = anijsmelk (# kalmeermiddel, hoestdrank, etc)
anisoyl = anijsolie; geperst uit anijszaden
anissaed = anijszaad = zaad van de anijsplant
ankel = enkel; ME ankle
Anken {1381 AD} = Ankum bij Dalfsen
anlaec = aanleg, aanlegplek voor boot
anlaecan = aanleggen (boot), aanbinden, verbinden, vastbinden, verenigen
anlic = enig, alleen, maar, slechts; ME only
Anloe {1431 AD} = Angelsloo in Emmen/Drente
anlup = ongehuwd; ON eenlope
anmod = aanmoed, neiging
anmod = eenzaamheid; WA anmood, eenmood
anmodan = aanmoedigen
anmodan = toedichten, toeschrijven; WA anmooden
anmodlic = aanmoedigend
anniman = aannemen
anraed = aanrading, advies
anraedan = aanraden, adviseren
anscot = aangspoeld land; ON aenschot
ansien = aanzien, verschijning; WA anseen
ansien = aanzien, onder ogen zien; WA anseen
anstewan = opdrogen; TW anstiewn
ansum = eenzaam
ansumnis = eenzaamheid
ansund = gezond, helemaal, onbeschadigd
ansundnis = gezondheid
-ant (-ing) = -end, -ing = durend, langdurig, steeds
antid = eens, eenmaal, ooit; WA eentieds
anweald = bestuur, bestuurder
anwinnan = vooruitgaan; AH anwinn
Anxlo {1645 AD} =A Anxloo
Anxloe {1645 AD} =A Anxloo
Anxloo {1612 AD} (Anxlo, Anxloe, Ancxlo) = Angelsloo bij Emmen/Drente
aold (old, eald, ald, ould) = oud; WA aold
aog (aeg, eage) = oog (# lichaam); KA aog; GR aog; DR oge; TW aoge, oag
aowe (awe) = afgrijzen, vrees, angst, ontzag; WAoud aowe
apa (awa) = water; ML air [ajar] = water; AU apa; OT* apa
ape = aap (# dier)
Apede = Appen, buurt in Voorst, Ysselland
apostol = apostel
appa (apa, awa, etc) = water; OT* appa
apparant = duidelijk, schijnbaar
apparantlic = blijkbaar, klaarblijklijk; ON apparentlic; ME apparently
apprehency = verzekerde bewaring; ON apprenhency
apricos = abrikoos; ZW aprikos [apriekoes]
ar = vroeger; ON eer; >A arlice
ar (aer) = eer, gratie, genade
ar (or) = eer, voordat, eerder
ar = of; ME or
ar- = ver- = aan, af, op, uit, etc
-ar in zn =A -ere
-ar = -er (VB groter, mooier, etc)
ara = rivier, beek
Arabian = Arabisch; ON Arabiaen; ME Arabian
arac = anijsdrank geperst uit anijszaden (# medicijn)
arac = brandewijn; oeroude drank gestookt uit wijn om verzuring te voorkomen; ON arak, arrack
Arachem (947nC) = Archem bij Ommen
araed = gereed
araednes = gereedheid, gesteldheid
araeran = rijzen, oprichten, bouwen
aran (earn, eagle) = arend, adelaar
aran (arnan) = stromen (# water)
aran* (bennan, sinan) = ww zijn; KA aran; NRoud erum; ME are
arbeyar = arbeider; ON arebeyer
arc = ark (# houten boot); ME ark
arce (earc) = boog (# gebouw); ON arke
arce = gewelfde oven; ON arke
arce = boog (# wapen); OE arc
arce =* heuvel, hoogte
NB Arkeweg in Tubbergen
arce = bocht in weg, rivier of beek
arceman =A arcman
arcet = gewelfboog; ON arket
arcman (arceman, earcere, bowman) = boogschutter; ON archier; WA arkman; OE arceman; ME archer. NB Arkmansweg in Deldeneresch/Twente
-ard (-art) =A -ert
Arian = AriŽr, Arisch; SK arya = rechtmatig, edel; ME Aryan
arian = eren, sparen, besparen
arig = slim; ON arig
arighed = slimme streek; ON aricheyd
ariman (recenian, rekanan) = rekenen, berekenen, ramen
arimed = rekenkunde
arimedlicu = berekenbaar
arisan = rijzen, opstaan
arleas = bn eerloos, slecht
arleasnis = eerloosheid, slechtheid
arlice {AVA ar = vroeg} = bn vroeg; ME early
arm =A earm
arman (aerman) = een arme, ongelukkige
armey (aermey) = leger; KA armey; NV armee; ON armeye; ME army
armfeld = land langs een arm van beek of rivier
arnan (aran) = stromen, vlieden, vloeien
Arneym (Ernem) = Arnhem
Arnleag = mansnaam; LB aran(=arend) + leag(= sjamaan)
arod = snel, direct, flink, stoer, dapper
arodlice =A arod
arondan = afronden; WA aronden
Aros = Aros (Anglische stam) > PgAng/Aros
arpig = harpij = boze vrouw; AV Grieks Harpyia: stormgoding, afgebeeld als een gier met gezicht van een vrouw
ars (aers, ears) = aars, anus, achterste, billen; KA aers; GD arse
arsatere = arts, heelmeester, geneesheer; ON arsatere
arsatery = artsenij, heelkunde, geneeskunde; ON arsaterie
arse (aers) = aars, achterwerk; GD arse
arsedy = medicijn, geneesmiddel, tovermiddel; ON arsedi
-art (-ard) =A -ert
arum = aronskelk (# bloem)
arwe (earh, pail) = pijl; KA arwe; ME arrow
arweorth = zn+bn eerwaarde
arweorthig = eerwaardig
arword = erewoord
as = god, godheid
as (allswa) = als, evenals, zoals, toen; KA as; WA as; NV as; ME as
Asbole = Asbole = symbool Angel-Saxisch Verbond > PgAng/Asbole
ascacre (ascfeld, ascete) = asakker = strooveld voor as
ascax = schijn, leus; ON ascax
asce (eax, axe) = as = verbrand hout; ; o.a. gebruikt als bemesting van land; KA asce; AH ask; ME ash
ascete (ascfeld) = met as bestrooid terrein
Ascete {c 1050 AD} = Eschede = vrml hof bij Terwolde
ascfaet = opslagplaats voor as; VW assevat >A faet
ascfeager = asveger = borstel om as weg te vegen
ascfeld (ascacre) = asveld, strooiveld voor as
ascian (axan, fraegan) = vragen, eisen; KA ascian; GD axe; ME ask
Ascloa (Aescloa, Haslo) = Asselt (N.Limburg) = de laagte bij de esbomen
ascufan = aanschuiven, vertrouwen; WA anskoeven
Ase {AV AR asu = leven, levenskracht) = god, godheid
ase- =* god, godheid; NB Aswin, Azelo/Borne, Azewijn, Azeven/Appelscha
asendan = toezenden
asettan = opzetten, bouwen
Asgard {AVA Ase=godheid + geard=gaarde, hof, tuin} = Asgard = hemels woonoord van de goden
aside = keerzijde, achterkant, zijkant; WAoud afside
aside = bw naast, achter
asmeagan = overleggen, nadenken
assa (esol) = ezel
ast = vuur
-ast (-est) = -ste; VB eerste, grootste, etc
Deze uitgangsvormen komen alleen voor in het Nederlands, Engels en Anglisch.
Astarabederwalda {c 1475} = Oosterbedumerwold/Groningen > PgAng/Bedum
astelidan = verbranden; > PgLng/Caedmon
astleac = astlook (# bieslook)
astreccan = uitstrekken
astyrian = aansturen
Aswen {828nC} = Azewijn/Liemers
aswaeman = weggaan
Aswin = mansnaam =A Aescwine
ates (aetes, haefar) = haver; ME oats
ateon = trekken, uittrekken, uitnemen
ateorian = falen, wegvallen
ath (adh) = eed; ME oath
athweran (roran) = roeren
ator (attor) =A ittor
atrendlian = rollen
attam (aem) = adem, nevel; GD blaa
attaman = ademen
attan (ettan, etan) = eten; WA etten, atten
Attem = Hattem/Veluwe
Attembrook = Hattemerbroek/Oldebroek
atting = voedsel, onderhoud, kostgeld; ON attinghe
attor (ator) =A ittor
atwix >A betwix
auck (ock) = ook; ON ouc, oick; WA ok
Augustus = Augustus
auld =A eald
aus = grens
aushere = grenswachter; WA aushere
austa = grensland; WA auste
Austin = Augustinus (mansnaam)
av (a, aefre) = altijd, voor altijd; ME ever
avan* >A awan
avantagy = voordeel; ON avantagie; ME advantage
avar >A afar
Aw (Ic, Ick) = ik; KA Ic; GD Aw
awa (apa, aa) = water
awaeg = bw weg; ME away
awan (hawan) = bezitten, hebben*; GD aan; ME own
ME have lijkt mogelijk afgeleid van OA awan, later veranderd in avan, nog later met aangeblazen h veranderd in have. > PgAng/Awan
NB Munster/NW Duitsland streektaal: hawan = hebben. > PgAng/Angelmodde
awahtan = afwachten; ME await
awe >A aowe
aweallan = uitzwermen
aweat = wacht, wachtpost, schildwacht, bewaking, nachtwake; ON aweit, awaet
aweatan = wachten, afwachten, bewaken; ME await
aweccan = ontwaken, wakker worden
awedan = gek worden
awendan = aanwenden, omkeren, vertalen
aweorpan = toewerpen, verwerpen, afwijzen
awerian = verweren
awestan = verwoesten, woest (onontgonnen) laten
awesum = afschuwelijk
awiergan = vervloeken
awierged = vervloekt
awiht = iets
awile = ogenblik; WAoud ane wile
awritan (writan) = schrijven, copiŽren; ME write
awsan = misdragen, vervuilen, ergeren; WA aosen
awsum = vreselijk
awyrtwallan = ww wortelen
axa = as (van wiel), verbond
axan (ascian, fraegan) = vragen, eisen; GD axe
axe =A asce
ay (aye, gese) = ja, jawel; KA ay; ON ja, jae; ML ia, ja; AU ya, yowi; NH ay; ME yes
ay (ea, ig, ey, a) = eiland; KA ey
-ay (-ig, -e, -ey, -ea, -a) in geonamen = eiland
aye (ay, gese) = ja; ON ja, jae; GD aye; ML ia, ja; AU ya, yowi; ME yes
ayl [ail] (ael, oltar, outar) = altaar, tempel, offerplaats; AM ayl > PgAng/Ael
ayn =A aegan
aynde (ende) = einde; KA ende; ON ende; GR ainde; ME end
ayne = einde; WA aen, aan; WAoud ane
Komt o.a. voor in plaatsnamen: Ane (Drente), Eindhoven, Westeind, etc. Betekenis: locatie aan het einde van iets.
ayns =A aegenes
Ayns (Aens, Eans, Ens) = Ens (mansnaam)
ayse (eyse) = tevreden, vrolijk, gemak; KA eyse; ON eyse, ayse; ME ease
ayseofa = gemakzucht
aysig >A eysig (gemakkelijk)
ayt (ait) = altijd, steeds; WA ait; ME always
 
b::
ba (bathe, begen) = beide(n), allebei
bac = houten bak, waterbak of emmer
bac (baec) = rug; KA bac; ON bac; ME back
bac [bak] (bacc) = achter, achteraf; KA bac; ON bac; NR [bak], ZW bakom; ME back
bac (baec, toruck) = terug; TW trugge; ME back
baca (mearc) = baken, grens; WA bake, boak
bacan = bakken; ME to bake
bacan = bakenen, afbaken, begrenzen, afgrenzen
bacan = steunen, ondersteunen, dekken
bacan =A baecan
bacban (rigban) = ruggegraad
bacbord = bakboord, achtersteven van schip
Bacbearn = Beekbergen
bacc (bac) = vz achter, achteraf
baccan =A baecan
baccend = achtereind; GD back end = herfts
bacclaeg = hinderlaag
bacclaese = achterland
bacchus [bakhus] (bachus) = achterhuis; WA bakhuus; YK bacchus
bacdore = achterdeur
bacere =A baecere
bacery = bakkerij
bacgaerd (bactune) = achtertuin
bacheler = jonge edelman; ON bachelear
bachus (bacchus) = bakhuis, bakoven; WA bakhuus; staat op erf; WAoud backhus; ME bakehouse
NB > cochus
bachus = achterhuis = bijgebouw met stal; WA achterhoes; WAoud bakhus
baciser = braadpan, wafelijzer; WA bakieser
bacpac (rucsacc) = rugzak
bacpine (spitt) = rugpijn, spit
bacspicer = bakoven; TW bakspiker (staat op erf)
bacsten (bric) = baksteen
bactand {AVA bac (achter) + tand (tand)} = kies (# lichaam); ON bactant
bactune (bacgaerd) = achtertuin
bacweard = achterwaards, achteruit, achterlijk
bacwind = achterwinds, lijzijde, luwte
badd = plankbrug zonder leuning
badde (baeddel, cwed) = bn slecht; KA badde; ME bad
badding = dikke plank van grenenhout; WA badding
badgerd (badgeard) = das (# dier)
badgeard =A badgerd
badland =A unland
badnis = slechtheid
baec (bac) = rug; KA bac; ON bak
baec = bak, kop, beker; TW baek, baekske
baec (bac, toruck) = bw terug; WA trugge
baecan (bacan, baccan) = bakken; ON baken
baecere = bakker; ON backere; ME baker
baecery = bakkerij
baecestre = bakker
baeco (beacon) = bacon, spek; ON bake
baeddel (badde) = bn slecht; KA badde
baeka (beacan) = baken, straatlicht; WA boake
bael = baal; ME bale
baela {mv baelas} = bedelaar
baelan = balen, bedelen
baelsacc = bedelzak
baen =A ban, bana, bane
baer (bar) = bn baar, puur; KA bar
baer (bar) = bn naakt, kaal, open; KA bar
baer (bear) = baar; >A baerwe
Baer {#KVL/1557} (Bare) = Bahr in de Liemers
-baer = -baar; VB draagbaar
baercladh = lijkkleed; ON baercleet
baere =A baer
baerfeld = open veld
baerfot = baarvoets; DR barft
baerg = berging, bergplek, schuilplaats
baergan = bergen, verbergen, bewaren, begraven; GD barry
baerhus = baarhuis = lijkenhuisje
baerle = vat, ton; ON baerle
baerlic = bn baarlijk, baar, puur
baerlic (gorst, bere) = gerst; KA baerlic; ME barley
baerm (barem, barm) = berm, pad; KA baerm; ON barm, baerm, barem; TW beerm, boorm
baerman = erbarmen, medelijden hebben; ON barmen
baermheortig = barmhartig; ON barmhertich
baermheortignis = barmhartigheid
baern = brandhout
baernan (byrnan) = branden; KA byrnan; ON barnen; ME burn
baerne = brand
baernfeld = brandveld, crematieveld (= veld waar gecremeerd wordt)
baerning = brandstof; ON berninghe
baernstin (aembre, aembrestin) = barnsteen
baernte = veld waar brandhout wordt gehaald; ON barnte
baeran (beran) = dragen; KA beran; ME to bear
baerra (barra) = geweld; DR barre
baers = bn kaal, bloot, bosig, nors; WA bars
NB Barsdijk in Ziewent.
baerwe = draagbaar, lijkbaar; WA barwe, baarwe
baes (boas) = baas; KA boas; ON baes; TW baos; DR baos; ME boss
baes = vriend, gezinshoofd; ON baes
baes = ondeugende jongen, rakker; TW baos
baesig = bazig; ME bossy
baest (bast) = bast
baestan = bn van bast
baeth (bathu) = bad (# ww baden)
baethcott = badhok
baethtub (bathtub) = badkuip
baets = bats, schop, schep; WA batse
baey = baai, hemd; ON baay; WA boai
baft (=be+aeftan) = achtersteven van schip
bagal = sterk; ON bagel
bagalic = op fiere wijze; ON bagalike
bagert = huichelaar; ON bagaert
bagga = draagmand; NV bagge; ME bag [baeg] = zak, tas, vangst
bagga = bagage, tas, zak
baggan = dragen, vangen, schieten; ME to bag
baggpipe = doedelzak (# muziek)
bairn (cind) = kind; GD bairn
bal = bal, bol; GD baal; ML bulan = maan; AU bahloo = maan; OT* balla; ME bal
bal = bal, dansfeest
bal (bol) = bn rond
bal (bald) = bn koen, flink, dapper
balc = balk, zolder; ON balc
Balc = Balkbrug
balca = balk
balcan = blaffen; ON balchen
balcbrigge = balkbrug (brug van balken), veenbrug
balchund (waecdog) = waakhond; ON balchhont
balcian = balken, boeren; GD bowk
bald (bal) = koen, flink, dapper
bald =A buld
balda = de koene, de flinke, de dappere
balder =A bulder
Balder = Balder = Anglische god > PgAng/Balder
balderman = Anglische priester gewijd aan de god Balder > PgAng/Balder
baldercrod = balderkruid, balderiaan (# valeriaan)
baldo =A balda
Ballard = Bollert (mansnaam)
balsme = balsem; ON balseme, balsom
baempt =A beamt (beemd)
ban = been, bot; ZW ben [been]; OE bain; ME bone
ban = ban, rechtsgebied, rechtszitting, vonnis; ON ban
ban (baen) = baan, vlak terrein, slagveld, gangbare weg; ON bane, baen
bana = dood, moord
banan = banen, ergens doorheen gaan, een weg banen
band = band
banding = rechtszitting waarbij alle dingplichtigen aanwezig moeten zijn; > PgAng/Dingen
bane (baen) = vlak terrein, weg, slagveld
bane (baen) = leed, ongemak, schuld
banfyr = kampvuur gestookt met botten
banga = zoom, rand; ME bang
bangan = omzomen, omranden; ME bang
banghe = bang, angstig, benauwd
banham = beenham = gerookt rundvlees
banican = neuken, wippen; ON baniken
bangan = bengen, slaan; GD bang
bannan = bannen, vonnissen, verbannen; ON bannen
bannoc = dikke koek van haver en gerst of erwten; GD bannock
bant (bend) = band, bocht, rand; ON bente
banta = gebeente; ON beente
bantgaerd = bindteen; ON bantgarde
bantholt {mv -s} = bandhout = dunne repen buigzaam hout; o.a. voor tonnen
Bantum = MariŽnberg/Vecht in Salland
banwyrhta = beenwerker, uitbener, slager
bar (bere) = ever, beer (mannetjesvarken), wild zwijn; ME boar
bar (bere) = beer (# wild dier), manlijk zwijn, stormram; ON bere, bare
bar (beofro) = bever; KA bever; ME bever
bar (ber, bever, beofre) = bever >A bever; > PgAng/Barlo
bar = bar, erg, vreselijk
bar (baer) = baar, puur; KA bar
bar (baer, bear) = baar, draagbaar, lijkbaar >A baerwe
bar (baer) = naakt, kaal, open; KA bar; TW bar
bar = enrstig, vreselijk; NV bar
baran = dragen, baren; ME bear = dragen
barbar = barbaar
barbara = barbaars; ON barbe, barbariŽn
barbur = barbier, chirurgijn, kapper; ON barbar
barce = bark (# lichte boot van hout); ON barke
barcian = blaffen, hoesten; GD bark
barclaw = bereklauw (# plant, gereedschap)
barde = bard, troubadoer
bare (bere) = beer (# wild dier); ON bere
Bare {KVL/1557} (Baer) = Bahr in de Liemers
barem >A baerm
barewe =A barwa
Barkmen {1233 AD} = Berkum bij Zwolle
Barle = Barlo, Baarlo
barliban = duivel; ON barlibaen, barlebaen
barm >A baerm
barnabu {AVA barna=bevers + bu=burcht} = beverborg, beverdam
barnaby =A barnabu
barnadam = beverdam, beverborg
barnum = gebaarde, geborene, boorling > aelda barnum
barra (baerra) = geweld; KA barra; DR barre
barra = slagboom, barriŤre
barra = bar, droog, onvruchtbaar
Bart = Bart (mansnaam) AVA Bartel
bart (bert, bort, bord) = hout, plank; ON bert, bart, bort
NB De Bart = weg bij DeValk/Wekerom
bart = houten brugdek
barta = brede bijl
Bartel = Bartel (mansnaam) AV Barholomeus
bartel (raefter, tengel) = houtschroot, brandhout
Barteld = Barteld (mansnaam) AVA Bartel
bartelere = plankenmaker, schrootmaker; ON barteler; NB Bartelerweg in Haaksbergen
barteling =A bartelere; ON barteling
NB Bartelingweg in Neede en Hengelo Ov
bartelt = ON barteld = plek waar bart (hout) ligt
barteran = ruilen; ON barteren
bartere = handelaar
bartering = ruilhandel
bartun (ricgeard) = gerstakker; ME barton
barun = baron, leenman, edelman; ON baroen; TW barron; ME baron
baruny = baronie = vrije heerlijkheid van een baron
barwa (barewe) = berrie, handkar, kruiwagen; KA barwa; ME barrow
barwa = berg, baar, grafheuvel; ME barrow
barwan = ww dragen
basile = basilicum (# kruid)
basone = bazuin; ON basune, basone; WA basoon
bast (baest) = bast
bat (bot, bote) = boot; KA bote; ME boat
bataet = bataat (# zoete aardappel)
bathe (ba, begen) = beide(n), allebei; ZW bada; ME both
bathe (baeth) = bad (# baden)
bathian = ww baden
bathoyl = badolie
bathu (baeth) = bad
bathus = badhuis
bathtub (baethtub) = badkuip
batswegen =A botman
batt = slag, mep; GD bat
battaelge = bataljon, leger, gevecht; ON betaelge
battan = slaan, strijden, vechten; AH batern; GD baist; ME beat
battan = soort balspel
batte = slaghout, knuppel
battel = strijd, veldslag
batteld = slagveld
NB De Batteld in Zelhem
battere = strijder, vechter
Battum = Bathmen/Deventer
Batua = Betuwe
bay = bn roodbruin (# kleur)
bayard = roodbruin paard; ON bayaerd
baye = laurierbes; ON baye
bayn =A ban (been)
bays = huis, hut, onderkomen; WA bais
be [bi] = bij, over, betreffend, volgens, in; WA bi
beac = biek = varken
beac = strand; ME beach
beacan (baeka) = baken, straatlicht, vuurbaken, teken
Baken = ijzeren mand op een paal. In donker werd de mand gevuld met blokken hout, die aangestoken werden. Zulks diende als straatverlichting of als soort vuurtoren.
beacangield = bakengeld voor passerende boten en schepen
beacanweard = bakenwachter; moet baken verzorgen en onderhouden
beaco = bacon, spek; ME bacon
bead = bod, aanbod, gebod
beade = kraal
beag = buging, bocht
beag (torcca) = torque (# arm-, halsband van goud)
beagan (biegan, bugan) = ww buigen
beal =A bil, bille; ON biel
bealca = balk
bealcge (buc) = balg, buik; WA balg, boek; GD bagie
bealcge = bult, heuvel, weide; ON belc
beald =A buld
bealder =A bulder
bealloc =A bealluc
bealluc (bealloc) = bal, testikel
bealt (bylt) = belt, bult, hoogte, heuvel; RY bealt
bealtmyl = beltmolen = molen op heuvel
bealtar = belter = veld met veel belten
beam {mv beamas} (treo) = boom, balk; ON boem; AH beum
beam = boom = lange dikke stok
beaman = ww bomen = voortduwen mbv een boom (lange dikke stok)
beamas = zn bomen
beamery = veld met bomen; VW bomerij
beamgaerd = boomgaard; ON boomgaert
beamt (baempt, pas, paes) = beemd = waterrijk weiland; ON beemt
beamt (baempt) = beemd = aan water gelegen weide of hooiland; VW bampt
beamt (pas, paes) = beemd = drassig hooiland; ON beemt
bean {mv beanas} (benn) = boon (# peulvrucht)
beanas (benna) = bonen; KA benna
beant =A bent
Beantel = Bentelo/Twente
bear (baer) = baar, bed; WA berre
bearan = baren, dragen
beara = huis, schuur; GR bere
beard {mv beardas} = baard
bearg = barg = gesneden varken
bearn = geborene, baby, kind; ME bairn
bearth = schittering, twinkeling
bearthan = schitteren, twinkelen
beas = bies, strook, rand
beas (rus) = bies = smalle strook overgewas; >PgAng/Biessum
bease (bise) = beetje; ON biese
beast = beest, koe
beast = ruw, slecht, erg; WA biest
beastar (beostar, bystar) = bn biester = slecht, erg; ON byster; WA biester
VB biester weer = slecht weer
beasterbane = normale doen; AH biesterbane
beastarbusk = ondoordringbaar, verwilderd bos
beastmaerct = beestenmarkt
beastrig (bystrig, beostrig) = biesterig
beat = slag
beatan = slaan, verslaan; NV batten; ME beat
bebeodan = ww bevelen, commanderen, aanvoeren
bebyrgan (byrgan) = begraven; GD barry
bec = bek, mond; WAoud beck
bec =A bok
becca = steekwapen
beccan = redetwisten; WA bekken
bece (beuce, boc, boece, bucc) = beuk (# boom); KA bucc; ON boeke; WA buk, boek; ME beech
bece =A beck
beck (bece, bace) = beek; ON beck; WA bek, bekke; GD beck; YK beck
beclamman = beklampen = muren met extra baksteenlaag bekleden
beclyppan = vastklampen, omarmen
becuman = bekomen, aankomen, arriveren; WA bekommen
becuman (wurdan) = worden
bed (bedd) = bed; KA bed; ME bed
beda = bede, gebed, kraal
bedaelan = bedelen, aalmoes vragen
bedd (bet) = bed, slaapplaats; KA bedd; ON bedde, bet
bedd (bet) = bedgenoot, huwelijk; KA bedd; ON bedde, bet
bedd (bet) = waterkering, dijk; KA bedd; ON bedde, bet
bedd = plek waar hoenders een zand- of zonnebad nemen
beddcladh = bedkleed, beddesprei, deken; ON beddecleet
beddnot = bedgenoot, echtgenoot; ON beddegenoot
beddpanne = bedpan = pan met lange steel voor hete kolen om bed te warmen
beddrum = slaapkamer
beddsted = bedstede; TW bedstedde
bedeccan = bedekken, versieren
bedelfan = bedelven, begraven
Bederawaldmanna {c 990nC} = mannen van Bedum (stad in Goningen)
Bedoruualda {c 990nC} = wold (ontginning gebied) van Bedo = Bedum
bedowlan = ww bedoelen; SW bedoulen
bedreagan = ww bedriegen; WA bedreegen
bedrug = bedrog
bedruwet = bedroefd; WA bedrowt
bedu = bede, verzoek
bedudan = beduiden
Beeck {1206 AD} = Beek/Liemers
befaestan = vastmaken, begaan, vertrouwen
befallan (agan) = gebeuren; ON ghevallen
befealan = bevelen
befelan, befelad, befolan; Ic befela, ye/he/se befelat, we/ye/se befelan; Ic befolad, etc; Ic hev befolan
befician = ww bedriegen
befoir =A before
beforan =A before
before (befoir, beforan) = bevoor, voordien, eerder, tevoren, voordat; KA before; ON bevoren; AG befoir
began = begaan, beoefenen
begann = begonnen
begdan = verwekken, voortbrengen, veroorzaken
begeatan = begaan, krijgen
NB AH begetjen = bestelen
begen (ba, bathe) = beide(n), allebei
begeond {AVA geond = ginds) = voorbij, over; GD ayont; ME beyond
begietan = krijgen, verkrijgen; >A gietan
beginnan {begineth, began, begon} = ww beginnen
behatan = beloven
behausing (behusung) = behuising; WAoud behausing
beheafdian = onthoofden
beheafding = onthoofding
behealdend = behoudend
behindan (hindan, hint) = achter; KA behindan; ME behind
behofian = behoeven, hoeven
behoran = behoren
behorig (gehorig) = behorend
behorsian = paard afnemen of afpakken
behreowsian = berouwen
behusung (behausing) = behuizing; WAoud behusung
behydan = behoeden, verbergen, verstoppen
belaeg (belough) = beneden, onder; KA belough; GD belaa; ME below
belaewan = belazeren, verraden
belaf = verblijf
belafan = blijven, verblijven
belcg =A bealcge
beleapan = belopen, oplopen
belefan = beloven, geloven
belfort = toren, bolwerk met toren; ON belfort, belfroot
belgan = zwellen, boos worden; ON belgen
beliefan (geliefan, gelefan) = beloven, geloven
beliefnis = toestemming; ON beliefnisse
belifan = blijven; TW blifen, bliffen; SH blifen
bell = bel, belt, bult, heuvel, beker; ON belle
bellan = bellen, aanbellen
belle = bel, deurbel; ON belle; ME bell
bellman = omroeper, stads- of dorpsomroeper; ON belleman
belmod = rommel, verval
belmodig = vervallen, verwaarloosd, onverzrogd, slordig; WA belmeudig
belough (belaeg) = beneden; KA belough; GD belaa; ME below
Belga = BelgiŽ = De Nederlanden = De Lage Landen = Nederland + BelgiŽ + Luxemburg
Belgic = Belgisch
Bels = Belz = Belgisch
Bels = Bels = zwaar, groot en lichtbruin paard
belucan = sluiten; >A luca
ben (bun, caer) = ben, bun, kaar, korf, mand, rugmand; NV ben
ben = gebed
benc = bank, oever, hoogte, heuvel; WAoud benck; GD bank; ME bank
benc = steile weg; GD bank
benc = zetel, rechtbank, schepenbank; ON banc
benc = stellage om planken te zagen; AH benke
bend (bant, bent) = rand, bosrand, bocht, bond; ON bente
NB "In de Bente" = gehucht bij Dalen/Coevorden (kaart HTN/19 1773); ligt precies in een grote bocht.
bend = gevlochten mand; AH bende
bendan = buigen
bendfeld = veld in bocht van weg of rivier; ON bentveld
bene (binne) = binnen; VW bene, binne
beneothan = beneden; ME beneath
benet (beonet) = bentgras, riet; WA bunt; ME bent
benn {mv benna, benne} (bean) = boon (# peulvrucht)
NB Benneveld (Drente) wordt in acte Ao 1276 "Boneveld" genoemd.
benn = mand, korf >A binn
benna {ev benn} = bonen (# peulvruchten)
bennan {is, waes, west} (aran) = ww zijn; WA bennen
bent =A bend
bental = knuppel; TW bentel
bentalan = ww knuppelen
beo (imme) = bij (# insect); ON bey; WA bie
beocepere = bijenhouder, imker
beocepery = bijenhouderij, imkerij
beohyve (hyve) = bijenkorf
beodan (bidian) = bieden, aanbieden, gebieden
beofor = (bever, bar, ber) bever
beoforhuntere = beverjager
beolene = bilzenkruid
beomaerct = bijenmarkt
beon = geweest
beona = beun = zolder, vliering; DR beune
beonet (benet) = bentgras, riet; ME bent
beor (alu, ealu) = bier; GD beor
mv beors = bieren; WAoud biers
beorc = berk (# boom)
beorc = bark (# boot)
beorcan = ww blaffen
beorcfeld = berkenveld
beorchaga = berkenhaag; LM/Aerdt berkhaag
beorcruce = bierkruik
beorg = berg, heuvel
beorg (burg) = borg, burcht, bergplaats, schuiloord; TW burg, berg, barg
beorgan = ww bergen
beorgere = burger, stedeling; ON borger, poorter; ME burgher
beorghere = borgheer, burggraaf, borggraaf, kastelein
beorgman =A burgman
beorh = heuvel
beorht = helder, stralend, schitterend, eerlijk, nobel; AR bhrag
beorhte =A beorht
beorhus = bierhuis
beorm = gist, bierdroesem
Beormingas = Beormings = Anglische stam in Birmingham (GB)
beorth >A beorht
beost (byst, beast) = biest, ruw, slecht; WA biest
beostar (bystar, beastar) = bn biester
beostrig = biesterig
beot = bot, grof, dreigend
beotlic = bot, grof, dreigend
beoton =A beatan
beoweax = bijenwas
bepaecan = pakken, bedriegen; NB NL gepakt = belazerd, bedrogen, opgelicht
beppa = grootmoeder; WA beppe
ber (bar, bever, beofre) = bever; >A bever
bera (bare) = beer (# wild dier); ON bere, bare
beran (baeran) = baren, dragen; KA beran; ME to bear
Berchloe = Borgel/Voorst
Berckmen = Berkum/Zwolle
bere (gerst) >A baerlic
bere = modder; ON bere
bereaern = graanschuur; ME barn
berec = bestuur, rechtspraak; ON berec
berecan = besturen, recht spreken; ON berecken
berende = barende, vruchtbaar, productief
berewic (gehuged) = gehucht, buurt, buurtschap
Berga {1105 AD} = 'sHeerenberg/Liemers
Bergel = Borgel/Voorst
berie (berig) = bes; KA berie; WA bere; ME berry
beriemaerct = bessenmarkt
berig (berie) = bes; KA berie; WA bere; ME berry
beriht = bericht, mededeling; AF berig; ML berita
berihtan = berichten, mededelen
bern = schuur; GD bern
berofan = beroven, vernielen
berstan (burstan) = barsten, breken; ON bersten; WA bersten; GD borst; ME burst
bert =A bart
berth (bura) = buurt; VB Engelbert/GR > PgAng/Siddeburen
Berum = Bierum in NO Groningen
besargian = bezorgd zijn
bescieran =A scieran
bescufan = toewerpen, toevertrouwen
besegan (segan) = belegeren, overweldigen; KA segan; ME besiege
besege (sege) = belegering, overweldiging; KA sege; ME siege
besem (brom) = bezem; AH bessem; KA brom; ZA besem; ME besom, broom
beseman = bezemen, schoonvegen
besencan = bezinken, onderduiken
besma = bezem; DR+TW bessem; GD buzzem, buzeem
beseon = bezien
besettan = bezetten, omgeven, bedekken
besoc (besyc) = bezoek; WA besook, beseuk
besocan = bezoeken; WA besoken
besoddan = verdwazen, benevelen >A sodd
besprecan = bespreken; ML bitjara; AU yarra = spreken; boom
bessfaeder (greaffa) = grootvader; PD bessvader
besse =A bessmodor
bessmodor (greamma) = grootmoeder; AH bessemoar; PD bessmoder
bestealcian = bestelen, gluipen
bestelan = bestelen
bestfaeder (bessfaeder) = grootvader
Bestmen {1381 AD} = Besthmen bij Ommen
bestmodor (bessmodor) = grootmoeder
bestowan = bestouwen, schenken
bestreowian = bestrooien
bestridan = bestrijden
bestriepan = beproeven
bestyrian = besturen, veroorzaken
besutian = bevuilen
beswaered = bezwaard; WAoud beswaret
beswaernis = bezwaar; WAoud beswarnisse
beswican = bezwijken
besyc [beseuk] (besoc) = bezoek; WA besook, beseuk
bet {bet, betera, betst} = bn goed
bet (beth) = tot, tot aan; WAoud bet (beth) = tot aan
bet =A bedd
betaecan = begaan, toevertrouwen
betan = ww boeten > bote
bete = biet (# gewas)
bete = vloeistof voor bewerking van leer
betebaw = bietebauw (# kinderspook), bullebak
beteon (betune) = schaars; AH beteun; DR betuun, beteun
betera = beter; TW better; ME better >A bet
beteran = beteren, verhelpen; TW betteren
beth =A bet (vz)
bethearf = behoefte, noodzaak; ON bederf, bedurf
bethearfan = behoeven, nodig hebben; ON bedervan, bedurven
bethian = koesteren, betijen; AH betiejn = betijen
betonica = plant met purperen bloemen
betst (best) = best; KA best >A bet
betta = bw beet; AH bette
bette =A bet
betunan = omheinen; ON betunen
betune (beteon) = schaars; DR betuun, beteun
betuning = omheining
betweon =A betwix
betwix (betwixen, twixen, betweon, atwix) = LT tussen twee = tussen; KA betwix; AH tusken; GD atwix; ME between
betwixen (twixen) =A betwix
betwixt =A betwix
betwixt thaem = ondertussen
beuce (bece, bucc) = beuk (# boom); KA bucc; TW boek; WA buk, boek; ME beech
bever (beofor, ber, bar) = bever; KA bever
Beverburne In 904 door bisschop Werefrith beleend met Beverburn, een gehucht aan rivier de Severn nabij Worcester. Bron BHO schrijft: Land at BARBOURNE (Beferburna, x cent.; Beverburne, Berborne, xiv cent.) was granted by Werefrith, Bishop of Worcester, in 904 to Ethelred II ealdorman of Mercia and his wife Æthelflæd. (fn. 64). De naam Beverburne is afgeleid van Anglisch bever, beofor (bever) + burna (stroom, beek)
Beverey = Bevereiland; eiland in rivier de Severn noord van Worcester; > ey
beverhuntere = beverjager
beverwan = (rood) verven; ON beverwen. NB rood is de kleur van bevervel
bewaefan = omwinden, omwikkelen
bewaessan = begroeid; WAoud bewassen
bewerian = verweren, verdedigen
bewitan = bewaken, toezien
bhu =A bu
bi (by) = bij, door; KA by; ON bi, by; GR+DR+AH bie; TW bi; GS bi; VWoud by; EZ bi; ME by
bi daele = ten dele, enigszins
bi- = be-
-bi (-by, -bu) = -burg (burcht)
bibel = bijbel; WA biebel
bicc = steen, blok; ON bick
biccan = bikken, afbikken, uithouwen, eten
biccaran = kibbelen, ruziŽn, kletteren (regen), kabbelen (beek)
bicce (teaw) = teef, vrouwtjeshond; ME bich
bicce = bikhamer, steenhamer; ON bicke
biccere (stanman) = steenhouwer; ON bickelaer
bicoman = bijkomen, bekomen, gebeuren, worden; ON bicomen
bictan = biechten
bid = bod, verzoek
bidaele = ten dele, enigermate, enigszins
bidan = beiden, wachten, afwachten, verbeiden; ON beiden; GD bid; ME bide
bidbrot = bedelaar; WAoud bidbrot
biddan {bidt, bad, bedan} = bidden, vragen
biddere = bedelaar; DR bidder
bidere = bieder, aanbieder; ME bidder
bidian (beodan) = ww bieden
biding = uitspanning = plaats waar paarden uitgespannen worden en verwisseld met uitgeruste paarden
bidoon = dekken, bevruchten (van dieren); AH biedoon, biewaenn
bieg = buiging, bocht
biegan (beagan, bugan) = ww buigen
bieldu = verbeelding, arrogantie
bieme = trompet
bien = been (lichaamsdeel); ON bien
bierce = berk
biergan = bergen, eten, proeven
biernan = ww branden
bifang = afgepaald stuk grond; ON bijvangh, bijvanck; WA bijvank
bifot (aelest) = bijvoet; # StJanskruid; ON bivot
big > bigge
bigang (bigeng) = begaan, aanbidding
bigangan = begaan zijn met, aanbidden
bigeng =A bigang
bigenga = bewoner, inwoner, houder
bigge (pigge, pegge, pogge) = big, varken; OE pigge; ME pig
bigge (pigge, pogge) = groot; ME big
bihalve = behalve
bihavan = gedragen; ME behave
bihave = gedrag
biker [bieker] = beker; ME beaker
bil (bille, beal) = nieuw aangewassen land; ON bille, biel; KA bil
bilaex = strijdbijl; WA bielaxe
Bilas = Bijlen in Drent
Bilas = Anglische stam in Mercia > PgAng/Bilas
bile = bijl; DR+TW+AH bil, biele
bilewit = onschuldig
bilhoc = bijlhaak, meshaak, snoeimes, kapmes
bill = bijl; ME bill, axe
bille =A bil, beal
bille =A bulle
bille = rekening
billoug (waefe, wafe) = golf
bilman (hangman) = LT bijlman = beul
bimese = koolmees (# vogel); AH biejmeze
bin {AVA ww sin = zijn} = wv ben; TW bin; GD bin
Ic bin = ik ben
bin = touw om lading vast te binden; WA bin
bin = pot, bak, afvalbak, ruimte in graansilo
bin {= be+in} (binnan) = vz binnen
bindan {bindt, bund, bunden} (bunden, bundon) = ww binden; ME to bind
bindere = binder, hooibinder = iemand die hooi bindt
binfeld = binnenveld, ingesloten veld
binn (benn) = mand, korf, bak, afvalbak; WA benne
binnan (bin, binne) = vz binnen; KA binnan; WAoud bynnen; VW binne; SH binnen
binnandic = binnendijk; WAoud bynnendyck
binnandic = bn binnendijks, landinwaarts; WAoud bynnendyckes
binne (bene) = vz binnen; VW bene, binne
bipaedh = zijpad
birman = bedelaar; WA birreman
birmodig = armoedig, meewarig, meelijwekkend; WA birremodig
birra = vraag, verzoek; WA birre
birrian = bedelen, vragen, verzoeken
birsac = bedelzak; WA birrezak
birwif = bedelvrouw; WA birrewief
bisan = wild rondlopen, zwerven; ON bisen; WAoud bissen = driftig rondlopen
biscop = bisschop; ON biscop, bisscop; WA biskop; OE biscop
bise (bease) = beetje; ON biese
bisgian = ww bezigen, bezig zijn
bisig (bissig) = bezig; WA bissig; ME busy
bisignis = bezigheid
bisittar = bijzitter; WAoud bysitter
bisleac (astleac) = bieslook (# kruid)
bismer = schande, belediging
bismeran = besmeuren
bismerful = schandelijk
bismerian =A bismeran
biss = dunne wortel van een knolraap; WA bisse
biss = onrust; WA bisse
bissan = bissen = koeien die met staart omhoog door de wei rennen; WA bizn
bissig =A bisig
bissige = het bissen van koeien
bissing = kermis; WA bissinge
NB Ommer Bissinge = Ommer Kermis
bist {AVA sinan = zijn} = is
bit = gebit; NV bit
bita = beet, beetje; WA bitje; ME bit
bitan = bijten, snijden; WA bieten; ME bite
bite = snack voor op werk; GD bait
bite = bit (van paard); ME bit
bitel = bijtel; WA bitel
biter (bitter) = bn bitter
biternis = bitterheid
bith {AVA sinan = ww zijn} = is
bitide = bijtijds; WA bitide; AH bitieds
bitter (biter) = bitter; KA bitter
bittercrod (bitteric, bitterweod) = bitterkruid (# kruid); WA bitteriek
bitteric =A bittercrod
bitterweod =A bittercrod
bitula = kever
biwacan = bewaken, bivakkeren
biwace = bewaking, bivak, legerplaats
biwaeg = zijweg
biwesen = gezelschap; actualiteit; ON biwesen
blaa (blawan) = blazen; GD blaa
blabbaran = gezellig kletsen; GD blabb
blabla = blalbla, kul, kletskoek
blac = effen, vlak; ON blac
blac (blace, blaec) = bleek, bleekveld; KA blace; OE blake; ME black (zwart) is afgeleid van Anglisch blac.
NB ME bleach = bleek, bleekveld, bleken
blac = blak (# vis)
blac (blace, bleac) = bleek, bleekveld; KA blace
blac (blace, bleac) = bleek, schoon, effen; WA blak
blac (blaec, sweart) = zwart, donker; ME black
blac dead (peste) = zwarte dood = pest
blacan = blakeren, branden, in brand steken, schitteren, gloeien; ON blaken
blacan = waaien, wapperen; ON blaken
blacan (bleacan) = ww bleken, wassen, schonen, effenen
blace (bleace) = bleek, bleekveld, droogveld, vlak veld; KA blace; WA blake; WAoud blaece
blacere >A blaecere
blacere (bleacere) = bleker, wasser
blacery (bleacery) = blekerij, wasserij
blacfeld (bleace, blick) = bleekveld = veld waar bleekgoed gebleekt en gedroogd wordt; ON blece, blick
blacgudh (bleacgudh) = bleekgoed = goed (kleding e.d.) dat gebleekt wordt
blacloc =A blacpol
blacman = bleker = iemand die bleekt (vakman)
blacpol (blacloc) = waterpoel waar wasgoed wordt gebleekt en gedroogd; WA blekkenpol; > PgAng/Blekenpol
blaece (bleace) = bleek, bleekveld, droogveld, vlak veld; KA blace; WA blake; WAoud blaece
blacsmidh (smidh) = ijzersmid, smid
blacwerc (bleacwerc) = bleekwerk
bladdaran = roddelen, onzin praten; TW bladderen; GD blather = onzin praten
bladdarscit = kletskous; GD blather skite
blaec = vlam, licht, gloed >A blaexem
blaec (blac, sweart) = bn zwart, donker
blaecan = blaken, gloeien, vlammen, branden, lichten, schitteren
blaecaran = blakeren = schroeien, afbranden
blaecere = hanglamp; vuurpan = pan waarin vuur brandt; ON blaker
blaed (leaf) = blad (# plant, boom)
blaed = blad (van mes, zwaard, etc)
blaedre = blaas (# lichaam)
blaem = blaam, schande; ON blaem
blaeman = blamen, verwijten, beschuldigen
blaemte =A blaem; ON blaemte
blaenc (blanc, blenc) = blank, bleek, helder, licht, wit, overstroomd door water; KA blanc; ON blanc; NF blanken
NB Blankeveen in Grollo/Drente is een veen vol veenpluis: een moerasplant met witte pluisbloemen. NB Blankeney in Norfolk/Engeland.
blaenc (blanc) = gebied dat blank staat, overstroomd gebied; ON blanc
blaenc = zilveren munt; ON blanke
blaencfeld = blankeveld = veld met lichte kleur
blaer = blaar, witte vlek; GD bleb
blaer = kaal
blaeran (blearan) = blŤren, huilen, roepen, loeien; AH blaern; GD blair
blaesan (bleasan, blesan, blawan) = ww blazen, hard waaien, ademen; GD blaa
blaesbealcge = blaasbalg
blaese >A blase (windvlaag, etc)
blaesere = blazer
blaespipe (blawpipe) = blaaspijp (o.a. om vuur aan te blazzen
blaest = harde windvlaag, rukwind; ME blast
blaester = stuk, splinter, schilver; WA blaster
blaetan = ww blaten (# schapen)
blaexem {AVA blaec = zwart} (blicsem) = bliksem; ON blaexem; WA blixem
blagett = blaag, schreeuwerd
blagettan = ww schreeuwen
blanc >A blaenc
blasan = b;azen, waaien
blase (blaese, blease) = windvlaag; KA blase; ON blase
blase (blaese, blease) = heldere vlam of vuur; KA blase; ME blaze
blaw = bv blauw; ON bla
blawan = blazen, waaien, ademen; WA bloazen; GD blaa; ME blow
blawan = slaan, afranselen; ON blouwen
blawcaece = blaaskaak; WA blaoskake
blawere = blazer; vb hornblawere = hoornblazer
blawfeld = veld bezaaid met blauwe bloemen
blawfot = steenvalk; ON blauwvoet
blawmaen = blauwmaan (# kruid, plant)
blawmaensaed = blauwmaanzaad
blawpipe =A blaespipe
blayan = waaien, wapperen; ON blaeyen
bleac = bleek, schoon, effen; WA blak
bleacan = bleken, wassen, schonen, effenen
bleace = bleek, bleekveld, droogveld, vlak veld; WA blake; WAoud blaece
bleacere = bleker, wasser
bleacery = blekerij, wasserij
bleacfeld (bleace, blick) = bleekveld; ON blece, blick
bleacwerc = bleekwerk
bleade = mes, speerpunt
bleanc =A blenc
bleancan =A blencan
blearan (blaeran) = ww bleren, zeurend huilen; GD blair
bleasan =A blesan
blease =A blese
bleat = bloot, arm, ellendig
bleatan = ontbloten
bleb >A blaer
bleccan = hoesten, scheiden, blaffen; AH blekn
bledsa (blessa) = zegen; KA blessa; ON blesse; ME bless
bledsian (bleodsian, bletsian) = ww zegenen; KA bledsian; ME bless
bledsing = zegen
bleg = buil, puist
blegen = builen, puisten
blenc = bedrog
blenc (blanc, blaenc, blanc) = bn blank, bleek, helder, licht, wit, overstroomd door water; ON blanc
NB Huis Blenkvoort, Veenweg te Lochem, waar ook de Blankevoort is. > PgAng/Blankvoort
blenc = bedrieglijk
blencan = bedriegen; WA blenken
blendan = mengen, vermengen, mixen
blende = mengsel, mix
bleo = kleur; EZ farwe
bleodsian =A bledsian
bleom =A blom (bloem)
bleoman =A bloman (bloeien)
bleomere =A blomere (bloemist)
bleom- >A blom-
bleow = blaas, geblaas
bleowan (blawan) = blazen; TW bloazn; NV blowen; ME blow
bles = bleek; TW bles
bles = wit, bleek, kaal; NB ZA bleskop = kaalkop
bles = zandvlakte*; NB Van der Bles (familienaam)
bles = witte vlek op hoofd paard
blesan (bleasan, blaesan) = ww hard waaien
blese (blease, blaese) = windvlaag; ON blese
Blesewic = Bleiswijk in Zuid-Holland
blessa (bledsa) = zegen; KA blessa; ON blesse; ME bless
blessan = zegenen; ME to bless
bletsian =A bledsian
bletsing = zegening
blic = blik, uitzicht, lichtstraal
blic = hoogte in nat gebied; VW blik
blic = aangespoeld land, opwas in laag gebied; VW blik
blican = ww schitteren, zichtbaar worden, blijken; ON bliken; WA blieken
blican = ww blijken; WA blieken
blick (bleace) = bleekveld; ON blick, blece
blicsem (blaexem) = bliksem; ON bleksem, blaexem; WA blixem
blidhe = blij, vrolijk, vriendelijk; ON blide, blijde; WA blide
blidhhed = blijheid
blidhnis = blijdheid
blidhscip = blijdschap; WA bliescap
blincan = blinken, schitteren; WA blenken
blind = blind; ME blind
blindnis = blindheid
blinse = steekvlieg; AH blinze
bliss = blijdschap
blissian = verblijden, blij zijn
blithe = blij, vrolijk; ON blide; WA bli; WAoud bliede
blo (bloda) = blode = angstig, bedeesd; TW blode
blober = blubber; MD blubber = schreeuwen
bloc = blok, kist, veld of akker met sloot of hek omheen; ON bloc, block; ME block
bloc = stuk hout, boomstam
blocbeorg = blokberg = schavot
bloccan = blokken, hard werken, verminken; ON blocken
bloce = flinke jongen, kerel; ME bloke
blochus = blokhuis, bolwerk, fort, omwalde vesting; ON blochuus
blochus = gevangenis; ON blockhuus
blochut = blokhut = hut gebouwd van boomstammen
blocraed = blokraad = vergadering van een blok
blocslot = groot hangslot; ON blocslot
blod [bloed] = bloed; WA blood; YK [bloed]; ME blood
bloda (blo) = blode = bang, angstig, bedeesd; TW blode
blodan = ww bloeden; WA blooden
blodbrothor = bloedbroeder, kameraad
blodcoce = bloedrood; AH bloodkoke
blodgield = bloedgeld = geld voor misdaad, karig loon voor hard werken
blodig = bloedig
blodinge = bloeding
blodgian = bloedig maken
blodscead = zn bloedvergieten
blodseofa = bloedvloeien, dyaree; ON bloetsucht
blodta = bloedoffer > PgAng/Offers
blodwreke = bloedwraak; WA bloodwrake
blondran = blunderen
blondre = blunder
blom (bleom, bloom) = bloem (# vegetatie); KA bloom; ON blom; WA blom, bloom
NB Bloomsweg in Tubbergen
blom = bloem = meel; ON+WA blom
bloman (bleoman) = ww bloemen, bloeien
blomcole = bloemkool (# groente)
blomere (bleomere) = bloemist
blomfeld = bloemenveld
blommaerct = bloemenmarkt
blompott = bloempot
blomthun = bloementuin
blomtune = bloementuin
blonc = stomp
bloncan = ww stompen
blont = bn bot, stomp, troebel, rossig
blontan = blunderen
bloom >A blom (bloem)
blosma (blostm) = bloesem; WA blossem, blosem
blostm =A blosma
blowan = bloeien; WA blooien
blyde = blijde = steenwerper (# wapens)
blysa = fakkel, toorts
blysian = blozen, rood zijn, gloeien
blyster = stormachtig; AH bluustereg
board (bord) = wal, kant, zoom, kraag, oever, strand; KA board; NV boord
board (bord) = legakker = akker waar gesneden riet gebundeld wordt gestapeld en gedroogd; KA board; AH boord
Boarn = Borne/Twente; WA Boarn
boas (baes) = baas; KA boas; ON baes; TW baos; DR baos; ME boss
boas = bv boos; WA boas
boasland = slecht (waardeloos) land; WA boesland
boasnis = boosheid
boc (beuce, bece, boece, bucc) = beuk (# boom); KA bucc; WA buk, boek; ME beech
boc (bok) = boek; DR book; TW book, beuk; AH book, beuk; GD beuk, [bouk]; GD/South [bewk]; ME book
bocan = ww beuken, slaan; ON boken
bocc (bock) = bok (mnl geit of hert); ON bock
bocc = praam/platbodem; GR bok; VD bok
O.a. gebruikt als turfboot of veerboot
boccel = bokel (# slagwapen), bukkel (# gesp)
boccepere = boekhouder
boccest = boekenkast
boce = laurier; ON boke
Bocel = Boekelo; WA Boekel
bocian = ww boeken, inschrijven
bock =A bocc
bocland (leanland) = boekland = leenland genoteerd in een leenboek
bocrean = bokraan = stof geweven van geitehaar; ON bocraen
bod (bot, beriht) = bericht; KA beriht; ON bode; WA bod
bod don = bericht geven, berichten; TW bod done; AH bod doon
boda = bode
bodan (berihtan) = berichten, mededelen; KA beriht
bodda (borne) = vluchtheuvel, burcht; VW bodde
bodel (bole) = boedel, inboedel, vermogen, erfgoed
bodel (bydel, bilman, hangman) = beul; ON bodel
bodelan = mishandelen; ON bodelen
bodelar = handelaar in boedels
Bodelar {1300 AD} = Baalder bij Hardenberg/Salland > PgAng/Baalder
bodian = aankondigen, preken
bodig = lichaam; ME body
boece (beuce, bece, bucc) = beuk (# boom); KA bucc; WA buk, boek; ME beech
Boedekinc = Beukinck > PgAng/Beukinck
bofery = boerderij, koestal; ON boverie
boffit = buffet, aanrecht; ON bovet, boffit
bog = schouder, arm
bog = moeras, veen; ME bog
bog = bocht (slecht spul), turf, veen
bog = boeg (# schip)
boga (boge, bow, earc) = boog, boog (# wapen), bocht, regenboog; ME bow
bogan (bugan) = buigen; WA boegen
bogart = opschepper; WA boegerd
boge (boga, earc) = zn boog
bogga = moeras, drasland, veenland; ON bogge
boggart = bagger, modder, turf; ON boggert
boggelere = baggelaar = veenwerker; ON boggelaer
boggelere = baggelaar = platte, zware zwarte (= donkere) turf
NB Boggelaar = buurt in buitengebied Warnsveld.
bogger = ES wildplasser
boggig = drassig, nattig, veenachtig; ME boggy
boggle = bochel, geest, spook; GD boggle
boghus = wc; EF pouphus; ON kakhoes
bogian = ww bogen, zich beroemen
bogland (fenland) = veenland
bogman = veenwerker
boi =A boy
bok (boc, bec, buk) = boek; KA bok; WA book; ME book
bol = bol, rond, gebogen, glooiend; WA bol >A bolwarc
bol = los, zacht, slap
bol = bol, boog, glooiing
bol = eind, stuk; TW bol
bolacre = bolakker = uit het midden glooiende akker
boland (bowland) = bouwland
bolc (bollic) = bolk (# wijting, kabeljauw); > PgAng/bolc
bolcrod (bifot) = bollekruid = StJanskruid
bold = bouwwerk, huis, woning; GD bowld
bold (beald, bald, buld) = bn boud, moedig, dapper, sterk, flink; ON bolt; WA bolt, boolt; GD bowld; ME bold
bold = spoedig, bijna; WA boal, bolle; WAoud bolde
boldan (buldan) = ww bouwen
boldar = bolder = kei
boldar = bolder = meerpaal (# scheepvaart)
boldar = bolder = bedijkte kop bij rivier
boldaran = bolderen, lawaai maken; AH boldern
boldarboxe = druk persoon; AH bolderbokse
boldarig = onrustig, stormachtig; AH boldereg
boldarston = bolder, boldersteen = door water rond geworden grote steen
boldnis = dapperheid, stoerheid
boldr = held > PgAng/Bolder Holten
bole = boel, inboedel, rommel; ON boele; TW bool
bole = huis en hof; ON boele
boledaeg = boeldag = veiling
bolehus = boelhuis = veiling
bolhus (rondhus)= rond huis; TW bolhus
boll (bulle, bule) = stier; KA bulle; TW bol, bolle, bulle; AH bolle; VW bolle; ME bull
NB Bullenweg in Enter/Twente
bolla = nap, beker, kom; GD bool; ME bowl
bolland (bulland) = stierenwei; WA bolland
bollard (bullart) = stierenwei; WA bollard, bollert
bollic =A bolc
bolmilc = kroontjeskruid (# kruid)
bolt = bout; ON bolte; AH bolt
bolt = groot, stevig; WA boolt
bolwaeg (rondwaeg) = rondweg
bolwarc {AVA bol=rond + warc=werk, bouwsel} = bolwerk, vesting
bonc = bonk, beuk, slag, stoot
bonc = sex; MD bonk
bonc (dearre, dearg) = bonk, modder, moeras; DR bonk; >A ponc
boncan (bongan, poncan) = ww bonken = hard beuken, slaan, stampen
boncan = veenderij: bonk verwerken
boncan = neuken
bonda (bunda) = bond, band
bong = trommel; ON bonge
bongaerd = bongerd, boomgaard; VW bongeart, bongert
bongan (boncan) = ww bonken, trommelen
bongwaeg = bonkweg, hobbelweg; WA boongweg, boonkweg, beunkweg
NB Beunkweg/Vorden, Boonkweg/Hengevelde/Tw, Boonkweg/Saasveld
bonian = ww boenen
bonn = ban
bonnan = bannen, verbannen
boo (bow, bu) = bouwsel, hut, stal; DR boo
NB In Nieuw-Schonebeek (ZO.Drente) staat nog een oude boo.
booc >A buc (beuk)
book (boc, bok) = boek; DR book; TW+AH book, beuk; KA book; GD beuk, [bouk]; GD/South [bewk]; ME book
bool = broeder, kameraad, bondgenoot; TW boal
bool = bol, kring, verbond
boowis = natte weide bij een stal; AH bowisse
booza = zuiptent, bar; GD booza
boozan = boezen, zuipen; WA boezen; GD booze
boozan = schreeuwen, brullen, bulderen, gieren, razen; TW boezen
boozan = moeizaam grazen of spitten; AH boozn
boozan = hard waaien; DR boezen
booze (bouze) = drank, jenever; TW/WA boeze; NH [boos, boes]
booze up = opzuipen
bor = boor
borc (burg, burh, borough) = borg, burcht, stad > burg, PgAng/Westerbork
Borcel = Borkel = Borculo > PgAng/Borkulo
borchit = borghit = versterkte boerderij
bord (brid, bryd, fugol) = vogel; KA bord; GD bord; ML burung; ME bird
bord (bort) = rand, boord (scheepsboord), plank
bord >A board (legakker)
borgan (borgian) = ww bergen, borgen (borg staan), veilig stellen
borgan (borgian) = ww plechtig beloven, in onderpand geven, belenen
borgar = burger, borger, poorter
borgian =A borgan
Borglo {960nC} (Bergel, Berchloe) = buurtschap Borglo/Voorst, vermeld 960nC (# oorkonde 28.8.960nC)
borgmaester = burgemeester
borgweard = stadswacht
borian = ww boren
born = geboren; ON born > wellborn
born = grote beek of rivier; GD born; CW bron
borne (borra) = bron, fontein, put; ON borne; VW borne
borne (bodda) = vluchtheuvel, burcht; WA borne; ME bourne
borough (casselry) = borgambt (# canton) > burg, PgAng/Landinrichting
borra =A burra
bors (burs) = beurs, geldbuidel; ON borse
bort (bord, bert, bart) = plank; >A bert
bortmyl = houtzaagmolen; WA bordmool
bos (boys, bus) = bos; KA bus; WA bus, bundel, struikgewas; AH boes; SC/N bois; ME bush
bosan = bulderen, gieren, razen; WA boezen >A bouzan
boscol = boeskool; AH boeskool = witte kool
bosman = bosmens, bosbewoner
boshus (wudhus) = boshuis
bosig = boes, ruif, koestal
bosm = boezem
bosmfreond = boezemvriend
bosse = schoorsteenmantel, schouw; WA bossum
bosselt = bossig terein; VW basselt
bossig (bussig) = bossig, bosachtig, bebost
bot = bot (# vis)
bot (bat, bote) = boot
bot (bote) = boete
bot (bod) = mededeling, bevel
bot (buta, butan) = maar; KA bot; SW+WA mar; AS+ES [bot]; ME but; >A buta
botan (betan) = boeten, vergoeden
bote (bot, bat) = boot; KA bote; WA bote; ME boat
bote = boete, vergoeding > betan
bote (byte, stewel) = schoen, laars (# schoeisel); ON bote; GD byeut; ME boot
bothus = boothuis, woonboot
botm = bodem, kont; ME bottom
botman (batswegen) = bootsman = zeeman belast met zeiltuig; ME bosun
botte = draagmand
botton = knoop, knop; ON bottoen; LN [botton]
boule = bol, kom
boule = bn bol
boulwarc = bolwerk
bouar =A bour
bour (bur, buer, ceorl) = boer, buur, buurt; TWoud buer, buyr > gebur
NB hoeve Bourdam in Nijbroek. Naam dateert van vůůr 1648. Nadien: Boerdam. De hoeve lag in Anglisch gebied langs de IJssel.
bourcarre = boerenkar = houten kar getrokken door koe, os of paard
bourdery (na 1800nC) = boerderij; WA boerderie
bouery = (tot 1800nC) = boerderij; ON boererij; WA boerderie
bouran = ww boeren, beuren, ontvangen, innen; WAoud boiren
bourbreaf (burbreaf) = boerbrief = brief van een boerraad aan de leden
bourearf = boerenerf, boerderij; ON boerenerf = boerderij
bourhave (bourhowe) = boerenhof, boerderij; WA boernhaowe
bourhus (burhus) = boerderij; SL boerhoes
bourhorn (burhorn) = oproepen van boeren van een buurschap met een hoorn
bourhowe =A bourhave
bourhus = boerenhuis, boerderij
bourmmaerck = boermark(e); WAoud buermarcke
bourn = stroom, beek, rivier; GD bourn, burn
Bourna = Boorn = rivier in N.Drente-ZO.Friesland mondend in de tml Middelzee
bourne =A bourn
bourraed = boerraad = bestuur van een boermark
bourredgar (bourrihter) = boerrichter; GR bourredger
bourrihter (bourredgar) = boerrichter = bestuurder van een marke
bourscip (burscip, byrtscip) = buurtschap; ON bourschap; WA buurskap; WAoud buerscap, buyrscap
boursal (bourstocc) = boerstok; WA boerzele
bourstocc (boursal) = boerstok = stok met berichten in code, bezorgd door een bode
bourugt = opbrengst; WAoud beurucht
bourugtan = opbrengen
bourweard = buurtwacht
bourwyrmcrod = boerenwormkruid; NB Angl. wyrmcrod
bouse (buise) = dronken, bezopen
bouse (buse, buise) = buis, buisje, lang smal glas, pijpje; ON buse; WA boeze
bouta = boete = bundel vlas
bouzan (boozan) = zuipen, brullen, gieren, blazen; ON busen; WAoud boezen >A bosan
bouze (booze) = drank, jenever; WA boeze; NH [boos, boes]; ME booze
bouzy = dronken; ON bouse
bow = bouw, gebouw, landbouw
bow {mv bows} (boo, bu) = herdershut; WA boo (mv booes)
NB In Nieuw-Schonebeek (ZO.Drente) staat nog een oude boo.
bowan (buan) = ww bouwen, wonen, verbouwen, landbouwen, ploegen; KA bowan; ON buwen; AA buen; WA bouwen
bow (boga, boge, earc) = boog (# wapen); ME bow
bowand = bouwer, bewoner
bowcunst = bouwkunst, bouwkunde
bowere = herder, veehoeder; ON bovere
bowery = boerderij, koestal; ON boverie; TW bouwerie
bowhere = bouwheer = opdrachtgever voor de bouw van iets
bowhus = boerderij
bowing = exploitatie van land
bowinge = bouwgrond, bouwsel; VW bouwinge
bowland (boland) = bouwland
NB Bowland bij Bentham in Cumbria, UK.
bowmaester = bouwmeester, architect
bowmakere = boogmaker (# wapens)
bowman = landman, landbouwer
bowman (earcere) = boogschutter
bowre = bouwsel, hut, huisje
bowwarc = bouwwerk
box (bux) = box, doos
box (bux) = bok; ON bux
box =A boxe
boxe (buxe) = broek (# kleding); ON bokse; TW+AH bokse, buxe
boxe (brec) = breuk, nieuw ontgonnen land; WAoud breck
boxe = griend, strook grond met wilgen langs water; ON box
boxeream = broekriem; AH bokseband
boy = bui; TW boj
boy = boos, ontstemd, wild, slecht; ON boy, booy = boos, ontstemd, geŽrgerd
boy (boi, boye) = jongen, jongeman, boef; KA boy; GR boi; TW boaj; PD bube; EA boye; AU bopup; ME boy
boya = boei = woest gebied, drasland; ON booy; LB boye
NB Boyle: dorp in ZO Friesland. > PgAng/Boyle
NB Boyeweg in Noorbeek, Limburg. De weg leidt naar drassige hooilanden (beemden) met poelen en moerasbos.
boyan = ontstemmen, ergeren; ON boyan
ON het hevet me boy = het heeft me ontstemd, geŽrgerd
boyar = boeier (# plezierboot); ON boeyer
boye >A boy, boya
boyfenc = jongensgek; WA boajveenke
boyman = wildeman, woesteling, driftkikker; ON booyman
boynis = boosheid, ontstemdheid
boys = bos > PgAng/KVL
bra (brade) = kuit, spier; ON bra, brade
bra (bru, briw) = brouw, brouwsel
brac >A bracce, brace
bracan = breken; NH [breek]; TW+AH brekn; ME brake
bracan = braken, varen
bracan = ww ploegen
bracan = braken = breken van vlas op een brake
bracce = brak (# boot)
bracce (brace, haccle) = soort ijzeren kam om vezels (vlas, hennep, e.d.) te scheiden
brace = varen (# plant); OE braken; ME bracken
brace (bracce) = werktuig om vlas te breken
brace = oud huis, bouwval; WA brake, braoke
brace = akkerland begrensd door houtwal
brace = geploegd land waarop wisselende gewassen worden verbouwd; VW brake
brachut = braakhut = hut waarin vlas wordt gebraakt; TW braakhutt
bracka = brak (# jachthond)
bracla = brakel, gescheurd weiland, breukland
Braclog (801nC) = Bruggelen/Apeldoorn > PgAng/Bruggelen
brad (brea) = breed; KA brad; VW brede, bree; WA broad; GR+DR braid; ME broad
brad = breed meer, plas; EA broad
bradan = verbreden, uitbreiden; ON breden; ME broaden
brade (bra) = kuit, spier; ON bra, brade
bradth = breedte
braec = braak, onontgonnen
braec (brec) = breuk
braec =A braecland
braeca = gebrek, gemis; ON brake
braecacre = braakakker = onbebouwde akker
braecan {braec, braec, gebraecon} (brecan) = ww breken; KA brecan; ME break
braecan = ontginnen, ploegen
braecan = ww woeden; ON braken
braecan in (brecan in) = ww inbreken
braecland = braakland = braak liggend land = niet ontgonnen land
braecmaent = juni; ON braecmaent; GD joon
braed = breed
braedan (braethan) = ww braden; KA braethan; WA broaden
braedknife = soort brede sikkel met extra handgreep; gebruikt o.a. voor maaien van hoog gras, opschot en onkruid
braedspitt = braadspit
braedu = breedte
braegan = ww denken; ON bragen
NB: het hoofd breken = diep nadenken
braegd {AVA bregdan} = trek
braegn = brein, hersens; ON bragen
braem (bremel, brembel, brom, brommel) = braam = braamstruik, bes van braamstruik; KA brembel; TW+DR brommel, brummel
Komt voor in: Van Braam (familienaam), Braambrug (locatie bij Haaksbergen/HAG), Braem (dorp in Cumbria/HAG/NW.Engeland).
braend = brand, vlam
braend = brandstof
braend = veld waar brandstof (i.c. turf) wordt gehaald; VW brand
braend = brand = afgebrand veld gebruikt voor landbouw
braend = bn brandkleurig = roodbruine kleur
braend- = brand-, brandrood-
braendan = branden, verbranden, brandmerken; WA braanden
braendere = brander, destilleerder
braendery = branderij; ON brandery
braendreith = brandrek = rek tegen brand voor haard, kachel, etc; WA brandriet
braendscada = brandschade
braendwer (fyrwer) = brandweer
braent = brandhout, fakkel, zwaard; ON brant; WA braand
braentscattan = ww brandschatten = belasting opleggen onder dreiging met brandstichting
braes = soort koperlegering; ON braes; ME brass
braeth = gebraad, braadsel, braadlucht, brandlucht
braethan (braedan) = ww braden, branden; KA braethan
bragan >A braegan
NB Bragersweg/Twente
braggan = opscheppen, overdrijven
braggere = opschepper
brand = brand, vlam; WA braand
brandan = branden; WA braanden
brandere = brander, destilleerder
brandery = branderij; ON brandery
Brandleg = Brandleg = dorp bij Hestrup/Westfalen. #Kaart RZK/36 (1773)
Brandreada = Brandrode = ouddste koeiensoort van Nederland > PgAng/Koeien
brandnetele (sticnetele) = brandnetel (# onkruid); WA braandnettel
brandwine = brandewijn; ME brandy
brasan = ww braden
brase = gebraden; TW bras; GD brazen = onbeschoft, schaamteloos
brat = vervelend kind; GD brat
brawlan = brullen, brallen
bray = grill; ZA braai
brayan = braden, grillen; ZA braai
brayan = slaan; GD bray
brea (brad) = breed; ON bree
NB Breesegge (straat in Almelo).
breac = bruik, gebruik
breacs (brec, broc, broce) = broek, rijbroek; GD breeks; ME breaches
bread = brood; GD breed; LW duon (mv douonos)
breadacre = broodakker = vruchtbare akker
breadofen = broodoven = oven voor bakken van brood
breaf = brief; ON breef; WA breef
breaf = braaf, dapper, moedig; ME brave
breafnis = braagheid, dapperheid
breagan = woest gedragen; WA breegen
breal = zaak, bedrijf, markt
bream = brem (# struik met gele of witte bloempjes)
breamta = bremte = met brem begroeid veld
brean = brede(n); VW breen
breanacre = brede akker; VW breenakker
breath (aem) = adem, zucht
breathan = ww ademen, zuchten
brec (boxe) = breuk, nieuw ontgonnen land; WAoud breck
brec (broc) = broek (# kleding)
brec (bric, bacsten) = baksteen
brecan (braecan) = ww breken, bestormen, innemen; KA brecan; WA brekken; ME to break
brecan = ontginnen, in cultuur brengen van woest gebied; ON breken
brecan = breken, ontginnen, ploegen; VW breken
brecan in (braecan in) = ww inbreken
brecc = breekijzer
breccan (brecan) = breken; WA brekken
breccing = brekking (# varen)
breccle (bracla) = gescheurd weiland; WAoud breckle
brecclereat = rietveld bij gescheurd weiland
breccles =A laes (weide) bij een brec (pas ontgonnen land)
NB Breckles (Norfolk/GB) en Breukelen (Utrecht)
brecfaest = ontbijt
bred (brod) = bord, plank, kastje; KA bred; AH brŲd; ON bret
bredan (brodan) = ww broeden
bredknife > braedknife
bregdan = nemen, trekken, rukken, vlechten, breien
bregdan = vlechten, breien
bregg = breuk
breggan = breken; WA brekken
brego = vorst, koning
brehwan = schitteren
brem (breme) = berm, rand, zoom
brembel (bremel, braem) = braam = braamstruik, bes van braamstruik; KA brembel; DR brummel
breme =A brem
bremel (brembel, brommel, braem) = braam = braamstruik, bes van braamstruik; KA brembel; DR brummel; ME bremble
bremman = brommen, grommen, loeien
brengan =A bringan
breost = borst; ME breast
breostscyrte = borstrok (# kleding)
breot (bryt) = bruut
breotan (brytan) = breken, bruten, geweld gebruiken
breowan = brouwen; ON bruwen
breowere = brouwer
breowery = brouwerij
breowhus = brouwhuis, brouwerij
Bresil = BraziliŽ
Breten = Brittannia
Bretene (Brettas) = Britten
brethel =A bridel
Bretta = Brit; bn Brits
Brettas (Bretene) = Britten
Brettum = Brittannia
Bretwalda = heerser (koning) van Brittannia (i.c. heel Engeland)
Bretweala = Brittannia
bric (brec, bacsten) = brik = baksteen; ME brick
NB Brikkenweg/Markelo
bric = brik = open 4-wielige paardekar; ME brig
brid (bryd, bord, fugol) = vogel; KA bord; GD bord; ML burung; ME bird
bridel (brigdel) = breidel, teugel, toom, hoofdstel; WA briedel
bridelan (brigdelan) = ww breidelen, intomen, beteugelen
bridfot = vogelpootje (# plaantje)
bridman = vogelman, vogelaar
bridsang (fugolsang) = vogelzang
brigdel =A bridel
brigdelan =A bridelan
briggbow = bruggenbouw
brigge (brycg, till) = brug; ON brucge, brugge; WA brugge
NB Brigge komt nog voor in Engelse plaatsnamen. O.a. in Cumbria (HAG/NW Engeland). O.a. Heabrigg.
brimse = brems, bremze = bromvlieg
brinc =A brink
brine = brijn = pekel
bringan {bring, brohte, brohteth} (brengan) = brengen, voortbrengen; ON bringen
bringan, brogt (SW brocht), bragt
brink = brink = grasveld, plein, dorpsplein; ON brinc; VW brink; WSoud brinck
brink = hoog gelegen grasland
brink = harde grond; VW brink
brink = vergaderplek in dorp > burbrink
brinksittar = brinksitter = iemand die woont aan de rand van een brink
briw (bru) = brouwsel, brij
Brobant = oude naam voor oostelijk deel van de Liemers. Omvat o.a. Azewijn en Ulft.
broc (cunt) = achterste, kont
broc (broce, brec) = broek, kniebroek (# kleding); ON broec; WA brook; WAoud brouck, brocke, broke
broc = broek, drasland, veen, moeras; ON broec, brouck; WA brook, brok; WSoud broick, brouck, brocke, broke; ME brook
Na drooglegging bleef men het gebied broek noemen.
broc = moeras, laag gelegen moerassig weiland; ON broec; AH brook; VW broek
broc = smalle stroom in moerasland, genaamd broek of broekland
brocce = bouwland omheind met houtwal; WA broake
broccole = broccoli (# groente)
broce (broc) = broek, kniebroek; ON broec; WA brook
broche [broach] = broche (# sieraad)
brocland = broekland = laag drasland
brocere = broker = veenwerker, ontginner
Broch {1381 AD} = Brucht bij Hardenberg
brod = bord; AH brod
brod = broedsel
brodan = broeden, tobben
brodar = tobber
brodd = bruut, bot, ruw, lomp; WA brod
broddal = broddel = knoeiwerk
broddal = bordeel
broddan = ww broddelen, knoeien
brodhor =A brothor
brogden =A bregden
brohte {AVA bringan} = bracht; WA brogt
Brokope = Oldeberkoop
brom (besem) = bezem; AH bessem; KA brom; ZA besem; ME besom, broom
broman = bezemen, vegen
brommel =A bremel, braem; WA bremmel
brommelbusk = braamstruik
bronc = bn wild, woest
bronc = wildernis, woestenij > PgAng/Bronc
brond = brand, vuur, brandend stuk hout, zwaard
brosnath = reus
bross = soort els (# bomen); WA bros
brotherred = broederschap; ME brotherhood
brothor = broeder, broer; TW broder, breur; YK [broeder, broether]; TJ brader; AFG: barader
bru (bra, briw) = brouw, brouwsel
brucan = ww gebruiken; ON bruken; WA bruken, broeken; WAoud brucken
bruccan =A brucan
bruce = gebruik; ON bruuk; WA bruke, bruuk, gebroek
Brugae = Brugge (stad in Vlaanderen)
brummel = braam (# vrucht); AH brummel
brun = bn bruin; WA bruun; GD broon; ME brown
brunbread = bruinbrood
bruncol = bruinkool
bruns = bn bronzen, bronskleurig (= groenbruin)
bruns = brons
bruns = heide, heideveld
In winter en voorjaar kleurt heide vaak roestbruin. Vandaar de overeenkomst met brons.
brunsfeld = heideveld
brunst = brand, gloed
brunt = brandhaard, kernmacht van een aanval, centrale kracht in een veldslag, hevigste furie in een strijd; > PgAng/Brunt
bryc = breuk, boete; ON breuc, breuk; WAoud breuc
brycg (bryeg, brigge, till) = brug; ON brucge, brughe, brugge; WA brugge; AH brucce; ME bridge
bryd = bruid, bruidegom; AH broed; WA bruud; ME bride
bryd (brid) = vogel; KA bord; ML burung; ME bird
brydguma = bruidegom; WA browman, brugman, bruggeman
brydhlop = bruidloop = afhalen van de bruid
brydloft = optillen van de bruid door de bruidegom; AH broedlachte = huwlijksvoltrekking; PD brudlechte, brudlichte
brydmaid = bruidsmeid
brydscat = bruidsschat
bryeg =A brycg (brug)
brylfta = bruiloft, huwelijksfeest; WA brulft, brulfte
brysan = briezen, kwetsen, kneuzen, verwonden
bryse = bries, windvlaag; ME breeze
bryse = blessure, kwetsing, kneuzing, wond
bryt (breot) = bruut
brytan (breotan) = bruten, geweld gebruiken, verbrijzelen
brytta = bruteling, opschepper
bryttian = schenken, uitgeven, spenderen
brywan = breeuwen = met hennep en pek dichten van naden tussen scheepsplanken
brywere = breeuwer = iemand die breeuwt
bu (bow) = bouwsel, hut, herdershut; WA boo (mv booes)
NB In Nieuw-Schonebeek (ZO.Drente) staat nog een oude boo.
bu (bhu, boo, by) = bouw, bouwsel, onderkomen, hut, burcht, borg; KA bu; ON bu
-bu (-bi, -by) = -burg (burcht)
buan (bowan) = ww bouwen; AA/SH buen
buc (bealcge) = buik, romp, gewelf, hoogte; KA buc; SL buk; WA buuk, boek; PD bauch = hoogte
buc = bak, (houten) emmer, koker
bucc {mv bux} (beuce, booc) = beuk (# boom); KA bucc; WA buk, boek, book
NB1: Bookweg achter Huis de Haere aan de Yssel loopt langs bos waar veel beuken staan.
NB2: Buckingham = heem (huis) bij de beuken
NB3: Beuceleuch = Buccleuch = ME Buckley [buklie] = de laagte bij de beuken
NB4: Bukhorst: oude familienaam in West Angle.
buccan = ww bukken
buccing = bokking (# haring); WA bukking
buce (buc, bealcge) = buik; KA buc; ON buuc; WA boek
bucefell = buikloop; ON buucevel
bucero = boekero = soort klei voor aardewerk
bucfaest = vaste woonplaats; ON buucvest
bucs (bus) = bus, doos, kistje, buis; WA bukse; ME box
budda = knop, kuip; GR budde, butje
buend =A bowand
buer =A bour
bufan [AVA be + ufan] (ufan) = boven; ON boeven; VW boeven; WA boaven, bowwen; AU booloot; OT* bowa; ME above
bufanup = bovenop; WA bowwenup
bufe = boef
bufery = boeferij = oud gokspel; ON boeverie
buga = reistas; ON boege
bugal = bugel (posthoorn), beugel; WA bugel
bugan (beagan, biegan, bygan) = buigen, neigen, onderwerpen; WA bugen
bugge = insect
buggig (gigge) = buggy, sjees = lichte tweewielige kar getrokken door ťťn of twee paarden
buise >A bouse
buk =A bok
bul =A bule
bulaege = boelage = overspel
bulbas = bullebas, woeste kerel
bulc = bulk = grote hoeveelheid
bulcan (bulgan) = ww bulken, rochelen
buld (bald, beald, bold, byld) = bn moedig, dapper, sterk, flink; ON bolte; WA bolt, boolt; ME bold
buldan (boldan, buan) = ww bouwen
buldarwaegn = bolderwagen, bolderkar = boerenkar zondere vering; oudste koeienkar; ON bulderwagen
bulder (bealder, balder, bolder) = de moedige, dappere, sterke, flinke; WA balder, bolder, bulder, belder
buldere = bouwer, bouwheer
bulding = gebouw, bouwwerk
bule = buil, bult, deuk, zak; ON bule; WA buul
bule (bul, bulle, boll) = bul, stier; KA bulle; WA bule, bulle, bolle, buul; PD boelle; ME bull
bule = buidel, zak; onbeholpen persoon, kwajongen, rakker; AH buul
bulgan (bulcan) = bulken, rochelen
bulge = bult, blaas, blaar, gezwel; ON bulge
bulland (bolland) = stierenwei; WA bolland
bullart (bollard) = stierenwei = wei met jonge stieren; WA bollert
bullcearl (bullman) = boelman; KA bullman; WA boelkeerl
bulle (boll) = stier; KA bulle; WA bulle; ME bull
bulle = forse, sterke man; RY bul
bulle = bul, diploma, oorkonde; WA bulle
bullic = kleine stier; WA bullek; ME bullock = gecastereerde stier
bullman (bullcearl) = boelman = man die langs veeboeren loopt met stier ter dekking; KA bullman; ON boelman; AH boelekeerl
bullnere = stierenmester; RY bullenaar; Enter: bullenaarshoek
bullsced = stierenstal, puinhoop, rotzooi
bullnos = boelneus = beitel met brede kop
bultel = zeef; ON bultel
buman {AVA bu=hut + man} = boeman, hutbewoner, enge man
buman = duivel
bun (ben) zn =A caer
bun = ben (van Ic bun)
buna = podium, toneel; WA bune
bunda =A bonda
bunden =A binden
bundon =A binden
bunsan = ww bonzen, stuiten, opveren
bunse (dunse) = bons, dreun
bunsle = bunzing; DR bunsel
bunt = bn bont
bunt = bont, vacht
bunt = zijn, zijnde, waren, geweest; TW+AH bunt; ME been
bunta = laagte in heideveld; WA bunte
buntceapa = bonthandel
buntceapere = bonthandelaar
buntceapery = bontbedrijf
bunting = bunting (# vogel)
buntwerc = bontwerk
buntwercere = bontwerker
buntwercery = bontwerkerij
buppa {AVA bufan=boven + pa=vader} = grootvader; WA buppe
ML bapa = vader; MG bapa = voorvader
bur (bour) = boer, kinkel, boerekinkel
bur = buur, buurman
bur = vertrek, huis
bura (berth) = buurt, streek; Vgl: NL locaties met -buren = buurt, buurtschap. O.a. Buren (Gld), Pieterburen (Gro), Kloosterburen bij Leens (Gro), Kloosterburen bij Drachten (Frl), Siddeburen (Gro).
NB1 Usumbura is een regio in Noord Kongo. De term bura betekent hier mogelijk hetzelfde als buurt of streek.
NB2 In het Maleis is pura = stad. Singapore is afgeleid van Singapura = stad van de leeuw. Tandjongpura (Sumatra) = stad op de kaap (schiereiland) = kaapstad. Het Maleis (ML) heeft roots in het Arisch (Indo-Germaans) via het Indisch van de Hindu's in India. (> PgAng/Maleis) De IndiŽrs hebben zich circa 500vC verbreid over Malakka en het Indonesich Archipel.
burbreaf (bourbreaf) = buurbrief = brief van een buurtraad aan de leden
burbrink = boerbrink = vergaderplek, buurtgerecht
burc =A burg
Burclo {1151 AD} = Borkulo > PgAng/Borculo
burd = bord
burg (burh, borc, burc, bury, borough) = burg, burcht = versterkte plaats, omwalde nederzetting; later stad; KA burg; DR burk
burggerefa (beorgman) = burggraaf, burchtgraaf, borggraaf, kasteelheer; KA burggerefa
burgeriht = buurgericht = rechtbank van buren (buurtbewoners)
burggeat = kasteelpoort, stadspoort
burghus = borghuis, raadhuis; ON borghuys; TW borghus
burgman (beorgman) =A burggerefa
burgraed = borgraad = regulier overleg tussen borgheer en zijn adjudanten
burgstede = burcht, borg, stad
burgwaeg = borgweg, oprijlaan naar de burcht (borg)
borgwaerd = burggraaf, borgheer
burgwarena =A borgwaerd
burh =A burg
burheafd = buurthoofd
burhus (bourhus) = boerderij; SL boerhoes
buri =A burig; ME bury, burg; EZ buri > burg
OE Lundenburi = ME Londen
EZ Strosburi = NL Straatsburg; EZ Luxeburi = NL Luxenburg
burig (buri, byrig) = burg
NB OE Lundenburig = Londenburg = Londen
burlan = brullen; ME burle
burman = buurman
burn (bourn) = beek, rivier; GD bourn, burn
burna (sorce) = bron, beek; ON borne, bern, borre = bron, fontein, put, bronwater, drinkwater; CW bronn; ME bourne = beek, stroompje
In 904 door bisschop Werefrith beleend met Beverburn, een gehucht aan rivier de Severn nabij Worcester. Bron BHO schrijft: Land at BARBOURNE (Beferburna, x cent.; Beverburne, Berborne, xiv cent.) was granted by Werefrith, Bishop of Worcester, in 904 to Ethelred II ealdorman of Mercia and his wife Æthelflæd. (fn. 64). De naam Beverburne is afgeleid van Angglisch bever, beofre (bever) + burna (stroom, beek)
burough = borgambt; SH burow; ME burrow
burra (borra, burna) = bron, put, water; ON borre; VW borre
NB ML bura = uitspuwen, uitspuiten
burraed = buurtraad
burs (bors) = beurs, geldbuidel; ON burse
burscip = villa, buurschap
burscip (bourscip) = buurschap, buurtschap; AH boerschop
burstan (berstan) = ww barsten; ON bersten; WA bersten; GD borst; ME burst
bury = burcht, borg, boerderij; WA burie, burij >A burg
bus (busk, bos, boys) = bos, bosje; KA bus; WA bus; ME bush
NB Koebushorst/Laren-Markelo
bus = bus, doos, buis, ketel; AH busse
busacre = bosakker
busan = zuipen, onmatig drinken; ON busen, boezen; WA boezen; >A bouse, buse
busan = hard waaien, gieren; AH boezn
busard = buizerd (# roofvogel); WA buzerd
busc = bus, geweer, geschut, kanon
busccrut = buskruit
buscere = bussenmaker
buscery = bussenmakerij
buscmaester = geschutmeester
buscsceotar = busschieter, matroos
buse = buis, korte jas, jekker; WA beus
buse = buis, kanaal; ON buse
busel = boezel = voorschoot, schort (# kleding)
busfyr = bosbrand; ME bushfire
busk (bus) = bosje, bos; KA bus; WA buske, busge; ME bush; > PgAng/Kousmansbuskes
buskase = bossage; WAoud bosschage
buskgast = bosgeest
buskthorn = bosdoorn (# sprinkhaan)
buskweard = boswachter
Busloe = Bussloo/Voorst in Ysselland
busron = boezeroen = kiel met lange mouwen; WA boezerom
bussaga =A buskase
bussel = opgeschoten knaap; AH bŲssel
bussig (bossig) = bossig, bosachtig, bebost
but = bat = stopwoord aan einde van zin of betoog; GD but
buta = ruil, buit; TW bute; WA butenscap
buta (butan, buter) = buiten, afgelegen, zonder, behalve; KA butan; ON buten; WA buten; WAoud buta; SH buten
buta (butan, be-utan) = buiten; KA butan; ME outside
buta (bot) = maar; KA bot; EF [but, bot]; YK bot [bot] = maar; ME but
butafeld (rearfeld) = buitenveld, afgelegen veld
butaland = buitenland; WA butenland
butan = ww ruilen, handelen; WA buten
butan (buta) = buiten, behalve, zonder; ON buten, behalve, zonder; WA buten, boeten
butandic = buitendijk; WA boetendiek
butanof = buitenaf; AH boetenof
NB Ruurlo*: Trekkershut "Boetenof"
Buta-Ee = Buiten-Ee = Engerhave/1250 > PgAng/Engerhave
bute = hut, schuurtje; ON boet; GD but
buter (butan) = buiten, buitendien, behalve, zonder, maar
buteran = ww handelen, handel drijven
buteran = ww buitensluiten, uitsluiten
buteran = ww lappen, poetsen, schoonmaken
buterdic = buitendijk
butere = marskramer, handelaar; TW buter
NB Butersdijk in Heeten (Salland)
butere (buttor) = boter; DR botter
butgan = slachten
butgere = slager; WAoud boetger; ME butcher
buting = buit, ruil; ON butinge; TW buut
butor = roerdomp (# vogel); ON butoor
butt = bot, stomp
buttor = boter; KA buttor; DR+TW botter; ME butter
buttor = boter = rijk, vruchtbaar
buttorfeld = boterveld = vruchtbaar veld
buttorfleoge (scamlum) = vlinder; ON botervlieg
buttormaerct = botermarkt
buttormilc (cyrnmilc) = karnemelk
buttwarc = fysiek zwaar werk; AH buttewark
bux =A buccs {ev bucc} = zn beuken (boomsoort)
buxe >A boxe
buxhorn = bokking = gerookte haring; ON buxhorne
by [bi] (bu) = burg, burcht, borg = safezone
by (bi) = bij, door; KA by; ON bi, by; GR+DR+AH bie; TW bi; GS bi; VWoud by; EZ bi; ME by
-by (-bi, -bu) = -burg (burcht)
bycgan = ww kopen
byde = bode, heraut
bydel = bode, pedel, beul
bydeldom = bemoeizucht
bygan (bugan, beagan) = ww buigen
byhth [bait] = bocht, buiging
byl (beal) = buil, hoogte; TW buul, biel; GD bile; ME boil
byld =A buld
bylt (bealt) = bult, belt, heuvel; NB De Bilt; ME buldge
byltar = bulter, belter = veld met veel bulten
byn = beun, bun = viskaar = mand of bak waarin vis wordt bewaard
byn = beun, bun = zolder of vliering met losse planken
byn = vlechtwerk, visnet, schutting, omheind veld; WA beune
bync = bink, stoere jongen; WA beunk
bync = bn stoer, bot, grof, lomp, woest
bynse (byse, russe) = bies, biezen (veenplant); VW binse, bunze
byran = ww beuren, dragen
byrda = last, gewicht
byrdan = belasten
byrdig = lastig, zwaar
byrga = borg, graf
byrgan (bebyrgan) = ww bergen, begraven
byrgen =A byrgan
byrian = ww beuren
byrig = bn burig, naburig, nabij
byrig (burig, burg) = burg, burcht = safehouse, safezone
byrman = bedelaar; WA birman
byrnan (baernan) = branden, verbranden; KA byrnan; ON barnen; ME to burn
byrran = vragen, bedelen, bidden; WA birran
byrst = borstel
byrstan = ww borstelen
byrthan = ww beuren, dragen
byrthe = geboorte
byrthe = last; ON burde, borde
byrthmerce = moedervlek
byrtscip = buurtschap; WAoud beurtscap
bys = tot
bysan = model, voorbeeld
byse = beetje, stukje, voorbeeld; ON beuze, biese
byse (bynse, russe) = bies, biezen (veenplant)
bysegrund = drasland met bies (biezen); WAoud buissgrund
bysen =A bysan
bysher (byshere) = tot hier (toe)
byshere =A bysher; WAoud bushero
bysnian = voorbeeld geven of stellen
bysning = voorbeeld
bysnung =A bysning
byst (beast, beost) = biest, ruw, slecht; WA biest
bystar (beastar, beostar) = bn biester
bystarwind = biesterwind = harde, buierige stormwind
bystrig = biesterig
byte [beute] (bote, stewel) = schoen, laars (# schoeisel); ON bote; GD byeut; ME boot
byth [bait] = bocht
byth [buth] = buit
 
c::
c [k, g, tj]
c- ze k-
cablaw = kabeljauw; ON cabelau
cabot = kabot (# vis); ON cabotse
cabuse = kombuis; ON cabuyse
cac = kak, poep
caccan = kakken, poepen
cachus = wc; ON+WA kakhoes; ML kakus
cacton = kakton; AH kaktonne
cacwaeg = kakweg = weg waar gekakt wordt
cadril = kadril (# fluitekruid)
caec = kaak, kinnebak, wang; ON cake; TW koake
caec = schandpaal; ON caec, cake
caed (cay) = kade, dijk
caedic (treagle) = kadijk, tragel, jaagpad, trekpad, zomerkade; SL kadik
caedman = kademan, kadewerker = lader en losser van schepen
caedwalla = kadewal, kademuur
caedweal =A caedwalla
caefener = kavener, kavenier, kovenier = bewoner van een kate (=A caete)
caeg = keg, pin, wig
caeg = sleutel; ON keg = kleine kegel; ME key
caeg = puntbrood
caem = kam, scherpe rand, bergkam, hoogte, heuvel; AH keem = kam
caemere = kamer, gewelf; versterkt huis, hoeve of landhuis; borg, burgt, vesting; TW kemer = kamer
De term caemere is al sinds de Romeinse Tijd (12vC-400nC) in gebruik bij de Germanen. Kennelijk is ze overgenomen uit het Latijn camera = gewelf, woning.
caemere = penningmeester; ON cameraar
caemergudh = landgoed
caemeric =A caemere
caemerman = kamerheer, kamerdienaar
caemp = kamp = hoog gelegen veld, akker, bouw- of weiland; ook: omheind cultuurland; ON camp; WA kamp, kaamp; mv kempe; kempeken = kleine kamp
Het Anglisch woord caemp lijkt overgenomen van het Latijn campus door de contacten van de Angelen met de Romeinen. Dat zal dan ergens rond 100nC kunnen zijn gebeurd.
caemp (tune) = kamp = afgepaald stuk land, akker, veld; TW kaamp, kamp, kampke
caemp = kamp = stuk ontgonnen land
caemp = kamp = stuk land van 2 akker = 4 Ha
caemp = bivak, leger, legerplaats, rustplaats; ON camp
caemp (caempere) = strijder, vechter; ON cemp, kemp
caempan = ww kampen, strijden, vechten; ON campen, cempen
caempere =A caemp
caempfolgere = kampvolger = vrouw die met een leger meetrekt om gewonde soldaten te verzorgen
caempfyr = kampvuur
caemphus = kamphuis = huis bij een kamp (stuk grond); WA kaamphoes
caempian = kamperen
caempside = kampeerplek
caent = kant, rand, hoek; TW kaant; GD cant
caentig = plezierig, levendig; GD canty
caeppan = ww kappen, hakken
caeppar (barbur) = kapper; ON caper
caeppe = kap, pet, muts; ME cap
caer (care) = zorg, etc
caer (corfe, ben) = korf, ben, bun, rugmand; KA corfe; NV kaar; WAoud kaer
caeracre = kaarakker = karige akker = akker die weinig oplevert
caeran = zorgen, zorgen voor, verzorgen; ME care
caerd = koud; GD card
caerd = kaarde = soort vezelkam, wolkam, hekel; ON caerde
caerdan = ww kaarden = ww kammen van vezels, wolkammen, hekelen
caerdbolle = kaardebol (# bloem, plant); ON caerdenbolle
caerdmome = kardemom (welriekend kruid uit India); ON cardamome
caerig = karig
caern =A carn
caert (craet, carre) = kar, wagen, rijtuig; KA carre; ME car, cart
caesar (cesar, casere) = sterke man, leider, keizer
AR Khesar = godfather, sterke man
caete (ceat) =A cait, cate, cathe, cote, cott = keet, kote, kleine hoeve; ON kete
caeter =A caiter, cater, cather, coter, cotter = kater, keuter, keuterboer, kleine boer, niet eigenerfd; WAoud catter, kaeter, katter, koetter, kotter
caeteri = koterie = kote + bijhorend land
caeterstede = katerstede = woonstede van een kater (keuterboer)
caetman (ceatman) = bewoner van een kate, kleine boer; WAoud kaatman
caetsan = ww kaatsen, terugkaatsten, sneren; ON caetsen
caetse = kaatsebal (# spel, sport); ON caetse
caetsballan = kaatseballen (# spel, sport); ON caetseballen
cag = boomstronk
caim (graefhyll) = grafheuvel
caister =A cester
cait =A cott; VW cait, caith
Caitwick = Kootwijk
cal = dam, haag*; ON kal
cald =A ceald
NB Caldey (eiland in Ierse Zee) AVA cald (koud) + ey (eiland).
Calendoren {1381 AD} = Collendoorn bij Hardenberg in NO Overijssel
calends = de eerste van de maand van de Romeinse kalender
cales = caleche = open koets; ON cales
calfel = kalfsvel, perkament; ON calfel
callan = roepen, zeggen, kletsen, mededelen; NV praten, redeneren; WA kallen = babbelen, praten, bazelen; ON callen, kallen = vertellen, mededelen; GD caa; AU kalde = taal; OT* calla; ME call
calle = roep; ME call
calle = kalle, kraai, liefje; ON calle
calle = afvoerpijp; ON calle
calle = tijdens, gedurende
calsid = kassei, kei, straatsteen, straat, verharde weg; ON calside
calsidere (pavere) = stratenmaker; ON calsieder
caltere = dorpsomroeper
calquhoun [kalkhaun] = kalkoen
calsid = kazei = straatsteen; ON calsiede
calu = kaal; ON caluwe; ME callow
caluan = kaal maken, kaal plukken, beroven; ON caluwen
cam (caem, camb, comb, cem) = kam; ON cam; AH kaom; ME comb
cam = kwam > comon
camb =A cam, comb
cambrycg (cembrycg) = kambrug = brug met pijlers; WA kembrug; WAoud cambrigge
camin = comijn (# kruid); ON camin
camell = kamille (# kruid); WA kamelle
cammisol = kamizool = kort jack (# kleding)
can {AVA cunnan} = kan; ME can
cana (cane) = kaan (# rivierboot); KA cana; VW kana
NB Kanaweg in Apeldoorn
candel (caerssticc) = kaarshouder, kandelaar; KA candel; ME candle
candelere = kaarsenmaker; ON candeliere
candelery = kaarsenmakerij; ON candelierie
cane =A cana (# rivierboot)
caneal = kanaal, sloot; ON caneel
canele = kaneel, riet; ON canele
canevas = canvas = sterk weefsel gemaakt van hennepdraad; ON canevas
canne = verstand, kunde
cannig = knap, kundig, verstandig, slim; GD canny
cannig = goed, mooi, knap, aardig; GD canny
canser = kanker, gezwel; ON cancer, canser; ME cancer
cant = kant; VA NL kant
cantan (singan) = ww zingen
cantere (singere) = zanger; ON canter, cantere
Cantwaraburg = Canterbury
Cantware = mensen van Kent
cape = kaap, landtong
cape = cape = schoudermantel; ME cape
capel (cappel) = kapel; KA cappel; ON capelle
capelan = kapelaan
capelery = kapelfonds; ON capellerie
caper = kapper (-tje) = soort peulvrucht, specerij; ON caper; ME caper
capon = kapoen = gesneden haan; ON capoen
cappan (chappan) = ww kappen, hakken; KA chappan; ON cappen; OE chappen; ME chap
cappe (caeppe) = kap, pet, muts; KA cappe; ON cappe; TW kappe; AH kepse; WA kappe; AH kep; ME cap
NB Kappeweg/Raalte, Kappstede/Raalte (huis) kappe = ?
cappel (capel) = kapel; KA cappel; ON cappel, capelle, kapelle; TWoud kappel; ME chapel
NB Kappelhofweg Delden
cappert = soort erwt; TW kappert
NB Kappert fn in Nederland
cappertfeld = veld waar kapperts worden verbouwd
capron = kaproen = soort kap, muts; ON capron, caproen
captane = kapitein; ON captayn, captein
Car = Carolusgulden ingevoerd door Karel V in 1521 = 20 stuivers. Oude naam voor de Nederlnadse gulden. Ze is gebruikt tot de 19e eeuw.
> PgAng/Munten
cara (corfe) = mand, korf; KA corfe; ON care
caran = ww dragen, zorgen
carboncle = karbonkel (felrode robijn), dikke puist; ON carbonkel
care (caer) = zorg; bn zorgzaam, liefdevol; ON care, caer
carcere = kerker, gevangenis; ON carkere
cardweaner = leerbewerker; ON carduwener
carian = zorgen voor, verzorgen
carine = pijn, smart; ON carine
carine = 40 dagen vasten; ON carine
carine = rijtuig, koets; ON carine
carn (caern) = knekel
carnhus = knekelhuis
carosse = karos = koets getrokken door paarden
carpe = karper; ON carpe, carpre, carper
carran = karren, kar duwen, vervoeren; ON carren
carre (caert, craet) = kar, wagen, rijtuig; KA carre; ON carre; TW karre; AH kaore; SL kar; ME car, cart
carrfeald = wagenveld
carrman (furman) = voerman, vervoerder, vrachtrijder; ON carreman, kerman; VW karman
carryge = rijtuig
caru = zorg; bezorgd, zorgzaam, karig; ON care, caer = lief, zorgzaam, teder
casar (caesar, casere) = sterke man, keizer
casere =A casar
cass(cess), = kast, kist; ON cas, casse
cass (cess) = kast, groot huis; NB broeikas; "kast van een huis"
casselry (borough) = kasselrij, borgamt = bestuursregio van burggraaf; # canton
castel = kasteel, burcht; ON castel; ME castle
caster (cester, caister, chester) = ommuurde stad, fort
castnut = kastanje (# boom, vrucht); ON castanie, castange)
castnuttreo = kastanjeboom
cat = bn slecht >A cattan
Komt i.b. voor in locatienamen. NB Katlijk/Frederiksoord*, Kattenbrink/Varseveld, Kattendamweg/Isidorushoeve, Kattendijk/Borculo-Lochem, Kattendijk/Halle/Liemers, Cattepoel/Waterberg/Arnhem, Catteweg/Rijssen, Catvelt/Grollo/Dr (huis)
catcrod = kattekruid (# valeriaan)
cate =A caete, cott
catel = vee; ON catele; ME catle
cateldrivere (cowboye) = veedrijver, cowboy; ME catledriver
catelman = veehouder
cathe =A caete
cattan = katten, afkatten, akelig doen
NB ME to chat = kletsen, babbelen
catte = kat; ON catte, cat
caw = kauw (# kraai); ON kawa; WAoud cau, kou
cawbeorg = kauwenberg = berg waar veel kauwen komen
cawfeld (cawta) = kauwenveld = veld waar veel kauwen komen
cawop = heuvel waar veel kauwen komen
NB Kawop aan de Begijnstraat in centrum Lochem. > PgAng/Lochem
cawta =A cawfeld
cawtar (hrismaesse) = kauter = rosmes = puntmes; ON cauter
cay = kaai, kade; ON caay; WA kaai, kai
-ce (-ge, -ke) = -je, -tje = klein; WA -ke
ceadrin = cederhout; ON cedryn
ceaf = kaf (# koren); ME chaf
ceafal = kaak; bn tandeloos; ON kevel
ceafell = bedevaarplaats; WA keevel
ceafl =A ceafal
ceafor = kever
ceafort = envelop; DR kevort
ceal (cele, ciel, cole) = kil, koel, koud; LC keal
ceal = keel, hals muil, bek, nauwe doorgang; ON keel, kele
ceal = kiel, hemd (# kleding)
ceal (ceol, cul, cwil) = kuil, groeve; KA cul; DR+TW koele; AHoud kel; MC kil; GD keel; ME keel
ceal (ceol) = kuilhout = houtskool; AHoud kel
NB Kelhoutweg in KleinDochteren/Lochem.
ceal (cealdre) = kelder; ON celre; ME cellar
cealan =A celan
cealc = kalk, krijt; ON calc; GD chaak; ME chalk
cealcan = ww kalken, met kalk besmeren, pleisteren
cealcere = witkalker, pleisteraar; ON calcere
cealcofen = kalkoven = oven waarin schelpen worden verbrand om kalk vrij te maken
cealwaerd = keldermeester; ON kelweer
cealan = ww kelen, doden; WA kielen; NV killen; ME kill
ceald (cold, cald) = koud, schraal; KA cold; ON colde; WA kold, koold; MD cawd; ME cold
cealdre (ceal) = kelder
In Eijsden (Limburg) hebben archeologen in 2009 een kelder opgegraven onder een oude mottetoren. De oudste motten dateren van rond 100nC.
cealf = kalf; AH kallef
cealholt = kuilhout = houtskool
NB Hoeve Kelhout in KleinDochteren/Lochem.
cealu = kaal; ON calu
ceaman = stoken, verbranden
ceame = oven, stookplaats, schouw
ceamel = kameel; ON kemel
ceamere (stocere) = stoker (# beroep)
ceamery (stocery) = stokerij
ceamme = kemme = kamer met open haard; ON kemme, kemenade
ceamme = hofstede, woning; ON kemme, kemenade
NB Kemweg in Schuinesloot/Slagharen.
NB Huis Kemenade te Keppel/Achterhoek.
ceap (ciep, cop, cope, coup) = ruilhandel, koop, vee; ON cope, coop
ceap (cep) = goedkoop, koopje; ME cheap
-ceap (ciep, cop, cope, coup) = -koop, -kope = gekocht land; ON -coep, -cope, -coop
ceapa (ciepa) = handel
ceapan (ciepan) = ruilen, kopen; TW kiepen
ceapar = koper (# handel)
ceapcarre (slepcarre) = kiepkar, stortkar; TW slepkarre; SL slepkar
ceapceorl = marskramer, handelaar; TW kiepkerl
ceapend = verkoper
ceapere = handelaar
ceapery = handelsbedrijf
ceappan = ww kiepen, storten
cearcian (cirpan) = ww tjirpen
cearf (ceorf) = kerf, snee
cearfan = kerven, snijden
cearfstocc = kerfstok = stok met kerven aangevende hoeveel schuld iemand heeft; ON kerfstoc
cearn = kern, pit, punt, piek, steenhoop, grenssteen, grafsteen
cears = kaars
cearsmaerct = kaarsenmarkt
cearsmakere = kaarsenmaker
cearsmakery = kaarsenmakerij
cearssmeor = kaarsvet
caerssticc (candel) = kaarshouder, kandelaar; KA candel
ceart = hoepel, metalen band om wiel; ON caerte, karte
cearte = kaart, document; ON carte
ceas = berisping
ceasan = berispen
ceast = ruzie, woordewisseling; ON ceast
ceastan = ww ruziŽn
ceat (cate) = keet, hut
ceatman (caetman) = bewoner van een keet (kate), kleine boer; ON keetman; WAoud kaatman
cece = kaak, wang; ON keke; ME cheec = wang
cedre = ceder, cederhout; ON cedrin
ceen >A cene
celan (cielan, cealan) = koelen, afkoelen
cele (ciel, ceal) = kil, koel
cell = hut, huis, woning; ON celle
cem (cam, camb, comb) = kam; ON cam, cem
cem =A* ceamme = hofstede, woning
cember = kamer, wolkamer; ON kember; ME chamber
cembrycg (cambrug) = kembrug (kambrug) = brug met pijlers
cene (kin) = kien, precies, nauwkeurig; KA cene; ME keen
cene (kin) = koen, flink, moedig; KA cene; WA keen; ME keen
cene = kiem, uitspruitsel; AH kien
cenman = bode, berichter; ON kenman
cenn = knaagdier, big, konijn; ON kenn, keun
cennan = baren, voortbrengen > cind
cennan = kennen; GR kinnen
cennef = houten veebeugel tegen weglopen; ON kennef, kenneve
cenning = begrip, oordeel, bericht, verklaring; ON kenninge
cennlic = kennelijk, duidelijk; ON kenlijc
ceo = big; AH keu
ceode = buidel
ceogh (coug) = koog = buitendijks land
ceol (ceal, cul) = kuil, groeve; KA cul; WA koele; WAoud kel; MC kil
ceol (ceal) = kuilhout = houtskool; WAoud kel
ceol (cule, kyl) = kiel van een boot, kielboot; WA kuul, koel; WAoud kel; ME keel [kiel] > kuyl, kyl
ceol =A ceolholt
ceole = keel
ceolholt = houtskool; WAoud kel
ceolt = jonge hengst
ceolthofe = hengstenfokkerij; ON colthof
ceon = keun = big
ceorf =A cearf
ceorfan =A cearfan
ceorl = kerel, man, boer, dorpeling, vrijman; ON caerle; WA kerl
ceorl = vlerk, vlegel; WA kerl
ceort (sceort) = kort
ceort (sceort) = haxel, afval
ceortan (sceortan) = ww korten
ceortlings (ceorts) = kortelings, onlangs
ceorts =A corltings; WAoud korts
ceosan (chesan) = ww kiezen; ME choose
ceosol = kiezel, kiezelsteen
ceowan (cowan) = kauwen; KA ceowan; AH kewen; ON chiuwan; GD chow; ME chew
cep (ciep) = goedkoop; ME cheap
cep = jongen; ME chap
cepan = houden, hoeden, bewaken; ME keep
cepan = neigen, van plan zijn, uitzien naar
cepere = houder, hoeder, bewaker, opzichter
cepere = balk, spint, spant, dakspant; ON keper
-cepere = -houder; VB sceapcepere = schapenhouder
cerce (circe, cirk, churce) = kerk; KA churce [tjurk]; ON kercke; GRoud churce; AH kark; WA kerke; GD chorc; AG kirk; ZW kyrke [tjurke]; ME church
cercle = cirkel, diadeem; ON circel
cermes = kermis; ON kermesse; AH karmse; WA karmis
cerr =A cerran
cerran (cerr) = keren, omdraaien; ON cherren; ME chare
cers = kers
cerslaer = kerseboom; ON kerselare
cersspill = kerspel = vergaderplek, vergaderruimte, rechtsgebied
cersthed = christendom; ON kersteheid
cesar (caesar) = keizer. AR Khesar = godfather, sterke man
cese (cyse, cies) = kaas; ON case, kese; TW keese; TJ chir; ME cheese
cesemaercet = kaasmarkt; ON cesemarket
cesemaerckt = kaasmarkt
cesemakere = kaasmaker
cesemakery = kaasmakerij
cesesteckere = kaasschaaf; ON caesstecker
cesesticcere = kaashandelaar; ON caessticker
cesling = straatsteen; WA kesling
cess (cass) = kast, groot huis
cessan = ww stoppen, ophouden, doen beŽindigen
cest = kist, kast, koffer
cester =A caster
cestmakere = kistenmaker
cestmakerste = kistenmaker; VW kistemakerste
NB hoeve Kistemakerste te Nijbroek, N.Veluwe
cestwaegn = kistenwagen = wagen voor vervoer van kisten of koffers
cet = snoepje, aardigheid; GD ket
cetel =A cettel (ketel, vat)
cetelbutere = ketellapper; ON ketelboetere
cetelere = ketelaar = ketelsmid; ON ketelaer
cetelery = ketelarij = ketelsmid; ON ketelaerie; WA kettelrie
cetelmakere = ketelmaker; WA kettelmaker
cetelmakery = ketelmakerij; WA kettelmakerie
cettel =A cetel (ketel)
cettel (cetel) = ketel, vat; KA cettel; ON ketel; WA kettel; ME kettle
cetten {mv cettens} = zn keten, ketting; WAoud ketten {mv kettens}
Ceuclum = Kuik aan de Maas
cey = kei, steen; ON cey; NB Ceyenburgh
ceyacre = keiakker = onvruchtbare akker met veel stenen
ceylim = keileem = mengsel van leem, zand en stenen
ceylimgrove = keileemgroeve
NB Keileemgroeve in Heetveld, NW Overijssel.
ceyta = keienveld; ON keite = veld met veel stenen
NB De Keite in Markelo. Keyte: familienaam in Engeland
chaesan = sjesen = snel voortbewegen
chaese = sjees = snelle paardekar op twee wielen
chap = kap, hak
chappan = kappen, hakken, gappen; KA chappan; ON cappen; IN tjappen; ME chap
char = kier; >A cier
a char = op een kier
chare = smalle gang of weg; GD chare
chaertre (sartere) = charter, oorkonde, verklaring; ON chaertre, sartere; ME charter
chep = jongen; GD chep; ME chap
chesan (ceosan) = ww kiezen; ME choose
chester >A cester
chire >A scire
churce (circe, cerce) = kerk; KA churce; ON kercke; GRoud churce; WA kerke; GD chorc; CW churk; ME church
NB Sigerdachurcke (c 1250nC) = kerk van Siddeburen > PgAng/Siddeburen
cibling = kibbeling (# vis)
cic = kip (# pluimvee)
cicen (mv cicens) = kuiken; ON+WA+VL kieken = kuiken, kippen
cicentheof = kiekendief (# vogel); WA kiekendeef
cidda = bijeen geharkte regel hooi; AH kidde
cidda = klein paard; WA kidde; GD cuddy; ML kuda = (klein) paard
cidda = liefkozing; GD kidda
ciddan = liefkozen
cidh = kiem, spruit
cief = kief, den, denneboom; WAoud kif >A cif, cyff
ciefta = kiefte = veld waar veel kiefen staan
ciefta = kievit; DR+TW+AH kiefte
ciel (cele) = bn kil
cielan =A celan
ciele = kil = watergeul
ciemly = tamelijk; EZ ziemli
ciep (cep) = goedkoop; ME cheap
ciepan (ceapan) = houden, handelen, verkopen
ciepe = koop, verkoop
ciepend = verkoper
cier = kier, keer, draai; >A char = kier
cierman = kermen, roepen, schreeuwen
cierran = keren, draaien, terugkeren, onderwerpen, vegen
cies =A cese
cif (cyff) = kuif, hoogte, piek; >A cief
ciff = kif, kijf, ruzie
ciffan = ww kiffen, kijven
cift = kift, ruzie
cifta (cifwit) = kievit (# vogel); WA kiefte
ciftan = kiften, ruziŽn
cifwit (ciwit, cifta, pewit, hleapwince) = kievit; AVA cif (kuif) + wit (wit); >A cyff
cild = kind
cildhed = kindheid
Cilternfernas = Anglische stam in Cilternsaete/Z.Mercia
Cilternsaete = woongebied Cilternfernas (Z. Mercia)
cim (rima) = kim, rand, horizon
cim = kim (# vogel)
cimbael = cimbaal (# snaarinstrument)
cin = kin, kaak; ME chin
cind [kind] {AVA cennan (ZA)} (bairn) = kind; EF [kind]; EZ kend; OD kint
cinan = kienen, uitzoeken, raden, kiemen
cinan = kienen, kienspel; WA kienen
cinc = kink = slag, stomp, draai, kronkel; NH [kink]
cincal (ginc) = kinkel = jongen, brok, hufter >A gingal
cincere = veinzer, bankwerker; NV kinker
cinchorn = slakkenhuisje; TW kinkhoorne
cine = geul, spleet, kiem; ON keen; WA kien
cingel = singel = gracht + buitenmuur, ringmuur, wal; >A hamstede
cinnbac = kinnebak = wang, koon; AH kinnebak
cinnban = kaakbeen
cinnis = kennis; ON kinnisse
cipel (sypal, enion) = ui; ON ciepel; WA siepel; WAoud sypel > sypal
cipper = kipper = gerookte haring; normaliter gegeten bij ontbijt
cippian = afsnijden, afschaven
circclocc = kerkklok; ON cerkclock
circe [kirk, kerk] (cirice, cyrice, churce) = kerk; ON carke, cerke, kerke; KA churce; WA kark
circgeard = kerkhof
circham = kerkdorp
circhofe = kerkhof
circmaester = kerkmeester
ciric = grafveld, begraafplaats
cirice =A circe
cirpan (cearcian) = ww tjirpen
cis = kis = dun drijfijs
cise = kies, kiezel; SH kiese
cisil = kiezel
cisman = kalfje; TW kisman
cissan = opjutten
cisterne {mv cisternes} = waterput, regenbak, kelder; ON sisterne
ciwe = kieuw; GR kaiw
ciwit (cifwit, pewit, hleapwince) = kievit
cla =A clawu
claddan = kladden, vallen; AH kladn
cladh (clath, cledar, claes, were) = kleed, kleding; KA clath; AH kleed = jurk, tapijt, dekkleed; ME cloth = kleding
cladhmakere (snidhere) = kleermaker
cladhmakery (snidhery) = kleermakerij
cladhstoppere = kledinghersteller
cladhstoppery = kledingherstellerij
cladhwaegn (hufcarre, sealwaegn) = kleedwagen, huifkar, boerekar = paardekar met zeildak; voor vervoer van goederen of maximaal 8 personen; KA hufcarre
Werd veel gebruikt door boeren en landverhuizers en groepsvervoer.
claebot = korenworm; ON clabot
claeg = klei, leem; ON clei; ME clay
claegan (klagan) = klagen; ON claghen
claege = klacht; ON claghe
claegedaeg = klaagdag, rechtszitting
claegere = klager, aanklager; ON claghere
claeggeat = kleigat = gat in kleigrond gevuld met water
claeghliodh = klaaglied
claegsang = klaagzang
claemot = klamot (# vlindertje)
claen = bn klein; ON cleen = klein, schoon; DR klain; TW kleen
claenan = schoonmaken, reinigen, zuiveren
claene = schoon, rein, zuiver, puur, onschuldig; ON clene; ME clean
claensian = reinigen, zuiveren; ON kleinzen
claerc (cleric, clerc) = klerk; ON claerc; WA klaerk
claert = klodder, modder; GD clarts
claertig = vuil, modderig; GD clarty
claes (cladh) = kleding; GD claes
clafre = klaver
clagg = stok; GD clag
claman = eisen, opeisen; ON clameren
clame = eis
clamman =A clampan
clampan (clamman) = klampen, vastklampen
clanc = klank, geluid; ON clanc; WA klank
clancan = klinken, rammelen, kletteren
clanccass = klankkast (# deel muziek instrument)
clap = klap
claphecce = slagboom; WA klaphekke, slaghekke
clappan = klappen, slaan
clappan (cleppan) = kleppen, roddelen, etc
clappe = klapbrug; GR klappe
clappluppere = klaploper; WA klaplupper
clappstan = klappersteen = bol van versteend leem met daarin ijzeroer
clare (cliss) = klisse, klissekruid (# kruid); VW klare
clarre = braamsluiper (# vogel); WA klarre
clath (cladh, cledar, claes, were) = kleed, kleding; KA clath; AH kleed = jurk, tapijt, dekkleed; ME cloth = kleding
clattaran = ww klateren; GD clatter
clawu (cla, cleo) = klauw; GD claa
cleadar (cladh) = kleren, kleding; WAoud cleder
cleat (cladh) = kleed, klit, klamp
cleatan = klitten, klampen
clefan (clefian) = kleven, zich hechten aan
clefian =A clifan
cleft (clift) = grap, klucht, bedrog; ON cluft, cleft; >A cluft
clem = zn klem
clemm = vogel voor jacht; sperwer of valk
clemman = ww klemmen
clemp = band, armband
clempan = binden
clempere = binder, vastbinder
clenc =A clinc
clencan (clincan) = vastklinken, vastmaken, vastkloppen, boeien; KA clincan; ON clincen
cleo =A clawu
cleofan (cliofan) = ww klieven
cleofer = kliever, kliefmes = mes om te klieven
cleowe = kluwe
cleowen = kluwen
clep = klep, afsluiter; BU mond, muil
cleppan (lyteran) = kleppen, kletsen, leuteren, roddelen
clepper = klepper = soort ratel van hout
cleppere = kletskous; ON clappere
cleppere = klepperman = nachtwacht
clepperan = klepperen = lawaai door tegenelkaar klappen van doeken e.d.; kletsen
clepperman = klepperman = nachtwacht met klepper
clerc =A claerc
cleric =A claerc
cletteran = kletteren = vallen, druk praten
clicc = klik = klikkend geluid
cliccan = klikken = een klikkend geluid maken
cliccan = klikken, aanklikken = zodanige beweging dat een klik wordt gehoord
cliccan = klikken, verklikken, verraden
cliever = klauw (# gereedschap)
cliever = bn handig, slim; GD clivvor; ME clever
clif (cliffe) = klif, steile rots; KA clif
clifan(clifian) = klieven, kloven, splitsen
clifcrod = kleefkruid (# akkerkruid)
cliffe (clif) = klif, klip
clifian =A clifan
clift (cleft) = grap, klucht, bedrog; ON cluft, cleft
clift = zwerm, groep; ON cluft, cleft
clift = nederzetting, rechtsgebied; ON cluft, cleft
clift (cluft, clyft) = barst, spleet, kloof in rots of heuvel; ON cluft, cleft
climban (climman) = ww klimmen, beklimmen
climman (climban) = ww klimmen
clinc (clenc) = klink, klinknagel, bout, balk, plank; ON clince
clinc (dorcric) = klink, deurkruk
clinc (clincar) = klink, klinker (harde steen), baksteen, straatsteen
clinc (cling) = helling, glooiÔng
clinc (clenc) = gevangenis; KA clinc; OE clinck
NB The Clinck in Londen: oude gevangenis
clincan (clencan) = vastzetten, vastbinden, boeien; KA clincan; ON clinken
clincan = klinken, toasten
clincar (clinc) = klink, klinker = harde steen, baksteen, straatsteen
clincbeorg = klinkenberg = stenen borg (burcht), borg van harde steen
clinchamer = klinkhamer = hamer om klinknagels ergen in te spijkeren of los te trekken
clincnaegel = klinknagel
cling = kling = lemmet van mes of dolk
cling (clinc) = helling, glooiÔng; VW klinge
clingan = klemmen, klampen, kleven, sluiten; ON clingen
clingan = samentrekken, verschrompelen
cliofan (cleofan) = ww klieven
clip = klip, rots, hoogte; VW klip
clip = klip, haarklip, speld
clipan = kleppen, roepen, opdragen
clipian =A clipan
cliping = roep, opdracht
cliss (clare) = klisse, klissekruid (# kruid); VW klare
clit = klei, kleiaarde; ON clite
clitan = met klei insmeren; ON cliten
cloc = overkleed, mantel; ON clock, clocke
clocc = klok; ON clocke
cloccere = klokkenluider; ON clockere
cloccian = klokken, een klokkend geluid maken
cloccmakere = klokkenmaker; ON clockmakere
clod (clout) = kloot, klootzak, klodder, klont, kluit; YK clod; GD clot = stomme vent; ME clod (mv clods)
cloddan = ww klodderen
clodhoppere = boerenpummel
clodsacc (cloutsacc) = klootzak (# scheldwoord)
cloet =A clout
clog (clyg) = steile ravijn met sterk stromende rivier of beek
clog = paar, groep, troep; WA kloch
clog = klomp; GD clog = schoen met houten zool
clooc = bn kloek, verstandig; AH klook
cloppan = kloppen, slaan, verslaan
cloppe = klop, slag
cloppere = iemand die slaat, vechter, koperslager, deurklopper; ON cloppere
closter = klooster; ON cloester; WA kloster
clostergearn = kloostergaren = ragfijn garen; WA klostergaarn
clouse (cluse) = kluis, hermitage; KA clouse; ON cluse; AH cloese; WA kloeze
clousere (clusere) = kluizenaar, hermiet; KA clousere; ON clusenare
clout (clod) = kloot, kluit, klomp, bal, bol, bult, kogel, teelbal; ON cloet; WA kloet; GD cloot
cloutan = ww ballen; ON cloeten
cloutan = kloten, klooien
cloutsacc (clodsacc) = klootzak (# scheldwoord)
cloutsceotan = klootschieten (# balspel); WA klootskieten
clouter = balspeler
clud (wolc) = wolk; ME cloud
cluen (clun) = kleun = klap, slag, slaag, veen, stuk turf; KA cluen; AH kluun; VW kluin; WA kluun
cluenan = kleunen = slaan, rotzooien, turf steken; WA klunen
cluft = gehucht, wijk; GR kluft; >A cleft
cluft (clyft, clift) = spleet, barst in rots of heuvel
clummig (clumpsig) = klunzig, onhandig, boers; WA klommig
clump (clog, holbloc, lump) = klomp, klunz; WA klump, klumpe
clumpan = mvA clump = klompen
clumpere = klompenmaker
clumpery = klompenmakerij; VW klumperij
clumpmakere = klompenmaker; TW klumpmaker; ON klompmaker
NB Familienaam Klompmaker. Klompmakerweg in Diepenheim
clumpmakery = klompenmakerij
clumpsig (clummig) = klomperig, klunzig, onhandig, boers
clun =A cluen
cluse =A clouse
clusere =A clousere
clut = kluit, lap, plaatje metaal
clutan = ww kloten, klooien, rondhangen, vervelend doen; PD kluten
clyft (cluft, clift, wich, wig) = spleet, barst in rots of heuvel
clyg =A clog
clyp = klip, gesp, klem
clyppan = ww klippen, klemmen, klampen
cnaa = bn knap
cnaa (cnaw) = ww weten; GD knaa
cnaep =A cnapa
cnaep =A cnaepp
cnaepp (cnaep, cnoepp, cnapp) = heuvel, hoogte; ON knapp; ME knap
cnaets = totaal; AH knats
cnafa = jongen, knecht
cnapa (cnaepe) = knaap, grote jongen, joekel; KA cnapa; ON knape, knaepe
cnapp = knap, nauwkeurig
cnapp = kras, scheur
cnapp (cnaepp) = hoogte, heuvel; ON knapp
cnapp (fleaxbrecc) = vlasbraak, vlashekel
cnapp = knop, bloemknop; ON knapp
cnappan = knappen, knakken, breken, afbijten; ON cnappen
cnappar = tand; ON knapper
cnapsacc = knapzak = buidel met proviand; ON knappsack
cnaw (cnaa) = kenner, weter
cnaw (cnaa) = knap, deskundig
cnawacre = kennisakker, hennepakker
cnawan (cnowan, knaa) = knauwen, kennen, weten; ON cnauwen; ME know
cnawe = kennis, deskundigheid
cnawere = kenner, weter, deskundige
cnawlaeg (knaalaeg) = kennis
cnawta = kennis, kunde
cnean (conin) = konijn; ON conien; TW knien
cneafal = knevel = snor, snorbaard, bakkebaard; TW knievel
cnedan = kneden
cneo (cneow) = knie; DR+TW+AH knee; ME knee
cneo = hoek; SL kneu
NB De Kneu: weg in Olst, haaks op de dijk
cneo = kneu = zangvogeltje vooral voorkomend in heideland
cneobroc = kniebroek; WA kneebrook
cneow =A cneo
cneowan = knielen; ON cniŽn; WA kneen
cneowian =A cneowan
cnif = mes; ON cnief, cnijf, knijf; WA knief; ME knive [naif]
cniht [knait] = bn jong; zn knecht, jongeling; jongeman, ruiter, ridder; ON cnecht, cnegt, knegt; WAoud knecht, ridder; ME knight
NB Het Engelse knight is ook een adellijke titel, die oorspronkelijk de betekenis had van ruiter (Frans: chevallier; Spaans: caballeros). Mogelijk is dat ook de oudste betekenis van cniht. Verzorgers van paarden werden vroeger ook paardeknechten genoemd.
cnihthod = knechtschap, ridderschap
cnihtwesende = kind (jong) wezende, zijnde
cnipa = kneep, stukje land; WA kniepe
cnipan (knipan) = knijpen; WA kniepen
cnipp = knip, beurs, portemonee, klem; TW+AH knippe
cnippan = knippen
cnippere = kapper
cniphus = kapper, kapperzaak; WA kniphoes
cnobb = knop, hoogte, bult, heuvel; WA knobbe
cnoble = knobbel
cnoblough = laagte bij een heuvel
cnocian = knokken, vechten, kloppen; ON cnocken
cnocle = knokkel, wervel, gewricht, gebeente; ON cnockel
cnoclehus = knekelhuis = bergplaats voor beenderen van begraafplaats
cnoef = homp, stuk, brok; AH knoef; WA knoef
cnoef = hoogte, heuvel; AH knoef
NB Knoevenoord/Hall/Brummen: landschap is daar hoger door eindmorenen uit de Ystijd. (# Knoevenoord/Brummen)
cnoef (cnufe) = stuk heideland; WA knoef; WAoud knuf
NB Knoefweg in Buurse/Twente.
cnoepp (cnaepp) = bult, heuveltop
cnofal = enkel, gewricht, bocht; ON cnovel
cnofan = ww kluiven; AH knoevn
cnolle = knol, bult; ON knol
cnolle = steile heuvel, bult, berg, top; ON knol; WAoud knolle
cnotta = knot, knoop
cnottan = knotten, knopen
cnottdeok = knottendoek = geknoopt doek
cnottwelig = knotwilg
cnout = knoet, slaghout
cnowan (cnawan) = knauwen, kauwen; ON cnouwen, cnauwen
cnufe =A cnoef
cnupp = knoop, bult, heuveltop; WA knup
cnuppan = ww knopen; WA knuppen
cnuppel = knuppel, stam, stok
cnuppelpaedh = knuppelpad = pad van boomstammetjes in drassig gebied
cnuppelwaeg (fenbrigge) = knuppelweg = veenweg van boomstammen
cnute (crawe) = kraai; ON cnuut
cnyll = metaalklank; VA NL knallen
cnyssan = kneuzen, slaan
cnyttan = breien; ON knutten; ME knitt
co (coe, coo, cu, cow) = koe; KA cow; ON coe, couwe; DR kou; AH koo; PD ko, kow, cow; GD coo; SC [koe]; ME cow
cob = kob (# paard)
cob (cobbe) = kobbe = kei, straatkei, steen; KA cob
cobb (cobbold) = kobold = geest, huisgeest, boze kabouter; KA cobb; ON cobboud
cobban = ww bestraten
cobbe (cob) = kobbe = kei, straatkei, steen; KA cob
cobbold =A cobb
coc = kok
cocan = ww koken; WA kokken; SH koeken
cocboc = kookboek; WA kokboek
cocc (coco) = haan (# kippen); KA cocc; ME cock
coccel = kokkel; GD cockle = spit; ME cockle
coccel = spit, braadspit; GD cockle
coccer = koker; WA kokker
coccus = rode verf
Cocdaeges = Kookdagen = kerstvakantie voor knechten en meiden
coce {mv coces} = koek, taart, plak, vlakke hoogte; AH koke; WA kook, kooke; ZW kaka; ME cooc = kok, koken
coces {ev coce} = koeken, plakken, vlaktes
coces = kooks, steenkool; WA kooks
cochus = kookhuis; staat buiten op het erf; NB > bachus
cocie = koekie, koekje
cocies = koekies, koekjes
coco (cocc) = haan (# kippen); KA cocc; ME cock
codd = zak; ON kodde
codd = kodde, knots, knuppel; ON cod, codde
Codec = Kootwijk
coe [koo] (cow; mv coes) = koe, domoor; KA cow; WA koo; PD cow; ME cow
cofa = inham, kreek
cofa = koof, vertrek, ruimte
cofa = boog
cofe = ijzeren kapje onder een helm; ON cofe, cufe
cofeant = cowboy, koeienjongen; WA koovent
cogh = koopman
cohhetan (coughan) = ww kuggen; ON cuchen
col (hecs) = kol = heks
col (cole) = kool, prij (# groente); KA cole; NV kol
col (cole) = houtskool, steenkool
col (colle) = heuvel, platteau; ON coule
NB Kaart HTN/37 (1783) toont De Spaniaerts Coule, daar waar kaart RZA/47 (1773) een plateau met enige heuvels aangeeft.
col (colblom) = klaproos (# bloem)
col (ceal) = koel, koud
colbac = kolenbak, kolenkit; ME colebox
colblom (col) = kollebloem, klaproos; ON colleblom
colbour = koolboer = boer die kool verbouwt
colbour = kolenboer = handelaar in houtskool, bruinkool, steenkool e.d.
colbraendere = kolenbrander = iemand die houtskool maakt
colbraendery = kolenbranderij = bedrijf dat houtkool maakt
colc = kolk = plas of meer in een uiterwaarde
NB de kolken in de uiterwaarden van de Yssel en de Rijn
colclough = laagland bij een kolk
NB Colclough familienaam in Engeland
cold (ceald, cowd) = koud, schraal, onvruchtbaar; KA cold; ON colde; DR kold; TW kold, koold; AH kold; MD cawd; GD cowt; SF cowd; ME cold
coldbrothor = halfbroer; WA koaldbreur
coldfyr = koudvuur, gangreen (# aandoening)
coldhorn = schraal stuk land
cole (col) = kool (# groente); WA kolle
cole (col) = houtskool, steenkool
cole (ceal) = bn koel
colebour = kolenboer = handelaar in houts- en steenkool
colemine = kolenmijn
coleman = groenteboer, kolenbrander
coler = halskraag, halsdoek; ON colere
colere = buikloop; ON colere
colfeld =A calwaye
colff = kolf, knuppel, knots; ON colve, colv
colff = club, vereniging; ON colve, colv
colfisc = koolvis
colgos = kolgans
colhasu = koolhaas; ON coolhaes > Koolhaas
colheap = koolhoop = kleihoop waarin houtskool wordt gebrand; WA kolheup
colhoc = kolenhok
colic = koliek (# aandoening)
colle (col) = heuvel, platteau
NB Collendoorn/Hardenberg is een regio die op een zandhoogte ligt. De omgeving ligt lager en bestond/bestaat voornamelijk uit drasland. > PgAng/Collendoorn
colman = kolenbrander, warmoezenier, groenteboer; ON coleman, coelman
colmase = koolmees (# vogel)
colore = kleur; ON colore; ME color
colpitt =A colpytt
colpytt = koolput = kuil waarin houtskool wordt gebrand; ON coelpitte, coelputte
colraep (raep) = koolraap (# groente); KA raep; ME rape
colsacc = kolenzak; WA kolzak
colsacc = doodlopende weg
colsaed = koolzaad; ON coelsaet
colsopp = koolsoep; ON coelsop
colwaye = groenteveld, moestuin; ON colewei; SL colewee > PgAng/Coolewee
colwearf = kolenwerf, kolenbranderij; ON colewerve
colwit = koolwitje = wit vlindertje
com = kom; AVA comon
com up! = kom op!; OE+YK come up; ME come on
coman = ww komen; NH [kom, koam]; ME come
coman (cowman, cooman) = koeiendrijver; KA cowman; WAoud koman, cowman
coman = koopman; ON coeman, coepman
Comanz = gouden Rijnlandse gulden
comb (camb, cam, caem, cem) = kam; AH kaom; ON cam, cambe; ME comb
comb (combe, comme) = laagte, vallei; KA combe
comban = ww kammen
combe =A comb, cumbe, comme
combere = kammaker
combery = kammakerij
combmakere = kammaker
come = komst
comete = komeet (# hemellichaam); ON comete
cometh {AVA comon = komen} = komt
comheod (hutcom) = komhut = hut met vloer die circa 15 cm onder het maaiveld ligt. De hut dient als werkplaats voor ambachtelijk werk. O.a. voor weven. > PgAng/Komhutten
commandar = commandeur; Soud commendeur
comme (comb) = kom (# eten, dorp), laagte (# gebied); VWoud komme
comminge = wolkammer; ON camminghe
comod = gemak; WA kommood
comodig = gemakkelijk, aangenaam
comon {comt, cam/cwom, comon} (cyman, cympan) = ww komen; KA comon; ON comen; WA komen, kummen; EF cumon; GD come; ME comme
conin (cnean) = konijn; ON conin, conijn; WA knien
coo >A co (koe)
cooman >A coman (cowboy)
cop (bac, croec) = kop, beker, nap; ON coppe; TW koppe; ME cup
cop = kop, hoofd
cop = koop, leengoed; ON cop, coep, cope
Komt o.a. voor in plaatsnamen als Nieuwkoop.
cop = kop, heuvel, hoofd, top; WA kop
Komt o.a. voor in plaatsnamen als Trekop en Spekop in Delden/Achterhoek.
copan = ww kopen
copbord = keukenplank, keukenkast, kast
coper (copper) = koper (# metaal); WA kopper
copere (coman) = koopman, koper; WAoud coeper
copermine = kopermijn
coperslegere = koperslager
coperslegery = koperslagerij
coppe = bron; VW/Ugchelen koppe
coppel = koppel, paar, stel; ON coppel
coppel = troep, kudde; ON coppel
coppel = reglement
coppelsaed = koppelzaad = koppelkoren = mix van gerst en ander graan; later: mix van haver en ander graan; WAoud copplesaet
copper (coper) = koper; WA kopper
Copper Maendaeg = Kopper Maandag > ZA/PgAng
copperan {AVA cop = kop} = kopperen = feesten, feest vieren
coppine = koppijn, hoofdpijn; WA koppien
cor = kor = sleepnet
corage = moed; AH koerazie; ME courage
corb = korf, mand; KA corfe; ON corf; GD corf
corban = ww muilkorven
corbel = korbeel (# raaf); ON corbel
corbit = vlaamse gaai (# vogel)
corc = kurk; WA kork
corde = koord, touw
core = toetsing, besluit, verordening; ON keur
core = kar; AH kore
coren =A corian
corfe = korf, mand; KA corfe; ON corfe
corian = keuren, kiezen, toetsen, besluiten
corn (cour) = koorn, koren, graankorrel, graan; ON corn, coren; WA koorn
corn = likdoorn (# aandoening)
cornacre (couracre) = korenakker; ON cornacker, koornakker
cornblom (treamsa) = korenbloem; KA treamsa; TW+DR tremse
corngast = korengeest (# Mythologie)
cornpyt (courpyt) = korenput = droge put voor bewaren van koren; ON kornput
cornut = kornuit, metgezel; ON cornute
corour = koerier
cortin = gordijn; ON cortine
corwey = karwei, heredienst; ON correwei, corweide; DR kerwaai
cos = kos (# groente)
Cos = Koos (mnm)
cosan = kozen, beminnen, strelen; ON cosen
cosan = vleien, vertrouwelijk spreken; ON cosen
cose = zaak, oorzaak; ON cose
cosig = gezellig
cosignis = gezelligheid
cosmos = kosmos
cost = kost
costan = kosten
costere = koster; ON costere
costery = huis van een koster; WA kosterie
costfurlorn = kostverloren = onvruchtbaar land
costing = rente; ON custinghe
costlic = kostbaar; ON costelic
cot = vlechtwerk
cot = hut, hok, schuur, stal, kooi; ON cot; WA kot
cot (cote) >A cote (jas, hemd, etc)
cote (cot) = jas, hemd, schort, mantel, kleed; KA cote; ON cote, kot; ME coat
cote (cuta) =A cott; ON cote
cotere = keuterboer; WA koter
cotsan = ww kotsen
cotse [koetse] (couts) = koets; WA koetse; ME coach
cotsere (cotsman) = koetsier
cotsfeld = koetsveld = parkeerveld voor koetsen
cotshus = koetshuis = garage voor koetsen
cotsman (cotsere) = koetsier
cotsseoc = koetsziek = kotsmislijk = mislijkheid door hevig schommelen van een koets door ontbreken van goede vering en door slecht wegdek
cotsseocnis = koetsziekte = wagenziekte, (kots)mislijk
cott (cote, cuta) = uitgehakt stuk bos, clearing; MD cut
cott (cait, cate) = schuilhut, schuilplaats, schuiloord; WA kote, koot
cott = kot, hok; WA kot; VL kot
cottle = keutel; AH kottel
cou =A coe, cu, cow
couc (coce) = koek, taart, plak, schijf, plek, eetplek, gezwel; AH koke; ON couc, coec, coecke
couc = bn plat, vlak
De term koek komt nogal vaak voor in weg- en locatienamen. O.a. het Koekveld in Lichtenvoorde en de Koekweg in Dalfsen Oost.
coug (ceogh) = koog = buitendijks land
coug = kaug = soort kraai met rode poten; ME chough
cough = kug, hoest
coughan (cohhetan) = ww kuchen, hoesten; ON cuchen
coun = bn 1: koen, flink, dapper; 2: rustig, gerust
counhed = koenheid, dapperheid, flinkheid, etc
counlic (coun) = koen, flink, dapper; ON coenlike
cour (corn) = koren; TWoud koer, koir (gewas)
couracre = korenakker
courcaemp = korenkamp = akker waar koren wordt verbouwd; ON koerkamp
coure = uitkijk; VW coere
courpyt = korenput = droge put voor bewaren van koren; ON korput
couse = kous; ON couse
cousemakere = kousemaker; ON cousemaecker
couts [kouts] (cotse) = koets; WA koetse; ME coach
coutsan = reizen per koets; AFG cotsj
coutsman = koetsier
cow {mv cowas} (co, cu, cou) = koe, domoor; KA cow; ON coe, couwe; DR kou; TW+AH ko, kow, cow; SC [koe]
cowan (ceowan) = ww kauwen; AH kewn; ME chew
cowbour = koeboer = veedrijver
cowboye = koeherder, koeienjongen, koeiendrijver; KA cowboye; ME cowboy
cowboye = beunhaas, oplichter; ME cowboy
cowcarre = koeienkar = kar getrokken door koeien
cowd (cold, ceald, cowd) = koud, schraal, onvruchtbaar; KA cold; ON colde; DR kold; WA kold, koold; MD cawd; ME cold
cowdic = koedijk = dijk waar koeien grazen
cowfaett = koeienvet; DR kouvet
cowheap = koeberg = berg (hoogte) waar koeien grazen; ON coeberg
cowhorn {mv cowhorns} (cuhorn) = koehoorn (# blaasmuziek); KA cowhorn; AH kowhorn (mv kowhorns)
cowhus = koeienstal
cowiht = koeienmeisje, veehoedster; WA koowicht
cowman (coman) = koeiendrijver; KA cowman; WAoud koman, cowman; ME cowboy
cowpaedh (cowpea) = koepad = pad waarlangs koeien lopen; KA cowpaedh; WA koepad
cowpea =A cowpaedh
cowsceadd = koeiestal
cowsteall = koeiestal
cowweard = koewacht, koeienhoeder; ON cuwaerd
coy = kui = koekalf
coy = kooi, bed, hok, stal; ON coye
coyan = ww kooien
coycere = kooiker
coycery = kooikerij
cra (cnut, cray, crawe, crowa, crowe, dola, caw, calle) = kraai (# vogel); KA cray; ON cray; WA krew, kra, krŰ, krÍ, krei; GD craa; ME craw
crabba = krab; ON krab, kreeft; ME crab
crabbaeppel = vrucht van krabbeboom; ON krabappel
crabtreo = krabbeboom; ME crabtree
cracc = krak, kraak; gleuf in rots; GD craic
craccel = krakeel, twist, ruzie
craccet = houten stoel; GD cracket
cracclan = krakelen, twisten, ruziŽn; GD crack
cracere = kraker
cracian = ww kraken; ME crack
crackcowe = schoen met heel lange punt; ON crackowe
cracsman = inbreker
cradol = wieg; AH wege; ME cradle
craeft = kracht, kunde, vaardigheid; ON craft = kracht, macht; ME craft
craeftman = ambachtsman; ME craftsman
craeg (hefe, heave) = drijvend veengrond; VW cragge, kragge
craem = kraam, bezit, boeltje, santemekraam; WA kram; WAoud cram
craemere = marktkramer, handelaar
craemery = handel, handeltje; VW kramerij
craet (caert) = krat, bak, (oude) kar, kist, rijtuig, wagen; ML kereta [kreata]
crafian = ww eisen, verlangen
crain = kraai (# vogel)
Crainham {1003 AD; AVA crain/kraai + ham/heem} = Kraainem (dorp in Brabant). > PgAng/Kraainem
cramp = 1: kramp, stuip, hik; 2: kram, haak; ON cramp, cremp; NV kramp; ME cramp
cran (cranoc, crane, cron) = kraan, kraanvogel; KA cran; ON chranuh, crane, craen; WA kraon, kron; WAoud crean, crene, krene; ZW kran; ME crane
cran = vismand; ML krandjang = mand
cranbeorg = kranenberg = hoogte waar kraanvogels bivakkeren; > PgAng/Kronenberg
cranberie = veenbes (# plant, vrucht)
cranborne (belfort, rocc) = kraneburcht, wachttoren, belfort > PgAng/Kraneburchten
cranc = gebogen, bochtig
cranc = ziek, arm, behoeftig; ON cranc
crancaemp = kranekamp =A cranmaed
crancnis = ziekte, zwakte, armoede, onmacht; ON crancheit
crane = kraanvogel; ON crane, crene; WA krane, krene
crane = kraan, hijskraan; ON crane
crane = kraan = flinke vent
crane (crune, creon, croun) = slingerpad; WA kranen, kroene
cranfeld = kraneveld =A cranmaed
cranga = bocht, kromming; WA krange
cranga = gebogen, omgekeerd; WA krang
cranig = kranig, moedig, dapper, flink; DR kraenig
cranmaed = kranemaat = veld waar kraanvogels bivakkeren; WA kranemaot
cranoc =A cran
cranoc = reiger (# kraanvogel); > -oc
cransumor = kranenzomer = nazomer als de kraanvogels overvliegen; WA kroanensummer, kroanenzommer
craw (cray) = schreeuw; WA krew; ME cry
crawan (crayan) = ww kraaien, schreeuwen; ME cry
crawe (cnut, cra, crowa, crowe) = kraai (# vogel); KA crawe; ON cray; WA krew, kra, krŰ, krÍ; ME crow
cray (craw) = schreeuw; ME cray
cray (cnut, crawe, crowa, crowe, caw, calle, dola) = kraai (# vogel); KA cray; ON cray; TW krei, kra, krŰ; AH kreai
cray = kraai = bijnaam/spotnaam voor iemand in lange zwarte kleding
crayan (crawan) = ww kraaien, schreeuwen
crayere = omroeper; ME cryer
creac =A criec
creafit = kreeft; ON crevit, crevet
creag = strijd, oorlog
creagan (gietan) = krijgen, strijden; ON crighen; WA kriegen
creagar = krijger, strijder, soldaat, militair
creaghus = kazerne; SL krieghuus
cream (craem) = kraam (# handel)
crebsa = kraag; WA krebse
crec = krek, juist, precies, goed
creccel (criec, hemming) = krekel (# insect); WA krekkel
cree = kleine hut of omheind stukje grond (weide, etc); GD cree; ME pen
creefeld (hutfeld) = veld waar hutten staan
crefit = kreeft; ON crevit
crem =A crim
cremeran = handelen; AH kremern
cremere = kraamhouder, koopman; TW+AH kremer
crene =A crane
creoce (croce) = kreus, kroes = soort bosbes; KA croce; VW kroeze, kreuze
creon =A croen
creopal (crypel) = kreupel; ON crepel
creopalholt = kreupelhout
creopan (crypan) = ww kruipen; ON criepen, crupen; WA kroepen, krupen; AH krop = kroop; ME creep
cresse = waterkers (# waterplant)
cric (croc, cruc) = krik, kruk, haak, L-vormige stok, staf, of staaf; ON cric, crike, crock
cricholdere = schout, gerechtsdienaar; ON crichoudere
criec (creac) = kers, pruim; KA criec; ON kriek
criec (creccel, hemming) = krekel (# insect); KA criec; WA krekkel
criecian = ww krieken
crike = kreek, plas = smalle beek; ON creke, crike
crikke = kleine kreek; WA krikke
NB Krikkeven (Tusveld/Almelo), Krikkehaar (famnm Twente)
crim (crem, crum) = klein, arm
crimpen = krimpen
crincan = krenken, buigen, vouwen, plooien; ON crinken
crince = krenking, bocht, plooi, vouw; ON crink; DR gringe
crincel = plooi, vouw, bocht; ON crink, crinkel
cring = kring; ON cring
cring = kreng, slachtoffer, oorlogslachtoffer
cringan = omkomen in de strijd
cringgrep = kringsloot
crisan =A crysan
Crist = Christus
cristen = christen
cristlic = christelijk
critan (crytan) = schreeuwen; KA crytan; ON crijten; ME cry
crite (cryt) = kreet, schreeuw; KA cryt
crite = krijt, kalk
croc =A cric
croc (crock) = kruk, staf; ON crock; ME crock
croc (cruce) = kruik; DR kruke
crocce =A crucce
croccedil = krokodil
croce (creoce) = kreus, kroes = soort bosbes; KA croce; VW kroeze, kreuze
croce (creoce) = kroes = krul
crocecop = kroeskop = krullekop
croceswic = gebied waar veel kreus groeit
crock = krul, lok, kuif
crock (croc) = staf met gekrulde bovenkant, herdersstaf; ON croc, crocke
crocke = bedrieger, oplichter
crocket = kroket; ON crocket
NB De kroket wordt al gegeten door de oude Batavieren.
crocwyrhta = kruikenmaker, pottenbakker
crod (crut) = krot
crod = kruid (# plant); ON crude; WA kroed; WAoud crodde
crod (crodde) = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid
crodbeana =A crodbenna
crodbenna = bruine bonen; KA crodbenna; WA kroedbonen
crodbroc = kruidenveld; ON crudebroec
crodbour = kruidenboer
crodde =A crod
crodde = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid (# kruid)
crodde = pad, smalle weg; ON crodde; SL/Lettele crodde [krudde]
NB Huis 'Aan de Crodde' aan de Croddendijk in Bathmen.
crodman = kruideman, kruidenier
crodnere = kruidenier, drogist, apotheek; ON crudenare
crodtune = kruidentuin; WA kroedentuun
crodwaegn = kruiwagen; ON crudewaghen
croen (croun, cron, crone, croen) = kroon, krans, kring, slinger; GD croon
croen = koning, vorst, lichtekooi; ON croen
croen = kronkelig, slingerig; TW kroene
croen = stoer, flink, dapper, slim, handig; WA kroen
NB Barchem: restaurant De Croene Jager
croenan = slingeren, kronkelen
croene (crane, croun) = slingerpad; TW kroene, krane = slingerpad
croenig = vriend, kameraad, kornuit
croenig = kranig; WA kroanig
croft = kroft, krogt, grot, schuilplaats, gewelf; ME croft
croft = veld, afgebakend stukje land, kleine boerderij; GD croft; ME croft
croft = kleine hoeve; ME croft
croft = kroft = hoog en droog stuk land, hoge zandgrond, duin; ON crofte, crocht
croftere = bewoner van een kroft
croll (crull, locc, loc) = krul, buiging, bocht
crollan (crullan, locan) = krullen, buigen, kruipen; ON crulen; ME croll
crom (cromb) = krom, gebogen, slecht; KA crom; ON crom, cromb
cromb =A crom
cron (cran, cranoc, crane) = kraan, kraanvogel; ON chranuh, crane, craen; WA kraon, kron; WAoud crean, crene, krene
cron (crone, croen, croun) = kroon; ON crone
cronan = ww kronen
crone (cron, croen, croun) = kroon; ON crone, croen
cropp = krop = voormaag van kip, hoen of vogel; ON crop, croppe; ME crop
cropp = oogst; ME crop
cropp = romp, lijk, keelgat, voormaag
croppan = ww oogsten
croppe = krop, knoest, knot, knop, hals, strot, maag, spruit, tros; ON croppe, crop; GD crop = haar knippen
cropsalaet = kropsalade; ON kropsalaet
crosal = kruisbes; ON croesel; WA krissel
crosalig = korzelig; WA kroes
crose = kroos (waterplant) > PgAng/Crosewick
crote = kruit = slecht ooft; AH krote = rode biet
croulan = kroelen; AH kroeln
croun (crane, crune, creon) = slingerpad; WA krane, kroene
croun = kroon, koning, vorst, muntsoort, kring, krans, rand; ON croen, croene, crone
Crouninge = Groningen/stad
crouse = nors, donker; AH kroes
crowa =A crawe (kraai)
crowe =A crawe (kraai)
cruc [krus] = kruis; ON cruce; WA kruse, kruus; OD kriuz
crucabele = abeel (# zilverspar) gebruikt als grenspaal; ON crusabele
crucacre = kruisakker = akker aan de grens van een kerspel
crucbeam = kruisboom = boom waarbij een kruis staat; WA kruusboom, kroezeboom
crucboga = kruisboog (# wapen); ME crossbow
cruc =A cric (L-vormige stok of staf)
crucce (cruc, crocce) = kruk, staf; ON crucke, crocke
cruce [kruke] (croc) = kruik; WA kruke, kruuk
crudan = drukken, persen, kruien (ijs); ON cruden, kruien
crude = menigte, gedrang, troep; GD crood; ME crowd
crull =A croll
crullan =A crollan
crum (crim) = klein
crum = krom, gebogen; WA krum
cruma = kruim, kruimel, binnenste van brood; ON crume; WA kruum; ME crumb
crumacre = kromme akker, gekromde akker: smalle langwerpige akkers in de vorm van een S of C; WAoud krumakker
cruman = ww kruimelen, verkruimelen; WA krumen; ME crumble
crumbrycg = boogbrug; ON crombrugge
crumm (crump) = krom, gebogen; WA krum
crummeler = AVA crumm + laer (laar = open plek in bos) = gebogen veld in bos
crump =A crumm
crumpsteort = kromstaart = zilveren munt van 1 stuiver
crunan = kreunen, soft zingen
crune = kreun, soft lied
crune (crane, croun) = slingerpad; WA kroene
cruning = gekreun
crung = kreng, kadaver; ON croenge
crust = korst (van baksel)
crustar = crustade, korstgerecht
crut = krot; WA krut
crut (crod) = kruid; ON crude, cruut; WA kruut
crutmos = WA kruudmoos = gerecht van Salland (melk, rogge, noten, rozijnen + honing) en Twente (karnemelk, gort, worst, spek, rozijnen, stroop + kruiden (kervel + kruzemunt)
crutnaegel = kruidnagel
crutthun = kruidentuin
crutwaegn = kruiwagen; ON crudewaghen
cryce = kruk; WA kruuk, kruke
crypan (creopan) = kruipen; ON criepen, crupen; WA kroepen, krupen
crypel (creopal) = kreupel; ON crepel
crysan (crisan) = krijsen, huilen, schreeuwen; ON crisen; WA krisen; ME cry
cryst = kroost, kinderen; WA kreust
cryt (crite) = kreet, schreeuw; KA cryt
cryta = kriet = stuk land zo groot dat mensen elkaar nog net kunnen horen als ze hard schreeuwen = circa 100x100 M2 = 1 Ha; WA kriette
crytan (critan) = krijten, schreeuwen; KA crytan; WA krieten
cu (cow) = koe; ON coe; WA koo, kow, cow; ME cow
WAoud koe mv koene
cub (cubb) = fuik, korf, visfuik
cub = jonge vos
cub = pas geborene
cubb =A cub (fuik)
cubban = ww baren; ME cub
cubbing = welp, jong dier, jongeling
cubbing = kubbejacht = jacht op jonge vossen; SL cubbinghe; ME cubbing
cucu (geac) = koekoek (# vogel)
cudh = kunde, vaardigheid
cudhlic = duidelijk, zeker
cufle (cugele) = keuvel, pij
Cuforde {c 1159} = Coevorden > PgAng/Coevorden
cugange = koeweg, doorgang voor koeien
cugele =A cufle
cuhorn =A cowhorn
cul (ceal, ceol, cwil) = kuil, groeve; KA cul; DR+TW koele; AHoud kel; MC kil; GD keel; ME keel
cul (ceol) = kul, kletspraat, onzin; WA kull
culan (ceolan) = ww kletsen, babbelen; WA kulen
culcoce [kulkook] = flauwekul; TW kulkook
cule (cul, cyle, kyl, kel) = kuil, groeve, diepte, hol, mijn, put; KA cul; ON cule; WA kuul; WAoud cule, cel, kel
cule = achterwerk, aars
cule = teelbal, kloot
cullan = foppen, bedriegen; TW kullen
cult = matras, bed, kussen, deken; ON culcte, culte
cum = kom; TW kum
cum (cumb, combe) = kom, vallei, dal, helling, vlakte tussen bergen
cuman zn =A comon
cumaerct = koeienmarkt
cumb (cum, combe) = kom, vallei, dal, helling, vlakte tussen bergen
cumbe =A comme
cumber = kommer, zorg, last, hinder; ON comber
cumberan = lijden, verkommeren, bekommeren
Cumbria >A Cymbria
cume = nauwelijks; WAoud kueme, kuim
cumstig = komstig, toekomstig, voortaan; WAoud kumpstigh
cunan >A cu
cunelle = keule, tijm, kervel (# kruiden); ON konala
cung (cyng, etc) = koning; KA cyng; DR kung; DN kung
cunnan = kunnen, kennen, weten; TW konnen; ME can [ken]
GR ik ken = ik kan
cunne = kunne, geslacht, sexe, afkomst; ON conne
cunneman = vakman; WA kunneman
cunnend = kundig, bekwaam, handig, slim; ME cunning
cunnery = klussendienst; WA kunnery
cunnian = proberen, zoeken, testen
cunnig = vertrouwd, bekend, gewend; WA kunnig; AH kunneg; GD cunny
cunning = bekwaam, handig, slim; ME cunning
cunning = bekwaamheid, handigheid, slimheid
cunning (cung, cyng) = bekwaam persoon, vakman, koning; TW konning = koning; > PgAng/Koning
cunst = kunst, kunde, bekwaamheid, vaardigheid
cunt = kont, kut; WA kunte, koent
cupe = handvol; AH gŲpse
cupe (tub) = kuip, waskuip, badkuip, ton, vat; ON cupe
cupe = grondgebied, ambtsgebied; ON cupe
cupe = ronde toren; ON cupe
cupere = kuiper, kuipenmaker; TWoud cuper
cupery = kuiperij, kuipenmakerij
curete = curator
curian (corian) = keuren, toetsen
curle = krul, lok; ME curl
curlig = krullend, krullerig
curna = korrel; SL keurne
cuse (sticc) = stok; WA koeze
cuse = kuis, ingetogen
cushat = duif; GD cushat
cuta (cote, cott) = uitgehakt stuk bos, clearing; MD cut
VB MD Wincut = Wilmecote/Tamworth in Engeland
cutan = snijden, afsnijden, hakken, afhakken, kappen, afkappen
cute = snee, plak, afgehakt stuk
cute = kuit (# been); WA kute, kuut
cute = leuk, aardig, lief
cutel = bestek; ON mes; ME cutlery = bestek
cutenis = leukheid
cuth = bekend
cuthlic = zeker, zekerlijk, klaarblijkelijk
cuthlice =A cuthlic
cuthon =A cunnan
cuwaerd = lafaard; ON cuwaerd
cuwaerdig = lafhartig, laf
cuweda = koeweide = 440x440 roeden = 0.57 Ha
cuworde = komkommer; ON cuworde
cuyrian = kuieren = gezellig praten; WA kuiern
cuyrhus = kroeg, cafee; WA kuyerhuse
cwacan = ww kwaken
cwacc = kwak, kwakzalver
cwaccan = ww kwakken, smijten, kwakkelen
cwacce = spuug
cwaccian = spugen, spuwen; GR kwakjn
cwacere = kwaker, kikker
NB Kwakerweg in Ede/Veenendaal*
cwacian = kwaken, beven, sidderen
cwaedan =A cwethan cwaede =A cwethe
cwala = kwaal, geweldadige dood
cwalm = zwarte rook; AH kwalm
cwant = grapjas, snuiter
cwaynan (cwinan) = ww kwijnen; ON quinen; WA kwinen; GR kwainen
cwealdar >A cwellan
cweart = bn kwart
cwearter = kwartier, gevangenis
cweartern = inkwartieren, gevangen zetten
cwecwa (cwice) = kweekgras, onkruid; AH kwekke; WA kwekwe
cwed (badde) = kwaad, slecht
cwedele = buil, gezwel
cweem (# gecweme) = kundig, bekwaam
cwelc = nauwelijks, moeizaam; WA kwelk
cweldar (cwealdar) = kwelder = stuk grond in zee dat alleen bij hoogtij onderloopt; KA cweldar
cwellan (cweallan, cwillan) = kwellen, doden; KA cwillan
cwellic = kwalijk; AH kwellek
cwellwaeter = kwelwater = water dat onderdoor de dijk sijpelt
cwen (cwene, quene) = koningin; KA quene; DR drottning; GRoud queen; NEoud cwayn; ZW kvinna [kwiena] = vrouw
cwenbeo (mor) = bijenkoningin
cwene (quene) = kween = oude vrouw, onvruchtbare koe, koningin; KA quene; ON quene; TW kwen; ZW kvinna [kwiena] (vrouw); ME queen (koningin)
cwenn = tweeslachtig; AH kwenne
cweorn >A quearn (handmolen)
cwesal = kwezel = zeurpiet
cwesalan = kwezelen, zeuren
cwesan = persen, uitpersen
cwesc = bn beurs; AH kweske
cwethan = kwetteren, spreken, zeggen, citeren, noemen, roepen
cwethe = gekwetter, gesprek, bewering, citaat, benoeming, roep, geroep
cwic (cwicu) = kwik, kwiek; KA cwic; ON quic = kwiek, levendig; TW kwiek
cwice (cwecwa) = kweek, kweekgras, gras, snel groeiend onkruid
cwician = levend (kwik) maken
cwicu =A cwic
cwid = bw kwijt; WA kwiet
cwidam = kwibus, kwast, dom mens, sufferd, rare, gek; WA kwidam > PgAng/Quedam
cwide = toespraak
cwidh = buik, uterus
cwidraeden = besluiten, overeenkomen
cwil = kuil, groeve, bron; KA ceal
cwil (ceal, ceol, cul) = kuil, groeve; KA cul; DR+TW koele; AHoud kel; MC kil; GD keel; ME keel
cwillan (cwellan) = wellen, opborrelen
cwilpoldre = kwelpolder
cwilwaetre = kwelwater
cwin = arme grond
NB Het Quin: heideveld in Hengeland/Afferden
cwinan (cwaynan) = kwijnen; ON quinen; WA kwinen; GR kwainen
cwinc = bn levendig, vrolijk; AH kwink
NB Kwinkweerd in Lochem.
cwinc = soort kabeljauw
cwint = huis, krot; DR kwint
cycan (kikan, keakan) = kijken; KA keakan; TW kieken; GR kaiken; GD keek
cycene = keuken; ON cokene, cuekene; ME kitchen
cycengaerd = keukentuin, groentetuin
cyddan = mededelen, bekend maken
cydde = mededeling, bekendmaking
cyfar = cijfer, getal
cyff (cif) = kuif, hoogte, piek >A cifwit
cyle (cule) = kuil; KA cul; ON coel; DR koel
cylene = kuil, koolput
cylholt = kuilhout, houtskool; ON kelholt
Cymbria = Cumbria = Romeinse naam voor Wales
cyme = komend
cyme = kiem
cymon = komen; KA coman; WA kummen
cymp = komt; WA kump
cympan {cymp, cwamp, cympan} (comon) = komen; KA coman; TWoud kompen
cyn >A cynn (kinne)
cynde = kunde, bekwaamheid, soort; >A gecynde
cyne [keine] (cyning) = koning
cyne = keun = big; TW keune
cyne = koen, flink, kordaat, dapper, vermetel; TW keun
cynebearn = koningskind
cynegierela = koningsmantel
cynelic = koninklijk
cynerica = koninkrijk; EZ kunnijrich
cynestol = koningsstoel, troon
cyneweard = paleiswacht
cynewelle = koningsbron, -put
cyng [keing] (cyne, kuning) = koning; KA cyng; DR kung, keuning
Cyngswaeg = Koningsweg = weg tussen twee steden
cyning (cyne, kuning) = koning; KA cyng; DR konung, kung; TW keuning, konnik;
cyninghus = koningshuis
cynn (cyn, kinn, kunn) = kinne, familie, clan, volk, stam, volkstam; KA cynn; ON kinne = bloedverwant; ME kin
cynns- = bn verwant
cynnsfolc = verwant volk
cynnsman = bloedverwant
cyns (thyns, tins) = cijns, pacht, rente; ON thyns; WAoud tins
cyre = keur, toetsing, keuze, besluit; ON keur
cyrian (corian) = ww keuren, toetsen, kiezen, beschikken, beslissen; ON coiren
cyrice (cirica) = kerk
cyrin = karn
cyrinan = ww karnen
cyrinmilc = karnemelk
cyrnel = kern, pit; ON kernel
cyse = belasting; ON cise, cijse
cyse =A cese
cyss = kus >A sem
cyssan = ww kussen; ME kiss
cyst = keus, toetsing, keuze; ON kust (te ~ en te keur)
cyst = voorkeur
cystig = verkieslijk
cystod = opzichter, toezichthouder, inspecteur; ON custode
cyta (wihe) = wouw (# vogel), rode adelaar; ON wihe; ME kite
cythan = kutten, kletsen, kauten, praten, vertellen, bekend maken
cythe = kut
cythnes = kletspraat, testament
cythth = bekende, kennis
cyththacre = kennisakker = hennepakker
 
d::
d- ze th-
da (fa) = vader; GD da; ME dad
da [daw] = hinde (vrl hert); EF daw; ME doe
-da =A -ta
daed = daad; GD dede
daedcraeft = daadkracht
daedel = dadel; ON dade
daeding = dading, rechtszaak, overeenkomst
daedingan = vervolgen, onderhandelen, overeenkomen
daefte (gedaefte, meoc) = mild, zachtmoedig, gedwee, deemoedig; KA daefte; ME daft = dol, dwaas, stom
daeg {mv daegas} = dag; ON daech; SH dag; SW daeg; EX [dai]; ZW dag [dag}
ilcan daege = elke dag
daeg = dageraad, douw, nevel; EA dageraad, nevel
daegas {ev daeg} = dagen
daegbow = dagbouw (# mijnbouw)
daegclip = dagorder (# leger)
daege = zuivelfarm
daegesdaeg = dagelijks; WA dagesdag
daegeseage (golde) = madeliefje (# bloem)
daegfor = dagtocht, dagmars
daeghwaemlic = dagelijks
daeghyrdere = daghuurder = iemand die dag aan dag ergens werkt
daegian (dagian, dagan) = dageraad; ME dawn
daeglan = dagloon
daegleanere = dagloner
daegmaet = dagmaat = 2/3 morgen = 0.57 Ha = 1/4 bunder; ON dachmaet; WAoud dachmaet
daegred = dageraad, morgenrood; EA dag
daegwaend = oppervlakte grond die in 1 dag te ploegen is; VW dagwand
daegwhamlic = dagelijks
dael = laag, omlaag, neer; TW daal
dael (delle) = dal, laagland; KA delle; ON dale, delle, delling
dael = deel, onderdeel
dael = overeenkomst; ME deal
daelan = ww delen, verdelen
daelan = ww dalen, afdalen
daeldar (dallar) = daalder; KA daller; WAoud daler; USA dollar
daele = omlaag, neer; AH dale
daele = stal; AH daele
daeler (daeldar, dallar) = daalder; KA dallar; WAoud daeler (mv daelers), daler; USA dollar
daelfan = bedelen, zwerven; NV dalven
daelfere = bedelaar, zwerver; NV dalver
daelles = armoede; NV dalles
daenland =A dean (dal, vallei),
daerg =A dearre
daerie =A daring
daering = zilte veengrond; ON daring, darie
daeringdelfan = darinkdelven = zoutwinning door verbranden van gedroogde plaggen uit zilte veengrond waardoor zout overblijft
dafen (dawan) = daverend, schitterend, prachtig, mooi, heilig, goed
dafenian = betamen
dag = deeg; ME dough
dagan (taegan) = dagen, uitdagen
dagas {ev daeg} = zn dagen
dagga = kort zwaard, korte degen, grote dolk, ponjaard, voegijzer; AH+NV+ON dagge; ME dagger. Dit wapen is typisch Anglisch. Het komt o.a. voor in het wapen van de Royal Anglian Army in Engeland.
daggan = steken, doorboren, doodsteken
dagian = dagen, licht worden
daging = dagen, ochtendgloren
dal (dool) = doel; KA dool; DR doul; TW+LM dool; ME dole >A dool
dal = lot, bestemming; ME dole
dalc = spang, gesp, armband
NB Dalkweg in Klarenbeek
dale = omlaag, neer; AH dale
dalic = dadelijk; WA daliks
dallar (daeldar) = daalder; KA dallar; WAoud daeler (mv daelers), daler; USA dollar
Dalsen {1231 AD} = Dalfsen
dam = dam, dijk, kade
dam = erf, grondgebied
damp = damp, nevel; EA dag; GD damp
danc = dank
dancan = danken
dansan = dansen; TJ tansa
danse = dans
dansflor = dansvloer
danshus = danshuis
dapper = dapper, netjes, flink; ME dapper
darre >A dearre
darrig >A dearrig
dart = bn+bw zacht, week, mooi
dartle = dartel, beweeglijk, mooi
date = datum
Daventre {c 400nC++} = Deventer; c 900nC op munt keizer Koenraad II van Duitsland
daw (thaw) = dauw, dooi; AH dao; ME dew
daw = vroeger, toen; AH dao
dawan (thawan, dawing) = ochtendgloren
dawan (thawian) = dauwen, dagen, gloren, dooien
dawen (dafen, defen) = schitterend, prachtig, mooi, heilig, goed
dawian (dauwen, dagen, gloren, dooien), dawing (thawing, dawan) = ochtendgloren
dawlan = onrustig bewegen, stoeien; AH dauwlen; WA dawwelen
dawlery = gestoei, geharrewar; AH daulerieje
dead (doy) = zn+bn dood; GD deed
deadacre = dodenakker, begraafplaats
deadbot = dodenboot = boot die een dode vervoert
deadceap = doodkoop = te betalen bedrag als een leen overgaat op een ander bij de dood van een leenman; ON dootcoep
deadcest = doodskist
deadcladh (lycwat) = doodskleed
deaddanse = dodendans = dans bij een dode; afscheidsritueel
deaddom = doodstraf
deadhemedhe = doodshemd
deadhus = dodenhuis, knekelhuis
deadlic = dodelijk, fataal
daedman = dodeman = dwarshout in de grond aan een paal om deze overend te houden
deadmusice = dodenmuziek = muziek bij afscheid van een dode
Deadrice = dodenrijk
deadsang = dodenzag = zang bij afscheid van een dode
deadstil = doodstil
deadwaeg = dodenweg; TW doonweg
NB Doonweg/Eerbeek
deaf = doof; GD deef
deafnis = doofheid
deag = verf; ME dye
deagian = ww verven; ME to dye
deal = deel; WAoud deill; SW diel; ME deal
dealan = delen, verdelen
dealles >A daelles
dean = ruig, wild
dean (denu, den, dene, daenland) = dal, vallei; KA dean
deanan {deant, deanet, deanad} = ww dienen
deanere = bediende; ON diener
deanst = dienst; WA deenst
deanstfolc = dienstvolk = knechten en meiden; WA deenstvolk
deanstman = dienstman, edelman
deanstmangudh = dienstmansgoed = leengoed van leenman die nauwe relatie heeft met leenheer
dear = duur, niet goedkoop; AH doer
dear = erg groot; AH deer
deara tid = zware, moeilijke tijd
dearn = deerne, jonge meid; ON+WA deerne
dearr = durf, moed
dearran = ww durven
dearre (darre, daerg, boong) = derrie, modder, veen, moeras; ON darie, daring; VW derre, darre; DR dearg, darg; WA darre
dearre = derrie = mengsel van veen en klei
dearrig = modderig, vuil; WA darrig
death = zn dood
deaw = dauw
deb (dib, deb, dep, dip) = inzinking, kuil, laagte; KA dib; ON dieb
decc = dek (# schip)
deccan = ww dekken
deccal = deksel; AH dekkel
decembre = december; ON decembre
dee (don) = doen; KA doon; TW+AH doon; GD dee; ME do
dede (daed) = daad; GD dede; ME deed
deep (deop) = bn diep, nat, drassig, moerassig; KA deep; GR daip; DR+TW deep; ZW djup; AF diep; ME deep
deep (deop, diop) = bn diep; TW deep; DR deep; GR daip; WA deep
deep (deop) = diep = beek, rivier; KA deep; DR deep
deep (deop) = diep = vaarwater, zeegat; KA deep
deep (deop, diop) = diep, diepte, laagland, watergat, slenk; KA deep; DR+TW deep; GR daip; ME deep
Deep =A Deopham = TW Deep
Deepham (Deopham, Deop) = Diepenheim/Twente; TWoud Deephem
deeplic (deoplic) = diep, diepelijk
defen =A dafen
deffan = vermaken, vertieren; AH deffen
deggan = ww denken, menen, weten
degge = gedachte
deggere (wisgere) = iemand die veel denkt = filosoof, wijsgeer
deggert =A deggere
deghan = degen (# wapen)
deghan = ww sterven, dood gaan
delay = uitstel, tegenspraak; ON delay; ME delay
delfan (dilfan) = ww delven, graven; ME delve
dell =A delle (= dal, etc)
delle (dell, dael) = dal, vallei, laagte, laagland, dorsvloer; KA delle; ON dale, delle, delling; TW+AH+VW+ON delle; MC dell; ME delle
deman (reafere, redgar, rihtar) = rechter
deman (domman) = ww oordelen, achten; KA domman
demm = dam; AH dem; ON demm; ME dam [dem]
demman = demmen, afdammen; ON demmen
demmere = afdammer (# beroep)
NB Wierden wegen: Koerdam aansluitend Demmersweg: i.c. een dam bij een korenveld + aansluitend een weg naar (het huis van) de afdammer.
den (dene, denu, dean, daenland) = dal, vallei
denbera = grote clearing in bos
dene (den) = dal, vallei; GD dene
Dene = Deen, Deens
Denge = Dinkel (rivier in Twente)
Denisc = Deens
denu (dean, den, dene, daenland) = dal, vallei
Denum = Denemarken, Denen
deoc (doc, dook) = doek; KA dook; GR douk; DR dook, douk; TW+AH dook; WA dook
deofol (deyl) = duivel; WA duvel, duwel; GD deil
deofolgield = duivelsgeld, duivelsoffer, idool
deofolic = bn duivels, arglistig, boos, woedend
deok (dook) = doek; KA dook
deop (deep) = bn diep, nat, drassig, moerassig; KA deep; GR daip; DR+TW deep; ZW djup; AF diep; ME deep
deop (deep, diop) = bn diep; TW deep; DR deep; GR daip; WA deep
deop (deep) = diep = beek, rivier; KA deep; DR deep
deop (deep) = diep = vaarwater, zeegat; KA deep
deop (diop) = diep, diepte, laagland, watergat, slenk; KA deep; DR+TW deep; GR daip; ME deep
Deop =A Deopham; TW Deep
Deopham (Deepham, Deop) = Diepenheim/Twente; TWoud Deephem
deoplic = diep, diepelijk
deopta (diopta) = diepte, laagland
deor = dier, wild beest; DR deer; WA deer, dear
deor = bn wild > dior
deorc = donker; ME dark
deorc maen = donkere maan
deore = geliefd, kostbaar; ON deore; ME dear
deore = geliefde, lieveling; ON deore; ME dear
deorfan = derven, durven, werken, in gevaar zijn
deorfell = dierenvel, -huid, -vacht
deorling = lieveling, geliefde; ME darling
deos = doos; AH deuze
dep (deb, dib, dip) = inzinking, kuil, laagte; KA dib; ON dieb
der = de heer; ON der, dere
derian = deren
-des (-ds) = van, uit ...; VB Lundes = van, uit Londen; ON Londsch, Lundsch
dest {AVA don = doen} = deed; WA deust
dewile = terwijl; WAoud dewile
Dewnter {regiotaal} = Deventer; TW Deawntr > PgAng/Deventer
deyl (deofol) = duivel; WA duvel, duwel; GD deil
-dha =A -ta
dib (dep, deb, dip) = inzinking, kuil, laagte; KA dib; ON dieb
dic = dijk, dam, sloot, greppel; ON dic, dyck; SL dik; WA dick, diek, dike; VWoud dyk, dyck; GR daik; EA dyke; GD dike, dyke; ME dyke, ditch
dic = dijkweg = dijk in veengebied
dic = dikwijls; ON dic, dicke, duc
dican = ww dijken, bedijken, indijken; ON diken; ME dig
dican (gamenian) = ww dobbelen
dicbow = dijkenbouw
dice = dobbelsteen
dichere = dijkleger; verantwoordelijk voor onderhoud en bescherming dijk
dichus = dijkhuis; WA diekhoes
dicraed = dijkraad = dijkbestuur; ON dyckraet
dicsluth = dijksloot = sloot ter afvoer kwelwater; ON dicslut
dicstael = dijkgrond; VW dijcstal; ON dijckstal
dicstol = dijkstoel; WA diekstoal
dicwaeg = dijkweg = dijk in veengebied; WA diekweg
diedan = doden
diegol = geheim, verborgen
diegollic = heimlijk
diff = zandvlakte; OE diff
diff = bv duf, dof, stoffig; OE diff
diffal = kleine zandvlakte; ON diffele
diffig (stupig) = duffig, dof, stoffig; GD diffy
diht = gedicht
diht = bn dicht
dihtan = dichten, componeren, schrijven, organiseren
dilde =A dulde
dilder =A dulder
dile (dili) = dille (kruid met gele bloemen); OE dil
dilf = gracht, sloot; ON delve, dilf; GRoud dilf
dilfan (delfan) = ww delven
dili =A dile
dilgian = delgen
dill = buis; TW dil
dimm = gedempt, getemperd, schemerig, donker, vaag; NV dim; ME dim
dimman = dimmen, temperen, verduisteren, vervagen
ding (thing) = ding, twist, rechtszaak, vergadering; KA thing
ding = stront, mest; WA dung; ME dung
dingan (thingian) = dingen, bedingen, afkopen; WA dingen
dinghil = mesthoop
dinghofe (dinghus) = dinghof
dinghus = dinghuis, dinghof, rechtbank, raadhuis, vergaderruimte
dingig = bn vuil, smerig
dingpleats = dingplaats
dingsdaeg = dinsdag = dag waaop gedingt wordt, i.c. recht gesproken wordt; ON dingsdag; WA dingseldag > PgAng/Dingplaatsen
dingsig = onzeker, ongerust, verdrietig
dingspel = dingspel = rechtsgebied
dingstal = dingplaats, rechtszitting
dingtreow = dingboom = eik waar rechtszaken worden behandeld
diop (deop) = diep, diepte, laagland, watergat, slenk; WA deep; ME deep
diop (deop) = bn diep; WA deep; ME deep
diopta (deopta) = diepte, laagland
dior (deor) = dier
dip (dep, deb, dib) = inzinking, kuil, laagte; KA dib; ON dieb
dippan = ww dippen = indopen
disc = dis, bord, schotel, tafel; TW disk
discthegn = disdienaar, ober
dits = greppel, sloot; ME ditch
NB Ditshuizen (fam.naam)
ditsan* = ww graven
doar = suffig; AH dooar
doaran = suffen, slapen
dobba = dobbe = uitgeveende plas, plaats met water in gemeenschappelijk gebruik voor drink- of bluswater
dobba = dobbe = kuil, plas, drinkplaats; DR dobbe, koel (kuil); VW dod
doblar = schaal, schotel; ON doblier
doc =A deoc
Doccugga {c 650nC} = Dokkum; vermeld op oude munt
dodda (dobba) = kuil, plas, meertje; GR+DR dodde
dodde (dot) = doddegras
dodde (lysdodde) = soort waterplant
dodder =A dodde
doddig = lief, klein, onnozel
dodelsacc = doedelzak; WA dodelzak
Doerfort {1557/KVL} = gehucht bij Beekbergen > PgAng/KVL
dofe = doof, slecht, onnutig, onbruikbaar, zinloos; VW dove
dofe acre = dove akker = slechte akker
dofe slath = dove sloot = zinloze sloot
doffere = doffer, duif
doft (dohte) = roeibank; ON doft, dochte
dog (hund, hound) = dog, hond
dogcaert =A dogcraet
dogcarre (hundcarre) = hondekar = kar getrokken door 1 of meer honden
dogcraet (dogcaert) = dogcart = paardekar met 2 wielen met elk 16 spaken voor stevigheid; bedoeld voor rijden op land
dogdaegs =A hunddaegs
doggar = visboot met twee masten en hoge steven
dohan = dogen, gedogen; WA dochen
dohan (dohgan) = ww deugen; WA duggen
dohgan =A dohan
dohgand = bw deugend, deugdzaam
dohgud =A dugudh
dohte = deugd, goedheid, kracht, grote daad; ON doget; WA docht
dohte (doft) = roeibank; ON dohte
dohtor = dochter; ZW dottir; GD dowtor; ME doughter; Iraans: dotir; ME doughter
dol = dol, gek, dwaas, suf, gestoord, stomp, bot, saai; AH dol; ME dull
dol = dol, dwaas, uitgelaten
dola = dole = torenkraai, kauw >A cray
dolael = dolaal; soort aal (# vis)
dolan = dolen, dwalen
dolaran =A dolan; ON doleren
dolcusan = soort balspel; WA dolkoezen
dolder (dilder) =A dulder
dole = onzeker, verward
dole = onzkerheid, verwarring; ON dole
dolhus >A dollhus
dolic (dollcrut) = dolik, dollekruid (# akkerbloem)
doll =A dol
Doll = Doll (mansnaam) > PgAng/Dolling
dollan = ww dollen, gek doen; WA dullen; GD dolling
dollcaeppe (meadcaeppe) = dollekap, dollehoed, gek
dollcrod (dolic) = dollekruid; WA dolkroed
dollcrut =A dollcrod
dolle = dollekruid, # onkruid, zwartkoorn (w.o. akkerkruid); ME hamlock
dolle = dolk; ON dolle
dollhod (meadhod) = dollehoed, dollekap, gek; WA dolhood
dollhod = zandhoogte waar veel dolic groeit; > PgAng/Dollehoed
dollhus = gekkenhuis; ON dolhuis; WA dolhoes
dolling = ww dollen
dollman = gekke man, gestoorde man
dolmod = vrolijkheid; WA dolmod
dolmodig = vrolijk, opgelaten; WA dolmodig
dolmyd = overmoed, vermetelheid, onbezonnenheid; WA dolmeud
dolmydig = overmoedig, vermetel, onbezonnen; WA dolmeudig
dollwif = gekke vrouw, gestoorde vrouw
dom = bn dom
dom (domm) = oordeel, vonnis; KA dom; DN dom > PgAng/Dommerholt, Kasten
-dom = -dom = geaardheid, gesteldheid, kwaliteit, e.d.
-dom = -dom = het geheel van iets, wereld. VB priesterdom = priesterwereld
domm (dom) = oordeel, straf; KA dom; ON doem; ME doom
domman (deman, reafere, redgar, rihtar) = rechter
domman (deman) = ww oordelen, veroordelen, straffen; KA domman; ON dommen, doemen; ME doom
Dommerholt = bos in Borculo. Mogelijk is dat in oude tijden een rechtplaats.
domne = heer, landheer, domein
domnis = domheid
domsdaeg = doemdag = dag des oordeels; ON doemsdach
don [dŰan] {dot, dest, don} (dee) = doen, maken, ageren; DR+TW+AH doon; GD dee; ME do >A dest
NB YK he does [does] ME [d‚s] NL doet [doet] TW doot [doot]
done (adone) = gedaan; KA done; DR+TW daon; LC [d‚‚n]
done = dons; ON donst, dunst; GD doon; ME down
donn (donnig) = roerig, dronken; WA donne
donnar = donder, gedonder
donnaran = donderen
donnig =A donn
donnta = gedonder, herrie, oproer; WA donte
Lijkt afgeleid van Donar, god van de donder.
dook (doc, deoc, deuk) = doek; KA dook; GR douk; DR dook, douk; TW+AH dook; WA dook
dool (dule) = doel = geppel als grensmarkering, grens; VW doel
dool (dal) = doel; KA dool; DR doul; TW+LM dool; ME dole
doon (don, dee) = doen; KA doon; TW+AH doon; GD dee; ME do
doosan = doezelen
doosig = doezig, slaperig, duf; WA doezig; ME doozy >A dusig
Dor (Thor) = Donar = Anglische god van gerechtigheid
dor (dore, duru, dyro) = deur, toegang, toeganspoort, baai, monding ON dore; WA door, dure; LW durys >A dore, duru
doran = ww duren
dorbelle (belle) = deurbel; ME doorbell
dorc (durc, dyrc) = durk = deuk, hoosgat; KA durc
dorcass = deurkast = kast met een deur; WA/Harfsen dorcas; ME doorcase
dorcepere = deurbewaker, portier
dorcnobb = deurknop
dorcric (clinc) = deurkruk, klink
dore = bw door; WA deur
dore = duur, tijdsduur; AH doer
dore (dor, duru, dyro, thur) =
1: deur, doorgang; AH doer; ON door
2: breed open landschap, vlakte, veld; AH deure
3: toegang, poort, toeganspoort, baai; ON dore; > doric
NB1 Fiveldore = Fivelboezem, Fivelmonding = groot open estuarium van de vrml rivier Fivel, gelegen tussen Spijk, Stedum en Usquart in NO Groningen. > PgAng/Fiveldor
NB2 Dore komt voor in Engelse plaatsnamen als Kirkby Thore en Low Dore in Cumbria (HAG/NW Engeland). Beide locaties liggen inderdaad in groot open gebied.
NB3 "en garde, genomet de Snakenborch buten deme Nigen Dore 1494" (regio Rostock, NO Duitsland) = een gaarde (omheinde plaats), genaamd Snakenborch behalve het gebied de Negen Dore anno 1494.
NB4 Duits Tor = poort.
NB5 Pintu Ajar (Sumatra) = Deur naar het Water (Tobameer) = groot open gebied dat toegang geeft naar en uitzicht geeft op het Toba Meer.
NB6 Te Harreveld in de Achterhoek ligt het veld Hammendeure. Vandaar loopt de Hammenstege naar 't Heetland, een zandhoogte. Deze situatie demonstreert perfect de betekenis van Anglische dore: een toegang (deur, poort, open veld) tot iets anders. Hamme = Anglisch hamma = beboste hoogte in moeras. Deze situatie doet zich exact zo voor in Harreveld. 't Heetland ligt namelijk in een groot drasland.
NB7 Doreweg in Wiene/Delden.
dordon = doorgaan; WA doordoon; TW angoan
dore (dor, duru, dyro) = deur, baai, riviermondinge; ON dore, door; LW durys; AU toro = mond; ME door >A dor, duru
NB Fiveldore (Fivelingo/Gro), Durdle Door (Z.Engeland)
dorganc = doorgang, spijsvertering; ON doreganc
doric = breed, rustiek; EF doric; ME doric
dorig = vz door; WA dorig
dork (dulc) = dolk
dorkan = ww doodsteken
dorland = Lt: doorland = open land waar maklijk doorheen getrokken kan worden
dorman = deurwachter, portier
dormatt = deurmat
dorpal (dreappal, therscold) = drempel, dorpel; KA dreappal; AH dorpel; WA dreppel, drumpel; ME threshold
dorran =A durran
dorsan {dorst, dorste, dorset} = dorsen, durven; GD dors
dorsfleggel (fleggel) = dorsvlegel
dorsflor = dorsvloer
dorste {AVA dearran = duren| = dorste, durfde > dearran
dorstepp = stoep
dorsticc = deurstok; handhoogte; soort wandelstok tevens slagwapen o.a. gebruikt door deurwaarders en geldinners om op deuren te kloppen; deze wandelstokken werden in Engeland gemaakt en gebruikt tot dik in de jaren 50 van de 20ste eeuw.
dorstop (dorwecg) = deurstop, deurwig = wig onder deur tegen dichtslaan door wind
dorwaeg = doorgang, ingang, poort; ME doorway
dorweard (wedman) = deurwaarder; ON doorwaerder
dorwecg =A dorstop
dosan = duizelen, duizelig zijn
dosc (dox) = duister, duisternis
dose (duse) = zachte veengrond, mosveen; VW duus; WA duus, duis
dosig = duizelig, duf; TW doezig
dostar = duister; AH/Harreveld doster; TW duster
dostarnis = duisternis; TW dusternis
dot =A dodde
dove >A dofe
dow = duw
dowan = ww duwen, douwen; DR douwen
dowl = doel; DR doul; SW doul
dowl = duvel = houten pen in balk
dowl = greppel, scheiding; TW doel, doelen
dowlan = doelen, richten
dowlan = duvelen = kwellen
dowsan = wichelen, met de wichelroede lopen
dowsarodd = wichelroede
dox =A dosc
doy (dead) = zn+bn dood
doy = zn dode, dooie
doy = dooi
drab = drab
drabig = drabbig, vaalbruin
draca (draec, dragun, wyrm) = draak; KA draec; ON+OE draeck; ME drake
draec =A draca (draak)
draefic (dropsan) = dravik (# gras)
draen =A dran
draenan =A dranan
draewoncel = zweer; ON drawonkel
draf = samengedreven kudde, menigte
drafan = draven, rennen; TW drawen
drafere = veedrijver, veehandelaar
drafhors = drafpaard
drag = dracht
dragan (thragan, drawan) = ww dragen, trekken; KA dragan; ME to drag
dragarman = gids
dragtig = bn drachtig
dragun (draec, dragun, wyrm) = draak; ME dragon
dragunbot = drakenboot = boot met drakenkop op boeg
dran (draen, drone) = dreun, dar (mannetjesbij), zeurpiet
dranan (draenan) = ww dreunen, brommen, gonzen
dranc (drinc) = drank
drancheall = drankhal
drapere = handelaar in kleding, linnen, etc; soort textielhandelaar
draw = traag, langzaam; AH drao
drawan (dragan) = dragen, trekken
drawlan = luid en wild feesten; WA drawelen
drawpytt = diepe put met lang touw en (houten) emmer
dread = droef, bang, bevreesd; GD dreed; ME dread
dreadan = droef zijn, bang zijn, vrezen
dreadig = droefig, angstig, bedroefd
dreadnis = droefenis, droefheid, angst
dreag (drog) = bedrog
dreagan (drogen) = bedriegen; ON driegen
dream = droom; WA dreem
dreaman = dromen; WA dremen
drean = gedrein, gezeur
dreanan = dreinen, zeuren
dreanig = dreinerig, zeurderig
dreap = drop, drup, druppel; GD drap; ME drop
dreapan = ww druppen, druppelen
dreappal = druppel; WA dreppel
dreappal (therscold) = drempel, dorpel; KA dreappal; WA dreppel, drumpel; ME threshold
dreapsig = drassig, nat; WA drepsig
dreas (drys) = dries = braakland; ON driesch
dreas (drys) = dries = weide, grasland
dreast = driest = ?
Op den Driest: naam van een hoeve in Beekbergen
dreat (dryte) = scheet, stront, poep; ON dreet; WA driet
dreatan (drytan) = poepen; ON dreeten; WA drieten
dreatig = vies, vuil
dreatpol = WA drietpol = graspol op oude koeiepoep
drec = drek, mest, stront, modder
dreccarre = drekkar, strontkar, mestkar
dregan = dreigen; WA driegn
dregg = dreg, bagger; ZW dršgg; ME dredge
dreggan = dreggen, baggeren; ME dredge
dreggat = drecht, kreek = baggersloot, modderige sloot of geul; NV kreek; ME dredge
drell = rafel, vel, vrouw, meisje; AH drelle
drencan (drincan) = drenken, drinken
drenchus =A drinchus
Drenta (Trenta) = Drente
dreopan = druipen, vallen; ME to drop
dreor = treurnis, verdriet
dreoran = treuren
dreorig = treurig, verdrietig
dreosan = druisen, druilen, motregenen; WA droesen
drepan = treffen, slaan, doden
drifan = drijven, opdrijven, rijden; WA drieven; ME drive
drife (drift) = dreef, drift = brede landweg; KA drife; ME drive, driveway
drife = drive, drang, aandrang; ME drive
drifere = drijver, opdrijver, veedrijver
drift =A drife
drifwaeg (leadwaeg, utdrift) = drijfweg = weg waarlangs vee wordt gedreven
NB Grote Drijfweg in Armhude/Lochem
drinc (dranc, drinca) = drank
drinca =A drinc
drincan (drencan) = drinken
drincgield = drinkgeld
drinchus (drenchus) = drankhuis, bar, cafee, taveerne; WA drinkhoes; staat op achtererf
drincwaeter = drinkwater
drit = vuil, afval, poep, vaste mest; WA driet; ME dirt
dritan = drijten, poepen; WA drieten
drithus = wc; WA driethoes
dritig = vuil, vies; GD dorty; ME dirty
drobel = droebel = hoogte in drasland
drog (dreag) = bedrog; ON droge
drogan (dreagan) = ww bedriegen
drom = drum, trommel; ON drom; WA trum
drone =A dran
drop = val, galg
dropa = drop, drup, druppel
dropan = ww droppen, druppen, druppelen, druipen
drope (scurf, sceorf, scoref) = schurft; ON drope
dropian = ww druppelen
dropsan (draefic) = dropsen = # gras
droran = draaien, buigen
dros = drost = baljuw = rechterlijk ambtenaar; VW dros
drosan = verdronken; GD droon
drosian = zinken, bezinken, verdrinken
drosne = droesem
drubb (drubbing) = afranseling, afrossing; WA droeb
drubban = afranselen, afrossen; WA droeben
drubbere = vechtjas, geweldpleger, agressieveling; WA droeber
NB Droebersweg in Lievelde, Achterhoek.
drubbing =A drubb
druckan = drukken; WAoud drucken
drug (dryge) = bn droog; WA dreug; ME dry
drugad (drygad) = droogte; KA drugad; ME drought
drugan = ww drogen, afdrogen; ME to dry
druncan [dronken] = bn dronken; WA drunken; EF dronk; YK [dronk]
druw = droef; WA drow
druwig = droefig; WA drowig
druwnis = droefheid
dryan = ww draaien; WA dreien
dryctin = drochten, voortbrengen, maken, scheppen
dryddhan = beroven, plunderen
dryft = druft
dryftan = druften, behoeven
dryg (dryge, drug) = droog; WA dreug
drygad (drugad) = droogte
drygan = drogen, uitdrogen, verdorren
dryge (dryg, drug) = droog, dor, verdort; WA dreug
drygery = drogerij
dryhten = heer, landheer
drylyre = draailier (# muziekinstrument)
dryppan = ww druppen, druppelen
drys (dreas) = dries = braakland; ON driesch
drys (dreas) = dries = weide, grasland
dryscif = draaischijf (# pottebakken)
drytan (dreatan) = drieten, poepen
dryte (dreat) = driet, poep
-ds >A -des
duc = doek; ME duck
ducan = ww duiken; ON+WA duken; GD dook; ME duck
duce = bn gebogen; WA duke
duce = eend (# pluimvee); ON duker; ME duck
Duchteren {Ao 1547} = Dochteren (regio in Lochem)
duden = duiden, betekenen; ON duden, dieden; WA duden
dufe (thufe) [doef] = duif; KA dufe; WA duve, doeve
dufebeanan = duivebonen
dufelere = duivenvanger; ON doevelaar
dufepoll = duiventoren; AH duvenpoll
duff =A dufsten
duffel = wollen stof
duffer [doffer] = doffer = mannetjes duif
dufine (thufine) = duivenhok
dufsten (duff) = dufsteen, duivsteen, tufsteen
duga = hertog; NV doge; ME duke
dugan = deugen, nutten
dugd (dugudh) = deugd
dugudh (dugd) = deugd; ON daghet; WAoud dugent
dugudhan = deugen
dugudhig = deugdzaam, deugdelijk; WAoud dochtig
dugudhlic = deugdelijk
dugudhric = deugdrijk, deugdelijk; WA/Gro1605 doegentrieke
dugudhsum = deugdzaam
dul =A dull
dulan = huilen, brullen; ON dulen
dulc = dolk
dulcan = doodsteken
dulde (dilde) = gering, onbelangrijk; ON dulde
dulder (dolder, dilder) = klein onbelangrijk stuk grond
dule (dool) = greppel voor grensmarkering; VW doel
dulig = vies, vuil, smerig
dulig = wc, poepkot
dull = saai, dom, dwaas; ON dul; NV dul = boos; ME dull
dull = dul = dom persoon
dullan =A dollan
dullig = dom, dwaas, saai; VW dullig; ME dull
dumb = dom, stom; ME dumb
dumpan = dompen, doven; WA dumpen
dun (dune) = duin, heuvel; ON duna
dunc = donk = zandheuvel in moeras
dune {mv dunes} (dun) = duin
dune = beneden, omlaag; GD doon; MD doone; ME down > adune
dunland = duinland
dunsan = verpletteren, vernietigen; ON donsen; GD dunch
dunslaeg = vuistslag; ON donsslag, donslag
dunwind = duinwind; ON dunnewind
dunsan (bunsan) = bonsen, dreunen
dunse (bunse) = bons, dreun; GD dunsh
durc (dyrc, dorc) = durk = deuk, hoosgat; KA durc
durfan (durran) = durven, mogen; WAoud doerven
durfan (thurfan) = ww nodig hebben; ON durven, dorven
durra = durf
durran (durfan) = durven, wagen, tarten, uitdagen; ME dare
durran (dorran) = durven, wagen; ON durren, dorren
Durrekum (2014) = AH Doetinchem*
durron (dearran) = ww duren; WA durren
durst {AVA durran = durven} = dorst, durfde
duru (thur, dor, dore, duru, dyro) = deur; ON dore; TW dure, door; LT durys; > dore
dusa (dysa) = onderhout, struikgewas, kreupelhout; ON duse; VW deuse, dies, does, duis
dusan {dust, dost, dust} (dusigan) = ww doezen; TW doezen; ME doze
duse (dose) = zachte veengrond, mosveen; VW duus; WA duus, duis
dusig = doezig, slaperig; TW doezig >A doosig
dusigan =A dusan
duslan = ww duizelen; TW duuslen
duslig = duizelig; TW duuslig
dust = stof, poeder, stuifmeel; ON dunst; TW dost, doest
duste = zandvlakte; WA duste, doeste, doste
dustig = stoffig
dutan = plezieren, behagen
dute = genoegen, plezier; ON duut
dutt = deuk
Dutt = Dut, Doet (mansnaam)
Duttinchem {1233nC} = Doetinchem; AH Durrekum* (2014)
dwaeg = schoon; ON dwaag, dwaen
dwaegan = wassen, schoonmaken; ON dwagen, dwaen
dwael (thweal) = dweil, handoek, servet; ON dwale, dwael
dwaelan = dweilen, schoonvegen
dwaes = dwaas
dwalian = dwalen
dwellan = wonen, verblijven, uitwijden; ON dwellen
dwelling = woning
dweorg = dwerg; ME dwarf
dweomer = spuug, speeksel
dwilan = dwijlen
dwile = dwijl; NF dwile [dwail]
dwinan = verdwijnen, afnemen; ON dwinen; TW verdwienen
dwolan = dwalen; WA dwollen
dwolant = dwalend
dwoling = dwaling
dwolman = ketter
dwolness = dwaalnis
dwolsum = misleidend
dwyld = dwaling, vergissing
dyde {AVA ww don} = deed
dyderian = bedriegen
dydon (AVA ww don} = deden; WA didden
dyhtig = duchtig, flink
dyppan = ww dippen
dyrc >A dorc
dyro (dor, doro, duro) = deur
dyrre = dor, droog
dysa (dusa) = struikgewas, kreupelhout; ON duse
dysig = slaperig, dwaas; WA doezig
 
e::
e- = ge-; WA e-
VB: Angl.: enog = genog = NL genoeg; WA genog; AH/Neede enoeg; ME enough
ea = water, rivier, waterloop; ON Aa, Ae, Ee
ea (ay, ig, ey, a) in geonamen = eiland; KA ey
eac = ook; WA ok; SW ok; ME too
eac swelce = ook welke, ook, temeer
eacnian = toenemen
ead = geluk, bezit, rijkdom
eadig = gelukkig, rijk, gezegend
eadnis = gelukkigheid, rijkdom
eag {mv eagas} = ei; WA ai
eag (aeg, eather) = ieder; ON ieg; ME each
eaganbearth = twinkeling van de ogen
eagbour = eierboer
eage (oag, aeg) = oog, eiland; KA aog; ON ieg
eage (aog, aeg) = oog (# lichaam); KA aog; GR aog; DR oge; TW aoge, oag
LW aky (mv akys); GD eee > PgAng/Eibergen
eagebra (wencbra) = wenkbrouw; WA ogenbussel
eagebru = wenkbrouw; WA ogenbussel
eagethyrel =A aegethyrel
eagga = spitse punt; ON egge = spitse punt
eagil = egel (# dier)
eagle (aran) = arend, adelaar; ME eagle
eaglesthrep = arendsterp, arendsklif, arendsnest
eaglic (aeghwelc, eather) = ieder, iedereen; ON ieglic
eagre = waterkruik
eagth = bn echt, wettig
eagtha = eg, egge (# landbouw); WA eeghde, egede
eagtha {*AVA eagga + tha} = omheining, omheind veld, erf, nederzetting
eagtha = echte = band, relatie, huwelijk, groep; WA eeghde, egede
eagthan = ww eggen, bewerken met eg, effenen, glad maken
eagthan = ww echten, huwen
eagthed =A eagthod
eagther (egtir, hwethrae, mer, mar, mor, thogh) = echter, maar, doch, hoewel
eagthod (eagthed) = echtheid; KA eagthod
eagthyrel = AVA eag (oog) + thyrel (tuurgat) = raam
eahta (ahta) = tw acht; ME eight
eahtatene (-tyne) = achtien; ME eighteen
eahtatig (ahtatig, hundeahtatig) = tachtig; EF [aiti:]; ME eighty
eahtatyne (-tene) = achtien
eal (ael) = aal, geld, fooitje
NB aalmoes > ealmos
eal = gier, mestvocht; ON ael
eal = bn ijl
eal >A ael
eala = hela, hola, ho!
ealan = ww ijlen, verdwijnen
Ealba = Elbe (rivier)
ealc = elk, ieder; ME each
eald (ald, old, aold, auld, ould) = bn oud; KS eald; ON old, out; WA old, aold; SW oold
{} eald, ieldra (ouder), ieldast (oudste)
eald zn =A ealdorman
Eald Seaxe = Oude Saxen, Oud Saxenland
Eald Saxum = Oud Saxen(land)
ealda = oude, de oude
ealdar (ieldra) = ouder; GD aller
ealdars (ealdors, olders) = ouders; WA olders
ealdhafig = land dat van oudsher bij een hoeve hoort; WAoud olthovich
ealdor = ouder, hoofd, meester, heer, prins
ealdorbiscop = hogepriester
ealdorfaer = ooievaar; ON oudevare
ealdorman (eald, alderman, olderman, earl) = ouderling, bestuurder, hoofdeling, leider, raadslid, beheerder; KA ealderman; ON ouderman; WAoud olderman
ealdorman = olderman = gewestbestuurder > PgAng/Olderman, Ealdorman
ealdormanry (wist) = gewest > PgAng/Olderman
ealdormen = oldermannen, leiders
ealdors (ealdars, olders) = ouders; KA ealders; WA olders
eall = bn alles, heel, hele; ME whole
ealla = alle, allemaal, helemaal; ME all
eallniwe = heel nieuw
eallswa = heelmaal gelijk, op gelijke wijze
eallunga = allemaal, helemaal
ealman = vrachtboot met platte bodem; ON aleman
ealmessere (aelmessere) = geldbuidel
ealmos (aelmos) = aalmoes
ealmosnere (aelmosnere) = aalmoezenier; ON elemosinier
ealra = aller
modgast ealra = allermoedigst = moedigste van allen
eals (alor) = els (# boom); KA eals; ON elle; NW elle
ealt >A elt
ealu (alu) = ale, eel (# bier met weinig hop)
ealwaeg = ijlweg, snelweg
eam (aem) = water, rivier; KA eam; ON aam, eem
eam {mv eams} = oom; ON oem; TW eum
eama = tante, zoogmoeder
eamce = alleen wonende man; TW eumke, oomke
eamces = samenwonende mannen; TW eummkes, oomkes
eamp (aelmette) = mier; TW emp
eamprig = prikkelbaar; TW eamperig
eampt (gefeol) = gevoel
eamptig (gefeolig) = gevoelig, prikkelbaar; TW emptig
ean (eand, ent) = eind, einde; KA eand; WA ean; ON ent
eanc = enk, eng = aaneengesloten akkercomplex
eancland = enkland
eand (ean, ent) = eind, einde; KA end; AH ende; WA end, ean; ON ent; ME end
eanian = onen = lammeren werpen; ME yean
Eans (Ens, Aens) = Ens (mansnaam)
eap (eoppa, elm, gipp) = iep, elm, olm (# boom)
eapa = hakmes, bijl; TW iepe
eapa = bn driftig, flink, bezeten; DR iep; TW iepe
eapig = tobbend, piekerend; TW ieperig
ear = aar
ear = aarde
ear = zee
ear = bw eer; bn oer
earan = aren, oren
earbaerm = erbarmen, medelijden, mededogen
earbaerman = ww erbarmen over, ontfermen over
earbaermlic = erbarmelijk
earbaermlicnis = erbarmlijkheid
earbaermnis = erbarmen
earc = bn erg, slecht, boos, kwaad
earc (arce) = boog, bocht, brug, gewelf
earc = kist, kast, koffer
earc = ark, boot, woonboot
earc (boga) = boog (# wapen)
earceran = ww ergeren
earcere (arcman, bowman) = boogschutter; ON archier
earcig = bn+bw erg, vreselijk; WA arg
earcnis = ergernis, boosheid, kwaadheid
eard = aarde, land, homeland
earda (eorthe) = aarde
eardan (eardian, abidan, wunian) = aarden, wonen; > Whitware
eardh (ploh) = ploeg
eardhan (plohan) = ww ploegen
eardian =A eardan
eardig = bn aardig
earding = huis, woning
eardingstow = schuilplaats
eardling = aardbewoner, sterfeling
eardwaru = aardewerk
eardweorc = aarden wal, landweer (verdegingswerk van aarde en zand)
eare = oor (# lichaam); AU yuri, yeri; ME ear
earen = zn oren
earest (fyrst, forma) = eerst, eerste; TW ierst
earf (ierf) = erf, erfenis = huis met bijbehorende grond, stuk onbebouwde grond bij huis; ON herv; AH+DR arf
earf (ierf) = boerderij; DR arf, erf, boerderij
earfan (ierfan, earwan) = ww erven; ON herven
earfdael = erfdeel
earfgudh = erfgoed
earfhus = te verdelen boedel; ON erfhuus
earfhyr = erfhuur, erfpacht; ON erfhure
earflic = erfelijk; WAoud erblecht
earfnis = erfenis; ON erfnisse
earfodh = arbeid
earfothe = ellende
earfpeand = onroerend goed; ON erfpant
earfriht = erfrecht
earfsoone = deel te betalen zoengeld; ON erfsoene
earg = erg, laf, traag
earh =A arwe
earhring = oorring (# sieraad)
earig = erg, eng, vreselijk
earl =A ealdorman
earlapel = oorlepeltje
earm =A aerm
earm (aerm) = arm (# lichaam)
earm (aerm) = arm, zijarm van rivier of beek
earmhus (aermhus) = armenhuis
earmin (stoat) = hermelijn (# pesldier, bont); ON ermine; ME ermin
earmlic = armelijk, erbarmlijk, ellendig
earmod (aermod) = armoede, karigheid; WA armood
earmodig (aermodig) = armoedig, karig; WA armodig
earmodighed (aermodigheid) = armoedigheid
earmsarg (aermsarg) = armenzorg
earn [e:rn] (aran) = arend
NB Arnhem = Arendhem; Arnhems: Arnhem [Ernem]
earneste = ernst, ijver, inspanning; ME earnest = ernst
earneste = ernstig, ijverig; ME earnest
earnian = ww verdienen; ON arnen; ME earn
earpel (aerpel) = aardappel; WA earpel
ears (aers, ars) = aars, anus, achterste, billen; KA aers
eart = aard, wezen, zijnde, geaardheid
earwa = erwt; AH arfte; WA earwe; ZW šrter [erter]
earwa = erfenis; WA arwa
earwan = ww erven; WA arwen
earwasopp = erwtensoep; WA earwesoppe; ZW šrtsoppa [ertsoppa]
earwicga = oorworm (# insect), luistervink; ON orwurm; EF earwurm
eas = zn es (# landbouw); OE eas
easgrund = esgrond
easig = maklijk
easland = esland
easman = esman = bewoner van een es
east (eost) = oost, oostwaards; ON oest
easterne = oostelijk
eastlic = oostelijk
Eastran =A Eostre
Eastre =A Eostre
eastrihte = oostwaards
eastweard = oostwaards, oostelijk, ten oosten van
East-Angle = East Anglia (GB)
East-Saexe = Essex (GB)
eatha = brandturf; ON ede
eathelic = ettelijk, enige, niet gering
eather = ieder; AM eather
eatherane = iedereen
eathfeld = turfveld; VL eetveld
eathmedan = nederig
eathmod = ootmoed, nederigheid
eathmodan = vernederen, nederig maken
eathmodig = ootmoedig, nederig
eathmodlic = ootmoedig
eattic = azijn; WA ettik; DR eddik
eaw = eeuw; WA ew
eawa = eeuwige waarheid, wet, geloof; ON ewe
eawbenc = rechtbank
eawberie = bosbes (# vrucht); WA eewbeern
eawig = eeuwig; WA ewwig
eawman (ewman) = rechter, priester
eax =A asce
eaxl (aermpit) = oksel
eaxtar (agu) = ekster
ebba = eb (getij); WA ebbe
ebba = ebbe (# boom)
ebentreo = ebbenboom
ebenyf = ebbenhout; ON ebeen
ec {mv eci} = eeuw
ec [Ťk] (aeg) = ei; ME egg
-ec = -ig >A -oc
ecan = ww uiten
Ecberghe = Eibergen > PgAng/Eibergen
eccel (aecer, aeccel) = eikel (vrucht van eikeboom); ME acorn
eccere = eierboer
eccle = parochie; AV Latijn eclesia
ece = eik, eikeschors; AH eek
ece (aiwig) = eeuw, eeuwig
ecenama (necenama, nece) = roepnaam, bijnaam
ecg = eg, egge; ON egge = eg, hoek; ME edge
ecg = scherpe punt of kant (van mes e.d.), hoek
eci = eeuwen
ecnis = eeuwigheid
ectir =A egtir
eodan (gan) = ww gaan
eec =A aec (eik)
ef =A iw
efel (yfel) = kwaadaardig, slecht; KA efel; ON evel; ME evil
efen (efne) = even, gelijk
efenealan = evenaren
efeneald = evenaarde
efenfull = evenvol, evengoed; WAoud evenvolle = evengoed
efencneow = evenknie
efenlaecen = gelijken, lijken op, overeenkomen, imiteren
efnan = effenen, even (gelijk) maken; >A efen
efne =A efen
efne = pas op, inderdaad, juist; DT eben
efsian = haar afknippen
eft = alweer, nadien, toen, terug
eftir = nadat, echter > aefter, egtir
egan =A aegan (eigen)
ege = vrees, angst >A egesa
mid micla ege = met grote angst
egelyc = vreselijk, afschuwelijk
egesa = vrees, schrik; >A ege
egeslic =A egelyc
eglan = bedreigen, pijnigen; ME ail
Egmunda = Egmond
egon =A aegan
egtir (eaghter, hwethrae) = echter
ehta = aanklacht
ehtan = aanklagen
ehtere = aanklager
ehtstol (ethelstol) = etstoel, rechtbank
-el (-le, -lah) = laagte
Widaplah (Wideplo, Weppele) = laagte bij groot meer; oude buurt in Zelhem
-el (-le) = -lo, -lo; VB Beantel = Bentelo/Twente
-el (le) = bos
NB Angl. gorel (moerasbos, veenbos) afgeleid van Angl. gor (moeras)
-el (-le) = -je, -tje, klein
VB AN: strepel = streep, smal strook land
elc (ilc) = elk
elch (elka) = eland; KA elch
elcor (aens) = anders
ele (oyl, oly) = olie
elka (elch) = eland
ellaern (aelhorn, flear) = vlier (# struik)
elle = berk (# boom); KA elle; ON elle; DR elle; NW elle; MD elle
NB Ellenbeek: lange weg in Schoonebeek/Drente met aan weerszijden alleen maar berken. FRI/5.4.2015
ellebroc = ellenbroek = broekland waar veel berken groeien
elledun = ellenduin = duin waar veel berken groeien; OE ellendun
ellende (allinde) = ballingschap, ellende; KA ellende; EF [ellende]
elles = anders, overigens, elders; ON els; ME else
ellor = naar elders
elm (aelm, eap, eoppa) = elm, olm, iep (# boom)
Elmedas = Anglische stam in Elmedsaetna (N. Mercia)
Elmedsaetna = woongebied Anglische stam Elmedas in Noord Mercia
eln = el (lengtemaat) = circa 70 cm.
elna (endleofon) = tw elf; TW elne
elnboga = elleboog (# lichaamsdeel); DR elboog; TW elboam; ME elbough
elnhund = elfhont = stuk land van elf hont groot
elnmaet = ellemaat = meetstok
elpenban = olifantbeen, ivoor; ON elpenbeen
elpend = olifant; ON elpent
elra = elders; ON elre
elsholt = elzenhout
elsmars (elsmors) = moeras waar veel elzen groeien
elsmors =A elsmars
elswear = elders; ON elswaere; ME elsewhere
elt (ealt) = uit, buiten
-elt bij veldnamen: = uitgang die duidt op de aard van bodem of begroeiing. VB Nattelt en Sappelt = nat, drassig land. Haselt = veld waar vele hazelaars groeien. Gagelt = veld waar veel gagelt groeit.
eltheodig = uitlandig, elders
eltheodignis = buitenlands, uitlandigheid, verbanning
Eltnon {944nC} = Elten/Emmerich
emes = iemand; AH emes
Emetha (Emissa) = Emden (# OstFriesland)
Emissa =A Emetha (Emden)
emna (empna, emnaeth amna, ampna) = vlak laagland; EF emnet
emnaeth (emna, empna, amna, ampna) = vlak laagland; EF emnet
emp = bn goed; LC emp
emperig = eigenwijs; AH empereg
empig (eamptig) = gevoelig, teer; TW empig
empna =A emna
emps = bn beste; LC emps
enc = enk = hooggelegen bouwland
ence = duimbrede wond; ON enke, inke
end (and) = en
-end = -end; WAoud -ent; VB belerend
ende (inde, aynde, ayn) = end, einde, rand, zoom; ON ende; WA ean; WAoud ende; ME end
endebyrdan = ww ontlasten > byrdan
endebyrdnis = ontlasting, verlichting
endemes = eindpunt
endemeslic = eindelijk
endewaenda = eindpunt van een akker waar de ploeg gekeerd wordt; VW anewenne; WAoud endewende
endian = ww eindigen, sterven
endleofon {AVA end(eind)+leofon(leven)} (elna) = elf; WA elf, elne; ME eleven
endleofta = elfde
ened = eend (# pluimvee)
Eng- (Ang-, Ing-, Ong-, Ung-) = inkorting van de term Engle (Angle, Angel)
VB England = land der Angelen. > PgAng/Enge
enge = eng, nauw, krap
Engel (Angel) = Angel
Anglisch voor Angel = lid van de Germaanse stam der Angelen.
Deze term wordt ook vaak gebruikt als regionaam of onderdeel daarvan. Zowel in in het verre verleden in Engeland, maar nog steeds op het Continent.
engel = engel
Engislingi =A Angelslengi
Englaland = Engeland
England = Engeland = land waar voornamelijk Angelen wonen; ON Engelant, Ingelant; DN Engeland; > PgAng/Engeland
Engle (Angle, Ingle) = Angle (Engeland), Angelen (volk)
Engleman (Angleman) = Engelman = Anglische man, Angel
Englisc (Anglisc, Aenglisc) = Engels, Anglisch, Angels; ZW Engelsk
Englum (Angle) = Engeland = land van de Angelen
Englum = Angelham = woonoord van Angelen
englewyrtal = engelwortel (# kruid)
engta = engte, nauwe doorgang
enig (aenig) = enig, iemand; > naenig
enion (cipel) = ui; ON enioen
enog =A enough
enough (enog, genog, genough) = genoeg; KA enough; ON genough; WA enog, genog; AH/Neede enoeg; ME enough
Ens (Eans) = Ens (mansnaam). NB Ensing, Ensor, Enschede, Enske
Ensce = Enschede; WA Enske
Ensham = gehucht in Oxfordshire; AVA Aegenesham = Anglisch aegan (eigen) + ham (heem, oord)
ent >A eand (eind, einde)
enta =A* ent (einde)
envi = afgunst; ON envie
eo [eu] = pv u, je; WA oe
eo = die, gene > Whitware
eode = gaande
eodon = gaanden, zij die gaan (AVA gan = gaan)
eodor = omheining, hof
eofel (yfel, afel, ofel) = euvel = slecht; KA yfel; ON evel; WAoud euvel, ovel
eofelgunne = slecht land
eofor = ever, everzwijn
eoh (hros, hors) = paard
eolh = eland
eom = zijnde, wezende (AVA sin, wesan) >A wesende
eoppa (eap, ep, elm) = iep, olm (# boom)
eordberie (streawberig) = aardbei (# vrucht)
eorl = edelman, vorst, krijgsheer; ME earl
Eorlingas = volk van Eorl; > PgAng/Eorlingas
eorlscype (-scipe) = leiderschap
Eorman = Ostrogoten = volk in Zuid Rusland sinds circa 410nC
eornost = ernst
eornostig = ernstig, serieus
eornostlic = ernstig, serieus
eornostnes = ernstigheid, serieusheid
eorthbuend = aardbewoner, man
eorthe (earda, orette) = aarde, wereld; ME earth
eorthfaest = aardevast, stevig
eossa = dakrand; VL euzie
eost (east) = oost; ON oest
Eostre = godin van de dageraad > PgAng/Eostre
Eostre (Pasce) = prťchristelijk Paasfeest van de Angelen > PgAng
Eosturmaent = april
Eosturmonath = april
Eosturn = hoogtepunt van Eostre > PgAng
Eosturtide = paastijd
eow = pv uw, jouw; WA oew; AH ow
eow (iw, ew) = ijf, taxus (# boom); KA iw; ON eef, ief; WA ief; WAoud iew, yw
eowa =A eow, iw
eowan = ww eeuwen = weiden, voeren
eowan = ww grazen, begrazen
eowe = uw; WA oene
eower = bz uwer; VW oewer
eowhurst = horst die begraasd wordt
eowian = tonen, showen
eowland = eeuwland = schrale weide
eowland = begraasd land, grasweide; VW eeuwland; VWoud eeulant
eowta = AVA eow (ijf, taxus; WA ief) + ta (veld) = veld met ieven; > PgAng/Eefde
eowu (ewa) = ooi (vrl schaap)
Eowum = Avionen(-land)
ep = iep >A eoppa
epistola = epistel, brief
eplin = kamille (# kruid); ON epelijn
Eppensolre = Eppenzolder/Haaksbergen
Eppingehuse = Eppenhuizen)/N.Groningen
-er {bij namen} = iemand of iets verbonden met ...
-er {bij namen} = iemand of iets van/uit ...
VB Bonner = iemand van/uit Bonn.
-er {bij zn en namen} (-an) = van, horend bij
-ere (-lere) = -maker, -doener, -houder, -zijnder, -eigenaar, -bewoner e.d. VB:
- mylnere = molenaar; > PgAng/Beroepen
- fiscere = visser
- hammere = eigenaar of bewoner van een ham (huis)
- borgere = burger; ON borger
Ernem (Arneym) = Arnhem
erra = verwarring, vergissing; ON erre; ME error
erran = ww verwarren, vergissen
-ert (-art) = -ert (aard): zegt iets over de aard of geaardheid. BV gesteldheid van grond (land). VB stobbert = veld met veel stobben (boomstronken)
-ery (-lery) = -erij, wat erbij hoort, gedoe; vb fiscery
Eryen {1381 AD} = ArriŽn bij Ommen
esan = ww eisen; ON esen
esol (assa) = ezel
est = gunst > unnan
-est =A -ast
etan (ettan, attan) = ww eten; WA etten, atten
etery = eterij, eethuis, restaurant
eth (hithe, hythe) = have, hoeve, haven; komt voor in locatienamen
ethe = ette, edelman
ethel = geboorteland, thuisland
ethel (aethel) = bn edel
ethelfraw = edelvrouw = adellijke dame
ethelman (aethelman) = edelman = adellijke heer
ethelstol (ehtstol) = etstoel = adellijke raad
ethus = eethuis, restaurant; WA ethoes
etlic = ettelijk
ettan (attan, etan) = ww eten; WA etten
ettan = ww etsen
eume = inwonend ongehuwde oom; TW+AH eume
ew (eow, iw) = ijf, ief = taxus (# boom); KA iw; WA eef; VW iew, yw; ME yew [joew]
ewa (eowu) = ooi, vrl schaap
ewaeg (onwaeg, onweg) = onderweg, op weg, weg (afwezig); KA ewaeg; ON ewech, onwech, onweach; ME away
ewe = geloof, wet; ON ewe
ewer = pot, kan
ewholt = iefhout, taxushout, iefenbos
ewing = orderhandhavers, politie > PgAng/Politie
ewman (eawman) = priester
exter = ekster (# vogel)
ey {mv eyan} (aeg) = ei; TWoud ai
ey (oe, aeg) = eiland of hoogte in moerasgebied; TWoud ey, eye; OE ey
NB1 Beverey (bevereiland) bij Worcester >A Beverey; > PgAng/Beverey
NB2 Swaney (zwaneneiland) in Hannover
NB3 Eybergen op kaart HTN/1783 > PgAng/Eibergen
NB4 Eeie/Hengelo/Twente op kaart HTN/1783
-ey (ay, ig, ea, a) in geonamen = eiland; ON oog; #WAB/p66, DAB
yfel =A efel (kwaadaardig, etc)
eys {ev ey} = eieren, eilanden, ogen
eymar (amber) = (houten) emmer; ON ymmer; WA eimer
NB Eimerweg in diverse regio's NO Nederland. Emmerweg in Bronkhorst. Mogelijk betekent eimer/emmer hier iets als een gat met water. Vergelijkbaar met panne = pan = kookpan, grote ronde laagte in een vlakte.
eyn (ayn) =A aegan
eyns =A aegenes
eyse (ayse) = tevreden, vrolijk, gemak; KA eyse; ON eyse, ayse; ME ease
eysig (aysig) = gemaklijk
 
f::
f- ze v-
fa (da) = vader; AH va; NV va; EAoud fa
fadian = ww opdragen, beschikbaar stellen, regelen
fading = opdracht, overeenkomst
faec = vak, ruimte
faec = bw vaak; AH vake
faeder (faedre) = vader; KA faeder; SH fadder; GD fathor; OI athir; ME father
faedhm (faetm, faem) = vadem = omarming, schoot, el = 2 gestrekte armen lang
faedre (faeder) = vader; KA faeder
faegan = ww vervagen
faege = vaag, veeg, verheugd, blij
faege = veeks; AH vaege
faeger (faegre, feager) = mooi, prachtig; KA feager; ME fair
faegnian = verheugen
faegre =A faeger (mooi, prachtig)
faehdh = vete
fael (hid) = vel = veld van van 1 hid (landmaat) >A hid; WA vael, val
fael = veld, weide; WA vael, val
faelre = bn trouw, dierbaar
faem =A faethm; ON vaam
faemce = meisje, jonge meid; WA femke
faemne = maagd; LN femm = jonge meid
faene = leeg, ijdel, maagdelijk; ON vaene
faene = maagd, leeg ofwel maagdelijk land; ON vaene
faer = list, vrees, gevaar, bedrog; ON vare; ME fear
faeraer = vaderaar: roggehalm met 3 aren; AH vaaraoere
faeran = ww vrezen; ME fear
faerarda = veldtocht, krijgstocht, campagne
faerarda = grond aan einde van akker, waar men kon keren met de ploeg; WAoud vaerehrde
faerlic = gevaarlijk, plotseling
faerr = jonge stier; ON varre
faerring = fokstier; ON varrinc, verinc
faers (farrow) = vaars, stierkalf; KA farrow; AH veerze
faerbu = verf, kleur
faest = betrouwbaarheid, zekerheid, bevestiging; ON vest
faest = vesting, bolwerk, burcht; ON vest
faest = kooi
faest (faeste) = bn vast, ferm, snel; MD fast
faestan = ww vasten, vastbinden, versterken, steunen, bevestigen
Faestanaefen = Vastenavond; WAoud vastelavent
faeste = vast, zeker, vast en zeker, vast wel
faesten = vesting, fort
faestenstead = vestingstad
faestlic = vast, vast en zeker, zekerlijk
faet (fatu) = vat, vaat (# boot)
faet = vat, opslagplaats; ON vat
NB Assevat (Teuge) = opslagplaats voor as, gebruikt als mest op land.
faetfisc = vetvis (# zeevis); ON vetvisch
faethm (faedhm, faem) = vadem = afstand tussen linker en rechter vingertoppen bij gestrekte armen = circa 1.75 meter
1 vadem hout = 6 voet
faethmian = omarmen
faett = vet, smeer, traan, olie; ME fat
faett = bn vet, vettig
faett = bn vet, rijk, vruchtbaar, winstgevend; ON vet
faett weda =A faettwede
faettan = ww vetten, invetten, vetmesten
faettclump = vetklomp = klomp gestolt vet
faettcopere = vetkoper, vethandelaar
faettcopery = vetkoperij, vethandel
faettcorb = vetkorf = korf met vetklompen; WA vetkoarf
faettig = vettig
faettmakere = vetmaker, vetbewerker
faettmakery = vetmakerij = bedrijf dat vet koopt, zuivert en verkoopt
faettnis =A faett; ON vetheit
faettprise = slachtvisite = borrelbezoek bij geslacht varken; WA vetpriezn
faettreade = vethandel
faettreadere = vethandelaar
faettwaere = handel in vet, olie en smeer; ON vetware, vettuware
faettweda = vetweide = weide van beste kwaliteit
faettwerc = vet voedsel; WA vetweark
fagan =A feagan
fage = bn vaag, veeg, nep
fah = vogelvrij; ME foe = vijand
fahnian = ww kwispelen, kwispelstaarten (# honden)
falbrycg = valbrug, ophaalbrug; ON valbrucge
falca = valk; ON valke; ME falcon
fald = vaalt = omheining, omheinde ruimte
fald = vaalt = omheinde grond waar vee overnacht, open veestal
fald = vaalt, afval, mest, mesthoop
falda = geval, voorval
faldbac (fuylbac) = afvalbak, vuilbak
faldore = valdeur, valluik; ON valdore
falga = bouwakker
fals = bn vals; ME fals
falt =A feald
falter = verandering, variatie; WA falderatie
falteran = ww veranderen, vallen, struikelen, stotteren, twijfelen; WA falderen
-faltha = -voud; vb veelvoud van iets
famys = fameus, beroemd; GD famish; ME famous
fan (aef) = bz van
fana (fona) = vaan, vlag
fanc = vangst; ON vanc
fandian = ww proberen, testen
fangan {fangt, feng, fangan} = ww vangen; MD fang
faran (fearan, feran, ferian) = varen, reizen, sterven
fard =A ferd
farewel = vaarwel; ON varewel; ME farewell
farle (farrel) = vierde deel; VL varle, farrel
farrow (faers) = vaars; KA farrow; ON varre = stierkalf, jonge stier
fars = bn vers; ON varsch
fase (vase) = vaas, bloemenvaas; KA fase; ON vase; DR vaze
fasna = soort gras
Fasna {891nC} = Vaassen/Veluwe
fatu =A faet
fauta = fout, gebrek; WAoud faute
WAoud sonder faute = zonder gebrek
fea = vreugde
fea (feawa) = weinig, enkele
feaca = vals, bedrieglijk, nep
feacan = faken, bedotten, doen alsof, neppen; ME fake
feace = bedrog, nep
feagan (fagan) = ww vegen
feager (faegre) = mooi, tamelijk, schoon, blond; KA feager; MN fair = eerlijk, oprecht, sportief; OE faegre; ME fair = eerlijk, sportief
feager = veger, borstel
feagere = veger, schoonmaker
feagernes = fairnes, eerlijkheid, sportiviteit; ME fairness
feaht = vecht, gevecht >A feohtan
fealan = ww vouwen
feald (fald, falt) = veld, heideveld, omheinde ruimte; WA vaalt, vaelt, valt, vaelde; WAoud felde; ME field
NB Vaalt (famnm Twente), Vaaltweg (Borne), Valthe (Drente), Valthermond (Drente).
feald (falt) = hoop, stapel, berg; WA vaalt
VB Een feald (= hoop) turf.
-feald = -voud; VB AL manigfeald = menigvoud
fealdan = ww vouwen
fealic = veilig; ON velic, velich
fealicness = veiligheid
feall = val, herfst; GD fall
feallkyl = valkuil
feallan {feoll, feollan} = ww vallen; GD faa, faal; ME fall
fealo =A fealu
fealu (fealo, fela) = bn vaal, bleekgeel, bleekrood; ON valu, vael
feam = veem = gerecht, rechtbank; ON veme, veem; WA vem, vemme
feaman = ww veroordelen; ON vemen
feancal = venkel (# kruid)
feandrig = vaandrig, vaandeldrager; WAoud venderich
De vaandeldrager draagt in de strijd steeds duidelijk zichtbaar het vaandel van zijn land of regiment. Daardoor weet een soldaat altijd waar zijn makkers zijn.
feanigreac = fenigrek; # venkel; ON fenigreec
feant = vent
feantan = ww venten, verkopen; ON venten
feantdaeg = marktdag; ON ventedach
feantere = venter, verkoper
fear (feor, feorn) = bn+bw ver (# afstand); ON ver, var
fear (feri) = veer, veerboot
fearan (faran, feran, ferian) = ww varen, reizen, trekken; ON vaeren
fearbot (fearscip, fear, feri) = veerboot
fearc (veark, fearh, pigge, etc) = varken; WA verk, verken
fearccepere = varkenshouder, varkensboer
fearchodere = varkenshoeder
feard (ferd, fard) = vaart, tocht, reis; ON vaert, vart, vert
fearde (ferde) = verder, elders; LB vurther; KA fearde; ME further
feardeanst (ferideanst) = veerdienst
fearend (ferend) = reiziger, soldaat
fearh (fearc, pigge, etc) = big, varken; ON verre, verken
fearhus (ferihus) = veerhuis
fearman (feriman) = veerman
fearn = varen (# plant); ON vaerne, varn
fearnholt =A fearnwud
fearnoule = nachtzwaluw (# vogel)
fearnwud = varenbos = bos waar veel varens groeien
fearr = vaar = jonge koe tot 2 jaar, onbevruchte koe
fearscip (fearbot) = veerboot; ON veerschip
feartre = lijkkist; ON fiertre
feasta {mv feastas) = feest; ON feeste; LB fist; ME feast
feastan = ww feesten
feaw (feawa, fea) = weinig, enkele; ME few
feax = haar
feccan =A fetian
feccean =A feccan
fedan = ww voeden
fedan = vandaan, verder; WA vedan
fedosaemhod = onvoordeligheid, verspilling; AH vedozaamheid
fegan = ww voegen
feht = vacht
fel =A fell
fel (fela) = bn vaal
fela (fel, fealo) =A fealu (vaal, etc)
fela (ful) = veel, vele; WA veul; WAoud velle; AH vŁl, vŁlle; EZ veel, vili; OD vil
felan = ww voelen; WA veulen
Felaowa (Felua, Valouwe) = Veluwe
feld (folde, -tha, -ta) = veld = vlak en open land, onbebouwd of woest land; KA feld
feldacre = veldakker = akker buiten het ontgonnen gebied
feldarmey = veldleger
feldcaemp = veldkamp =A feldacre
felddaeg (landdaeg) = vergadering van afgevaardigden van een regio, i.b. gouw
felddic = velddijk = dijk langs akkers; WA velddiek
feldhere = veldheer
feldman = boer; ON veltman
feldmusc = veldmuis
feldofen = veldoven = oven om keramiek of stenen te bakken
feldscure = veldschuur = vrijstaande schuur op afgelegen veld
feldtoga = veldtocht
feldwaeg = veldweg = buitenweg; ON veltstrate
feldweard = veldwachter
felg(e) = zn velg; ON velghe
feling (gefeol) = gevoel
fell = vel, huid, vacht, bont; ON fel, velle = vel, vacht, bont, perkament; ME fell
fell = klein veld
NB Streektaal Harvel = Harreveld/Achterhoek
fell = heuvel, helling; GD fell
fell = heideveld, stuk heideland; ON fel, vel
Vel/fell komt voor in locatienamen als Harvel (= Harreveld/Achterhoek), Angelsvel (Eemsland) en Brunt Fell (Staffordshire).
fellan = ww vellen, neerslaan; GD fell
felt = vilt
Felua (Felaowa, Valouwe) = Veluwe
fen = ven, veen; WA ven, venne; AH/Harreveld von
fen = heideplas, heidepoel; WA ven
fen = slijk, moeras, niet maaibaar weiland
fenbaes = veenbaas = veenboer, veenopzichter
fenbour = veenboer
fenbrigge (cnuppelwaeg) = veenbrug = brug van boomstammen in drasland > PgAng/Kyllot
fencel = bocht, hoek; GD fenkle
fenbusk = veenbos
fendery = veenderij
fenhut = veenhut = hut of huis op 't veen
fendic = veendijk
feng = ving >A fangan
feng to rike = kwam aan de macht
fengon = vingen; >A fangan
fengrund = veengrond
fengyr = veengeur, veenlucht
fenkyl = veenkuil, veenplas; WA venkule; WAoud vennekuelen
fenland (bogland) = veenland
fenman (fennere) = veenmaan, vervener, veenwerker; WA venneman
fenmor = heel drassig veen; WA venmor
fenn = ven, veen, slijk, moeras, drasland, natte weide; ON venne, vinne; AH venne
NB The Fenns: uitgestrekt moerasgebied in East Anglia.
fennel >A vennel
fennere (fenman) = vervener
fenpluse = veenpluis (# moerasplant)
fenpyt (petgeat) = veenput, petgat
fenslath = veensloot
fenwaeg = veenweg
fenwic = veenwijk = deel van veengebied afgegrensd door veensloten of veendijken
feoh (fihu) = vee, geld, bezit
feohbigenga = veehouderij
feohgehat = geldbelofte, betalingsbelofte
feoht (fight, gefeoht) = gevecht; KA fight
feohtan (fightan, fuhton) = vechten; KA fightan; ON vichten; ME fight
feohtan = ww feuten, pesten
feol (fil) = vijl, vent
feolaga = makker, kameraad, collega, partner, kerel, vent; ME fellow
feolan = ww velen, ondergaan, doorstaan
feolian = ww vijlen
feoll = viel >A feallan (vallen)
feon = vreugde
feon = gekartelde pijlpunt
feonan = ww verheugen, vieren, feesten
feond (fiend) = vijand
feonde = vreugde
feondscip = vijandschap
feonian = ww haten
feor (feorr, fear, feorn) = ver, verweg; ON ver, var; WAoud veer
feor =A feower
feordeal = vierde deel; WAoud verdel
feorh = zn leven
feorm = diner, etentje, banket, feest
feorn =A feorr
feorr (feor, feorn, fear) = ver, verre (# afstand); ON ver, var
feorscear = vierschaar > PgAng/Vierschaar
feortha = bn vierde
feortha = wind, scheet; GD fardin; ME farthing
feorthan = ww winden (scheten) laten
feorwertyne niht = veertiende nacht = veertien dagen
feotor =A fetor
feower = tw vier; SH feer; TW+AH veer; WAoud voer; GD fower; ME four
feower thusend wera = vierduizend soldaten
feowertig = tw veertig
fer- = ver-; VB AL ferdeorvan = verderven
Fer- {in familienamen} = Ver- (Vrouwe), Van der
fera = gezel, metgezel, maat
feran (fearan, faran, farian) = ww reizen
ferd (feard, fard) = vaart, tocht, reis; ON vaert, vart
ferde (fearde) = verder, elders
ferdeanan = verdienen; DR verdenen; TW verdeenen
ferdreat = verdriet; AH vedreet
ferend = reiziger, soldaat
feri = veer, veerboot
ferian (fearan, feran, faran) = ww varen, dragen
feribot = veerboot
ferihus = veerhuis; # wachtlokaal
feriman (fearman) = veerman
ferdeorfan = verderven
ferlaet = verlaat, sluis, vrijstelling, kwijtschelding; ON verlaet
ferleddan = verleden; WA verledden
fers = zn vers
fersc = vers, fris, nat, vochtig
fersconan = verschonen
ferslett = versleten; WA versletten
fersliccan = ww verslikken
fert (ford, lade) = voorde = doorwaadbare plek in beek of rivier; KA ford; ON fort, vort, foord, voort, vert; VT/US,UK/YK [fert]
ferth =A freth
ferwan = ww verven, kleuren; ON verwen
ferwe = verf, kleur; ON verwe
ferwere = verver; ON verwere
ferwery = ververij; ON verwerij
fesant = fazant (# hoender)
fespear = vesper = middag 15-15.30u
fest = vast, vastgelegd
fetel = gordel
fether = veer (# hoenders, vogels); ON veder; WA feer
fetian (feccan, feccean) = ww vatten, grijpen, pakken, halen; ME fetch
fetor (feotor) = veter, ketting, keten, band, snoer, boei; ON veter
fettan = ww vatten
fette =A fetian
fic = fijt = vijgvormige zweer; ON fijc
ficc = fik, brand
ficcan = ww fikken, branden
ficol = wispelturig
fidhelan = videlen = viool spelen
fidhele (fithele) = vedel, viool; KA fidhele; ON vedele; DR fidel; TW fidel; ME fiddle
fidhelere (fithelere) = violist, vioolspeler; KA fidhelere
fidleg = ijzeren ring rond stookgat
fiend (feond) = vijand
fierd (fyrd) = leger, militie, campagne
fierlen {AVA feorr} = ver, veraf
fierdwise = legerorder
fiergen = gebergte, bergen
fierst = periode, tijd
fif = tw vijf; WA fief
fif scipum = vijf schepen
fifalder = vijfwouter = vlinder
Fifle = Fivel = rivier in Groningen
fiftig = tw vijftig
fight (feoht, gefeoht) = gevecht; KA fight
fightan (feohtan, fuhton) = vechten; KA fightan; ON vichten; ME fight
fih (fihu) = vee; WAoud vehe, vie
fihbot = veeboot
fihbour = veeboer
fihbredar = veehouder
fihbredary = veehouderij
fihhus = veestal; WAoud/Emmen veehus
fihscure = veeschuur, stal
fihu (fih) = vee; WAoud vehe, vie
fihweda = veeweide; WAoud veheweide
fil (feol) = vijl; WA viel
filaga = filage, steekpartij
filagan = fileren, doodsteken
fince = vink; ON vinke; WA vinke; ME finch
fincere = vinker = vinkenvanger
findan {fon, fondan} = ww vinden
findere = vinder
findling = vondeling; ON vundling
fine = bv fijn; ON fijn; TW fien; AG fene
finger = vinger; ZW finger [fienger]
fingerpal = vingerpaal = wegwijzer
finn = vin
finn =A fenn; ON vinne (veen)
finol = vennel = kruid met gele bloemen
firmery = ziekenzaal; ON firmerie
firsc (fyrst) = vorst
first (fyrst, nocc) = dakvorst, nok
firum = bn fier
firum foldu = fiere velden
fisc = vis; ON visk, visgh; ME fish
fiscan (fiscian) = ww vissen; ME fish
fiscbot = visboot
fiscbour = visboer
fiscdrygere = visdroger
fiscdrygery = visdrogerij
fiscere = visser, viswinkel; WA visker
NB Viskerweg in Gelselaar (Achterhoek)
fiscerman = visserman, visser; ME fisherman
fiscery = visserij; ON vischerie; AH visseri-je; ME fishery
fiscfraw = visvrouw; ON/Gro visfrau
fischoc = vishaak
fiscian (fiscan) = ww vissen
fiscline = vislijn = lijn met vishaak of -haken om vissen te vangen
fiscmaerct = vismarkt
fiscnett = visnet
fiscsceopa = viswinkel
fiscwielle = visrijk
fiscsteall = visplek, plek waar gevist wordt; VW visstal
fisician = dokter; ON fisicien
fit = fijt = zweer
fithele =A fidhele
fithelere =A fidhelere
fitt = fit, gezond; ME fit
fittan = passen, voegen, rangschikken, goed zetten; ON vitten
fittnis = fitheid
flacca = vlak
flaeca = vlaak = zandvlakte, zandplaat; ON vlake
flaed (fleda) = schoonheid, knapheid, knap persoon
flaed = bn vlak, plat
flaeda = vlade, platte koek
flaega (flage) = vlaag, windvlaag, rukwind; KA flaega; ON vlage; SW flaga; ME flaw
flaegstaef = vlaggepaal
flaer = glooiÔng; ON vlaer
flaeran = ww vlaren, oplaaien, opvlammen, glooien; ME flare
flaerup = hoogte; SH flarup
flaesc = vlees; ON vleesc; WA flesk; ZW flšsk; ME flesh
flaescbenc = vleesbank = bank of tafel waarop vlees ligt ter verkoop
flaeschowere = slager; ON vleeschouwere
flaeschus = slachthuis, slagerij; ON vleeshuis
flaescman = slager; ON vleescman, vleischman
flaescsopp = vleessoep; ON vleeschsoppe
flaess = vlaas = poel, plas, heideplas; AH flesch; Leuven/1483 vlaesch; LM vlaas; VW fles; ME flasshe. NB De Flesch in GrootDochteren/Lochem; Gerrits Fles in HoogBuurlo/MiddenVeluwe
flaga = vlaag; ME flaw
flage =A flaega
flagga = vlag; ON vlaghe; WA vlagge; ME flag
flah = bedriegelijk
flahan = ww vleien
flakan = ww vlokken, vonken, vlonken, vlakkeren
flake = vlok, vonk, vlakkering
flambow = flambouw, fakkel
flamma = vlam; ON vlamme; WA vlamme; ME flame
flanc = flank
Flardinga = Vlaardingen
flaw = flauw, uitgeput, laf; ON flau; WA flow
flawceol = flauwekul; WA flowculle >A ceolan
flayan = ww vleien
flayere = vleier
flead = vliet, vloed
flead (fleat) = vleet = veel voorkomend
fleadan = ww vlieden, stromen
fleadher = vledder = drasland, nat grasland; DR vledder; GR fledder
NB vledder = drasland tussen laag- en hoogveen
fleah = vlo, vlooi; ME flea
fleahbac = vlooienbak (# scheldwoord)
fleahan = ww vliegen
fleam = vlucht
fleaman (fleon) = vluchten, vlemen, vleien
Fleamsc = Vlaams, Vlaamse munt; WAoud Fleemsch, Vleemsch
flean = villen; ON vlaen; ME flay
flear = flier, vlier = laag drasland, moerasveen; TW vleer
flear (ellaern, aelhorn) = vlier (# struik); WA flier, vleer
flearbeam = vlierboom; WA vleerboom
flearblom = vlierbloem = bloem van de vlierstruik (# kruid)
flearbusk = vlierbos
flearc {mv flearcs} = vlerk, vleugel
fleardrinc = vlierdrank = drank gemaakt van vlierbloemen en -pitten; schijnt zuiverend te werken
flearholt = vlierhout; WA vleerholt
flearpithe = vlierpit = zaad van de vlierbloem
flearta = flierte, fliert = veld met vlierbomen; WAoud vleert
fleasc = fles (# drank); WA vlesk; LN [fleasc]; ME [flaesc]
fleasc = plas, poel, meertje; VW fles; VWoud vlesk, vlaesc
fleat (fleot) = vleet = veel voorkomend
NB bij de vleet
fleat = vleet = visnet
fleat (fleot, flyte, flit) = vliet = stroompje, riviertje; WA vleet
fleatmaed = vlietmaat = hooiland aan water
fleax = vlas; ON vlasc, flas
fleaxbow = vlasbouw
fleaxbrecc (cnapp) = vlasbraak, vlashekel
fleaxcaerd = vlaskaarde, vlaskam = kam om vlas te hekelen
fleaxcopere = vlaskoper, vlashandelaar
fleaxcott = vlaskot, vlaskeet = keet voor hekelen en swingelen van vlas
fleaxdot = vlasdot = bundel vlas
fleaxgaerd = vlasgaarde, vlasakker
fleaxland = vlasland
fleaxman = vlasboer
fleaxthraed = vlasdraad
fleaxthun = vlastuin
fleaxtreade = vlashandel
fleaxtreadere = vlashandelaar
fleaxwir = vlasdraad
flecce = vlek, plek, veld, gehucht; ON vlecke; WA vlekke; ME fleck
flecce = gebrek; ON vlecke
fleda (flaed) = schoonheid, knapheid, knap persoon
fleddarmus = vleermuis; ON vleddermus; WA vleddermoes
fledder = vledder (# kruid)
flegan (fliggan) = ww vliegen; WA vlegen
flege (fligge, fleoge, flyge) = vlieg; KA flyge; GR+DR vlaig; TW vleeg; ME fly
flegge = vlechtwerk van twijgen, omheinig; TW vlegge; VW vleke
fleggel = vlegel, dorsvlegel; WA vleggel
fleht = vlecht
flehtan = ww vlechten
fleogan = ww vliegen
fleoge = vlieg; ON vlieghe; WA vleeg; ME fly
fleon (fleaman) = ww vlieden, vluchten, ontvluchten; ON vlien
fleos =A flies
fleot (fleat) = vleet = veel voorkomend
fleot (fleat, flyte, flit) = vliet; ME fleet
fleot = vlot, boot
fleot = vloot; ME fleet
fleot = brede riviermonding
fleotan = ww vlieten, vlieden, stromen; ME to float
fleutere = vlotter = stuurman van een vlot
Fleseby = Flensburg, stad in Noord Angeln, Duitsland
flet = bn plat
flet = vlakte, vloer, huis
flet = vlet = kleine platbodem
flete = net, visnet; ON vlete
fletheafd = platkop = dombo, onbenul
fletland = platteland
fletlandere = plattelander, boer
flette = schild, wapenschild
AL: up flette gehtah = op schild gedaan (gehezen, gedragen)
flewan = vleien, smeken; ON fleeuwen
flic = tril, trek
fliccan = ww flikken, presteren; WA flikken
flicceran = ww flikkeren, oplichten
fliccere = mooie jongen, specht (# vogel)
flicorian = ww flikkeren, trillen, fladderen
flieman = ww vluchten
flies (fleos) = vlies, vacht, wol; KA flies; ON vlues; ME fleece
fliggan (flegan) = ww vliegen; WA vlegen
fligge (flege) = vlieg; WA vleeg
flim = vlijm = mesje; WA flim
flint = flint, kei, vuursteen; WA flint
flint = geweer; AH flinte
flintbow = flintbouw = bouwen met flinten
flintgrove = flintgroeve
flinthus = flinthuis = huis gebouwd van flinten
flintston = flintsteen, flint
flintwaeg = keienweg = weg van veldkeien
NB Flintweg in Orvelte.
flintwalla = flintmuur = muur gebouwd van flinten
flit (flyte, fleot, fleat) = vliet (# waterloop); VL flit
flit = strijd, ergernis, twist
flitaex = strijdbijl
flitan = strijden, ergeren
flitan = ww vlieden
flite = vlijt, ijver
flitig = vlijtig
floan = opblazen, opgeblazen; ON vloon
flocan = vloeken, in de handen slaan; WA vloken, flooken
flocc = vlok, menigte, groep, kudde; ME flock
floccan = samenkomen
flod (flut) = vloed, stroom, rivier, overstroming, vloeiveld; ON vlote; WA vlood; ME flood
NB Zelhem/Achterhoek: Vloedweg (zijweg Brunsveldweg) = weg langs De Vloed (beek). Verderop: Heidehoekse Vloed = groot vloeiveld waar De Vloed ontspringt.
flodan = stromen, overstromen; ME flood
flogg = vlug, snel; WA vlog
flogg = vlucht, vluchtoord
NB De Vlog in Rijssen
floggan = vluchten, stromen, slaan, verslaan; ME flog
floh (flow) = stroom, beek; WAoud floh, flo
flohan (flowan) = vloeien, stromen; KA flowan
floncan = flonkeren
flonder (fonder, fundel) = vlonder, vonder, vondel = loopplank, brugje; ON vunder
floncig = flonkerig
flor = vloer, grond, bodem, etage; WA vloor
flormatt = vloermat, vloerkleed
flot (fleot) = vlot (= drijvende bundel boomstammen), boot
flota (fleot, sciphere) = vloot
flothere = vlootleger, mariniers, piraten
Flothrop = Flodorp (NW Groningen) kaart 1589; Vlodorp (N.Limburg)
flotian = vlieden, drijven
flotman = zeeman, piraat
flow (floh) = stroom, beek; WAoud floh, flo; KA flow
flowan (flohan, streaman) = vloeien, stromen; KA flowan
flowfeld (flod) = vloeiveld, overstroomveld, drasland
floyt (flute) = fluit = kleine plas of poel; VW flute; OE floyd
floytan (flutan) = ww fluiten; WA fluten
flufe (pluse) = pluis
flugon = ww vluchten
flugon to = vluchten naar
fluman = fluimen, spugen, stromen
flume = fluim, spuug, rivier; ON flume
flut (flod) = vloed, stroom, rivier, overstroming; ON vlote; WA vlood; ME flood
flutan = vloeden, overstromen; WA vloden
flutan = ww fluiten; WA fluten
flute = fluit (# muziek); WA flute
flute (floyt) = fluit = kleine plas of poel; VW flute
flutecrod = fluitekruid (# wilde bermplant); WA flutekruud
flyan = mijden, vluchten; ON vlien; ME fly, flee
flyht = vlucht
flyn = vluchteling*
flyte (fleat, fleot, flit) = vliet = stroompje, riviertje; KA fleat
foag = bn vaag; WA voag
foag = mist, nevel; ME fog
foaghorn = misthoorn
fob = fop, list, bedrog
fobban = foppen, bedriegen
fobbe = bedrieger
focan = slonzen, rommelen; WA foeken
foce = rommel; WA foeke
foce = fuik; WA foeke
focepott = foekepot = pot met varkensblaas, gat en stok waarmee geluid wordt gemaakt in donkere dagen
focig = rommelig; WA foekig
foda = voedsel, voeding, voer; ON voeder; ME food
fodbenc = voedselbank
foder (fodder) = voeder, voer, wagenvracht; WAoud voder
fodd (lump, plodd) = vod, waardeloze lap stof
foddbael = voddebaal, landloper (# scheldwoorden); WA voddebaal
fodder =A foder
foddman = voddeman
fodor = voedraal, schede, voering van kleed
fogle (fugol, vogal, brid) = vogel; ON vogal, vueghel; WA voggel
fol =A full (vol, etc)
fola =A folan (veulen)
folan (fola) = zn veulen; KA folan; ON volen, vollen, vuele; AH vul; WA vullen
folan = ww gekheid maken, schertsen; ON folen; ME to fool
Folantyndaeg = Valentijndag = 14 februari. Oeroud gebruik om op die dag je geliefde te plezieren met bloemen en een leuk cadeau. > PgAng/Valentijndag
folc = volk, land
folcland (meanland) = meen, meente
folclic = volks, gewoon, populair
folcsang = volkszang, volksliedje
folde (feld) = veld, aarde; KA feld; ME fold, field
foldu = velden > firum foldu
fole {AVA folan} = dwaas, grapjas; ON fole; GD feul, fyul; ME fool
folgere = volger, volgeling, achtervolger
folgian = ww volgen
folle (fulle) = overvloed; KA folle; ON volle, vulle
fon (fangan) = ww vangen, pakken, gevangen
fona (fana) = vaan, vlag
fonder (flonder, fundel) = vonder = losse brug over sloot
fondnis = vonnis, besluit; ON vonnes; DRoud vondenis
for = reis, tocht, mars, expeditie
for = vz voor, want; KA for; ON vor; DN for; SW veur; TW vor; WA voar; RN veur; EZ fer; ME for
for- (fur-) = ver-
forain (frim) = vreemd, bizondere; ON forein; LC frim
forainere = vreemdeling
foran = voeren, varen, reizen
foran = vz voren, voor
forbaernan = verbranden
forbeodan = verbieden
forbi = voorbij, afgelopen; TW voorbi, veurbi; GD forby
forbigan {forbige, forbiget, forbigdan} = ww voorkomen
forca = vork; ME fork
forceorfan = ww afsnijden
ford (forde, fort, lade) = voorde, doorwaadbare plaats; KA ford; ON voord, voort, fort, foort, vert; VW fort, vort, vorde; LM vorde > PgAng/Voorde
fordan = bevorderen, doen opschieten; ON vorden
fordan = voortaan; ON vordan
forde =A ford
fordilgian = ww verdelgen, vernietigen
fordman = iemand die bij een voorde woont; ON fortman, vortman
fordon = verdoen, vernietigen
fordwielman = belemmeren; VA NL bedwelmen
fore (for) = vz voor; KA for; ME for
fore = markt, prijs; ON fore
forealdad = verouderd, oud geworden
forealdar = voorouder
forealdars = voorouders; WA voorolders; WAoud vorolderen
forealdian = ww verouden, verouderen, oud worden
forebod = voorbode
foreburg = voorburg = kleine burcht voor een burcht; bedoeld als voorgeschoven verdedigingspost > PgAng/Voorburg
forecnaw = voorkennis
forefaeder = voorvader
forefeling = voorgevoel
forefinger (wisfinger) = wijsvinger
foregielt = betaling in geld; WAoud voorgelt, voergelt
foreman = voorman, leider, aanvoerder; ME foreman
foremodra = voormoeder
foresceawian {AVA sceawian = schouwen} = ww voorzien, benoemen
foresecgan = voorzeggen, voorspellen
foreseon = voorzien, onthouden*
foreseoning = voorziening
foresith = vooruitzicht, voorspelling, voorschouw
forespreacan {AVA spreacan = spreken} = voorspreken, voorzeggen, voorspellen
foreste = bos, woud, jachtgebied, wildernis; ON foreest, vorst; ME forest
foresten = grenssteen tussen akkers; WA voorsteen
forestere = boswachter, jachtopzichter; ON forestier
forestraet = winkelstraat; ON vorestraet
foret = fret (# dier)
foreweard = voorwaards; ON vorewaert
forewerc = voorwerk = extern gelegen vesting, pand, e.d.; ON vorewerc
forgaegan = overtreden; NB NL gaga = raar, gek
forge = werkplaats, smederij, fabriek; ON forge
forgeavan =A forgiefan
forgiefan (forgeavan) = ww vergeven, schenken
forgietan = vergeten; WA vergettn; ME forget
forheowan = verslaan
forhlaetan (forletan) = ww verlaten
forht (fyrht) = vrees, angst
forhtian = vrezen; > geforthian
forhwega = voorwege, omwege, ergens
forland = uiterwaarde; ME foreland
forleosan = verliezen
forletan (forhlaetan) = verlaten, verlieten
forliger = ontucht
forma (earest) = eerst, eerste
fornemman = ww voornemen, van plan zijn
fornemnad = voornoemd
fornemnan = voornoemen
forniman = wegdragen, vernietigen
forre = nors, kwaad; AH forre
forrel (truht) = forel (# vis)
forrel =A furrel
forseon = afkeuren, afwijzen
forsleag = voorstel
forslean = voorstellen, doorbreken
forsoth = voorzeker, waarachtig
Forst = Voorst
forstandan = voorstaan, beschermen, verdedigen
forstandar = voorstander
forstarfan = verstorven, gestorven; WAoud forstarffan
forswerian = afzweren, meineed plegen
fort (ford, forde) = voorde = doorwaadbare plek in rivier of beek; KA ford; ON vort, vorde, fort, forth, foort; > PgAng/Voorde
fort = sloot; ON fort
fort {AV LT fortis} (fortres) = fort, vesting; ON forte
fort = heuvel; DR fort
fort = bn rot
forth = bw voorts, voortaan, voorwaards, verder
forthferan = voortgaan, doorgaan, vertrekken, sterfen
forthferend = voortvarend
forthgan = voortgaan, doorgaan
forthgenge = voortgang
fortres (fort) = fort, vesting; ON fortresse; ME fortres
fortse = macht, kracht, geweld; ON fortse; ME force
forut (fort) = vooruit, vort, weg; SL vorut; TW voroet, vort
forweorthan = verworden, wegkwijnen, verdwijnen
fos = vos; OA fosse >A fox (vos)
fosel (fusle) = slecht; VW foezel
fosel (fusle) = voezel, slechte genever; VW foezel
fosse >A fox
fosseyt = gracht; ON fosseit
fostor = voeding, opvoeding
fostor = ww voeden, koesteren
fot [voet] {mv fotas} = voet; ON fuaot, foeth; TW+AH voot, foot
fotas = voeten
fotbenc = voetenbank; bankje voor de voeten tegen moeheid en kou
fotboda = voetbode: bezorgt berichten te voet
fote >A afote
fotere = voetganger, wandelaar
fotere = soldaat te voet; OE footer
fotfear (fotferi) =A treckfear
fotferi (fotfear) =A treckfear
fotfolc = voetvolk (# leger)
fotman = soldaat te voet, infanterist; OE footman
fotpaedh = voetpad; WA vootpat; ME footpadh
fotstepp = voetstap
fotstol = voetbank = lage bank om voeten te laten rusten
fotyict = voetjicht (# aandoening)
fox (fos, fosse) = vos; KA fox; GR foks; WA foks, fox; LN fos (NB Fosdyke/Boston)
NB Foxham en Foxhol: locaties bij Hoogezand/Groningen
foxan = van bil gaan; WA vossen
foxberie = vossebes (# plant, vrucht)
foxbour = vossenboer = boer die vossen teelt om de huiden te verkopen; ON vosboer
foxceol = vossenkuil = gebied met veel vossen; VW voscule
foxhound (hound) = brak (# oude soort jachthond) > PgAng/Brak
foxhunta = vossenjacht = jacht op een vos met vele honden tegelijk
fowal = vogel; ME fowl
fowalere = vogelaar
foy = foei; WA foi
frae = fraai > PgLng/Caedmon
fraegan (frignan) = ww vragen; WA vroagen; ZW fraga
fraey = opgewekt, pronkerig; ON fraey
fralic (frolic) = vrolijk
fram = van, vanaf; GD frem; ME from
fram = ferm, dapper
frama = speer
De frama heeft een korte en smalle punt, maar is scherp en makkelijk te hanteren en is daarom goed te hanteren op korte en lange afstand. #Germ/6
frami =A frome, fremu
Franca {mv Francan} = Frank = stamlid Franken
Franca = Frankisch = taal der Franken
franca = speer
Francan {ev Franca} = Franken
Francland = Frankenland
frange = onderaardse gang; AH vrange
frange =A fringe
frasa = vrees
frasian = ww vrezen
fraw = vrouw, non; ON vrawe; WAoud fraw; GR1605 frow > PgAng/Beckum
frawcloster = vrouwenklooster, nonnenklooster
frawlic = vrouwlijk
fray = fraai, vrolijk, opgewekt; ON fraey
frea = vrij, vrede; AH vrae
frea (frigea) = vrije (geen slaaf), heer
freaman = vrijman, vrije; ON vreeman
freagd = vreugde; > gleo
Freana = Vreden/Westfalen; WA Vreene
freasan = vrezen
frease = vrees, angst
freasewund = vresewonde (# heilzame kruid)
frec = vrek, gevaar
freca = krijger, soldaat
frecc = vrek, gierigaard; ON vrec
freccig = vrekkig, gierig
freccnis = vrekkigheid, gierigheid
frecenes = gevaar
freclic = gevaarlijk
frecig = vrekkig
freht = vracht; ON vrecht; ME freight
frem = voordeel
frem = vz buiten
fremd (frim) = vreemd; LC frim
fremde = vreemde
fremed = durf
fremede = vermetel
fremful = voordelig
fremfulnis = voordeligheid
fremian = profiteren, helpen
fremman = doen, begaan, opvoeren
fremu =A frome, frami
freo (fri) = vrij; WA frie; OD fri
freogan = ww vrijen
freond (win, wine, wyn) = vriend; SH frund
freondscip = vriendschap
freosan = ww vriezen; TW vreezen
freosan = bevrozen, bevroren; TW vrozen; GD frozzin; ME frozen
freothu (freth, frith, ferth, fridhu) = vrede, omheind erf; VW vrucht
freothu webban = vrede stichten
freothuwebba = vredestichter
Fresna = Fries, Friezen
Fresne = Fries (taal); bn Fries
freth (frith, ferth, fridhu, freothu) = vrede, omheind erf
Freya =A Frigg
fri (freo) = omheining, vrijplaats; ON vri; VWoud vreefri (freo) = vrij, omheind; WA vrie; WAoud vri, vree, vry; OD fri
fri gudh = eigen goed of bedrijf; WAoud vrye guet
frian = ww vrijen; WA vrieŽn
frian (afrian, frigan) = vrij laten, vrij houden; WAoud frien
fributan = vrijbuiten = avonturieren, zwerven
fributer = vrijbuiter = avonturier, zwerver; ME freebooter
frician = dansen
frickedille = fricandel; ON frickedille
frid = mooi, vredig
fridhof = omheinde plaats, begraafplaats; ON fridhof, vrithof, vrijthof
fridhu = vrede
fridhufeld (paesfeld) = vredeveld = heideveld waar de as van gecremeerde mensen wordt uitgestrooid
fridome = vrijheid, vrijdom; AGoud fredome
frigan (frian) = vrijstellen; WAoud vrygen, vryen
frigea (frea) = vrije, heer
frigedaeg = vrijdag; genoemd naar de god Freya (Frigg); ME Friday
Frigg = Freya, godin van de liefde en vruchtbaarheid, gemalin van Wodan
frignan (fraegan) = ww vragen
frihed = vrijheid, grondgebied; WA vrihed, vrihiet
frihave = vrijhof = omheind hof = tiendvrij hof; LM vreehof
friland = vrijland = omheind land = teindvrij land; WA vreeland
frim (fremd) = vreemd; LC frim
frim folc = vreemd volk; LC frim folk
frimaerct = vrijmarkt; WA vriemarkt
fringe (frange) = franje, rand, zoom; ON fringe, frange
fritan = bakken, braden; ON friten
frith (ferth, fridu) = vrede, omheind erf; WAoud friet
frith niman = vrede (genoegen) nemen (met), vrede maken
frithian = tot vrede brengen, bevredigen
frithian = beschermen, verdedigen, schuilen
frithian = vreden = afrasteren, omheinen; AH vruchtn; VW vreen; WA vrien
frithofe = omheind hof, begraafplaats
frocc = overjas; ON froc
frod = vroed
frodfraw = vroedvrouw
frofor = gemak
froga (frough) = bn/bw vroeg; KA frough; TW vrog; AH vroo
frogga (frox) = kikker; ME frog
frolic (fralic) = vrolijk; WA vrolik
frolican = vermaken, pret hebben
frolicnis = vrolijkheid
frome (fremu, frami) = vroom, braaf, flink, dapper, heldhaftig, rechtschapen, betrouwbaar; AH vrom = mak, vroom; WAoud vrum
frome = opbrengst, nut; ON vrome
Frome = Frome in Glouchesterhire
NB Froombosch/Slocheteren. Beide zijn historisch Anglische regio's.
NB Froombosch is genoemd naar het geslacht Frome dat in de 17e eeuw op Ruitenborg woont.
frona = vrone, vroon, domein, heer
frondeanst = vroondienst, heredienst
fronland = vroonland, vroenland = land van de heer, gemene grond, meente
froslan = worstelen, stoeien; AH vrosseln
frosta = vorst, vrieskou; WA vrost; ME frost
frough (froga) = bn/bw vroeg; KA frough; AH vroo
frougher (geara) = vroeger; WA vrouger, vrogger
frox =A frogga
fruht = fruit, vrucht
fruht = omheining; VW vruchte
fruhtacre = omheinde akker
fruhtan = ww vruchten = afrasteren
fruhtenere = fruitboer; ON frutenier
fruma = begin
fruman = ww beginnen
fryg = bn/bw vroeg
fryge fugol = vroege vogel
an fryge fugol fangt the wyrm = een vroege vogel vangt de worm
fuccan [fokken] = ww fukken, fokken, neuken
fuccere = fukker, fokker
fuccery = fokkerij; WA fukkerie
fuce = plooi; AH foeke
fucel = sterke drank; AH foezel
fugol (fogle, vogal, brid) = vogel; ON vogal, vueghel; WA voggel
fugolcopere = vogelhandelaar
fugolere = vogelaar = vogelvanger, vogelhandelaar
fugolery = vogelhandel
fugolsang (bridsang) = vogelzang; ON vogelsangh
fugolweda = vogelweide = land ongeschikt voor akkerbouw; WAoud vogelweide
fugolwielle = vogelweelde, vogelrijk = rijk aan vogels
fuht = vocht
fuhtan {fuht, foht, fohtan} (feohtan) = ww vechten > gefuhton = gevochten
fuhton =A fuhtan
ful = vol; ON ful, vul; ME full
ful = dwaas; ME fool
ful (fela) = veel; WA veul
ful (fuyl) = bn+zn vuil, onrein; ON vuul; WA vuul; ME foul, dirty, etc
ful oft = heel vaak
ful oft ne alaeg = heel vaak niet vaak = soms
fulac (fuylac) = vuilak, viezerik; WA veulak
fuleard = besluiteloos persoon; AH veulerd
fulge = zn folie; ON foelge
full (fol) = vol, helemaal, zeer; KA full; WA vul, vol
full maen = volle maan
fullcoman = volkomen, heel; WAoud vollencomen
fullcomantlic = volkomen; WAoud fullenkomelich
fulldon = voldaan; WAoud fullgedaen
fulle =A folle
fullian = ww dopen
fullic = volledig
fulluth = doop, gedoopt
fultides = veeltijds, veelal, vaak; WA vultieds
fultum = hulp, leger, troepen
fultuman = ww helpen
fultume = hulp
fultumian =A fultuman
fulwaessan = bn volwassen; WA vullwassen
fulwincel (fuylwincel) = hoek land met veel onkruid; VW vuilewinkel
Fumerhara {838nC} = gehucht in de Liemers/Achterhoek. Locatie onbekend.
funda = vondst
funde {AVA findan} = vond
fundel = vondel = loopplank, brug; ON vundel
funkan = ww vonken
funke = vonk
funnis = vonnis; ON vonnesse
fur (fyr) = vuur
thš Wealas flugon thš Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engle als voor vuur
fur- (for-) = ver-, vuur-
furan = voeren, vervoeren, dragen; TWoud voeran
furbeacan (fyrbeacan) = vuurbaken
furbin = verbene (# geneeskrachtig kruid)
furbrassan = verbrassen
furcassan = verkassen, verhuizen
furcorb (fyrcorb) = vuurkorf = korf met brandend hout
furcyrad = verkeerd
furcyran = verkeren, vergissen
furcyrsal = vergissing; GR1724 vercyrsel
furdere = voerder, vervoerder, schipper; ON voerder
furdingan = bedingen, afkopen
furdongan = afgekocht; WAoud verdongen
furdrag = verdrag, overeenkomst, ontheffing, kwijtschelding; WAoud verdrag
furdrag up = gedeeltelijke kwijtschelding of ontheffing
furdragan = verdragen, overeenkomen, ontheffen, kwijtschelden
furdread = verdriet; WA verdreet
furdread = slecht stuk land; VWoud verdriet
furdreadig = verdrietig
furdruckan = verdrukken, verstikken
furgeafan =A furgievan
furgiefan (furgeafan) = vergeven, weggeven, afstaan; WAoud vergheven
furgod = voorgoed
furgodan = vergoeden
furh = voor (geul gemaakt door ploeg), geul, groeve; WA foor
furh (sol) = voor = geul gemaakt door ploeg; ME furrow
furh = den (# boom)
furheadon = voorheen; WAoud voerthiden
furhiearan = verhoren, behoren; WAoud verharen
furlaeton = ww verlaten
furleapan = verlopen, vertrekken, vervallen; WAoud verloepen
furlang = veld met tien akkers; ME furlong
furlorn = verloren; OD verlorn
furmaels = voormaals; WAoud voermaels
furmakenis = vermaak, ontspanning, plezier; ON vermakenisse
furman (carrman) = voerman, vrachtvervoerder
furpeandan = verpanden
furpeandscip = verpand
furpeandscippan = verpanden; WAoud verpandschappen, verpandschaften
furpensionan = belenen, verpachten, verhuren; WAoud verpensioneren
furpensionad = beleend, verpacht, verhuurd; WAoud verpensionet
fursaegan = ww verzaken
furpondan = verponden, belasten in ponden (geld)
furponding = verponding = grondbelasting in ponden
furrel (forrel) = kwartier; WA vurrel, vorrel
fursaetan = verpachten; WAoud vorsaeten, versatten
fursatan =A fursaeten
fursculdan = verschulden
furseon = over het hoofd zien, vergissen; WAoud versehen
fursoonan = verzoenen; WA versonen
furspod = voorspoed
furspodig = voorspoedig; WA veurspoodeg
furthum = bw even, gelijk
furthornig = verdoornd, vol dorens; WAoud verdornig
furutan = verwarren
furutig (rutig) = verward; KA rutig; TW veroetig
furweard = verward; WAoud verwerd
fus = haast
fusan = ww haasten
fusig = haastig
fusle (fosel) = bn slecht; VW foezel
fusle (fosel) = voezel = aardapeljenever, slechte jenever; VW foezel
futhorc = futhark = Anglisch alfabet > PgAng/Futhark
fuyl (ful) = bn vuil, smerig, modderig
fuyl (ful) = vuil, smeerboel, modder
fuylac (fulac) = vuilak, viezerik; WA veulak
fuylbac = vuilbak, afvalbak
fuyle = vuil, afval
fuyle (weod, rut) = onkruid; VW vuyle
fuylic = vuilnisbelt, stortplaats; WAoud vulik
fuylnis = vuilnis; ON vulnisse; WA vulnis
fuylwincel =A fulwincel
fyga = vijg (# vrucht); WA vige
fyl = bn vuil; WAoud vuyl
fylan = bevuilen, vervuilen, vuil maken
fylgan = ww volgen
fyllan = ww vullen
fylliednis = vervuldheid
fym = hoop, stapel; WA vyme, vem, viem; ON vyme
fym = veem = groep; ON veeme
fym = veem = NV stapel, groep
fyne = vocht, schimmel
fynig = vochtig, schimmelig, vunzig
Fynserwald = Finsterwold > PgAng/Finsterwold
fyr (fur) = vuur
fyrbeacan (furbeacan) = vuurbaken
fyrbelle = vuurbel, alarmbel; ME firebell
fyrclocc = vuurklok = avondklok die meldt dat vuur gedoofd moet worden; ON vuurclocke
fyrcorb (furcorb) = vuurkorf = korf met brandend hout
fyrhoc (pothoc) = vuurhaak = yzeren haak om iets boven vuur te hangen
fyrd (fierd) = burgerwacht, leger
fyrd = dienstplicht
fyrde = fjord = diepe inham van de zee
fyrdman = dienstplichtige, weerplichtige, strijder, soldaat, militair
fyrholt (fyrwud) = brandhout
fyrht (forht) = vrees, angst
fyrhtan = vrezen, bang zijn
fyrig = vurig
fyrm = ferm
fyrman = brandweerman; ME fireman
fyrmest (earest) = eerste, baas, chef
fyrplaese = vuurplaats, haard
fyrst [fi:rst] (earest) = bn eerst, eerste; EF [fi:rst]
fyrst = vorst, nok, dakvorst (=A first); VWoud furst
fyrsteal = vuurstal = kookgerei, komfoor; ON vuurstael
fyrstdom = vorstendom; VWoud furstdomb
fyrtig = rot, bedorven; ON vortig
fyrtoran = vuurtoren
fyrwer (braendwer) = brandweer
fyrwud (fyrholt) = brandhout
fyst = vuist; WA vuust; ME fist
 
g::
g [gg] als in Engels good
ga (gaw, gawe, gow, gowe, go, ge, gee*) = gouw = graafschap
VB Fivelga (oudste naam) = Fivelingo (NO Groningen), in 300vC-750nC overwegend bewoond door Angelen.
VB Kerverangow = Cornwall, graafschap in zuidwest Engeland
Regionamen met -ga zijn Anglisch. Op de kaart Herzogtum Sachsen um 1000 (1886) staan o.a. Fivelga (Fivelingo), Hunesga (Hunsingo), Emesga (Eemsland), Wanga (Wange), Leriga (Lahr), etc. NB >A gha
-ga =A ga (gaw, gawe, etc)
gabban = leeg gelul, geklets; GD gab
gabbelan = gabbelen, stiekem praten, fluisteren; WA gabbelen
gable = zout; ON gabel
gabletoll = zoutbelasting; ON gabeltol
gad = stok met punt om koeien te drijven; ME goad
gadde = verzameling, samenraapsel; WA gadde
gadderan =A gadrian
gaderian =A gadrian
gadrian (gadderan) = garen, vergaren, verzamelen; KA gadrian; ON gaderen; WA gadderen; TW+AH gaddern; ME gather
gaebber = gabber, makker, kameraad
gaebberan = gabberen, snateren, lachen
gael = weelde
Gael = Schot; AGoud Gael
Gaelic = Schots; AG Gaelic
gaelig = bn weelderig; TW/Ryssen gael
gaender (geant) = gent, ganzerik = mannetjesgans; ON gander, gent; WS gaent, gaant
gaenis (gaens) = gezond, heilzaam, zuiver, oprecht; KA gaenis; ON gans
gaenisan (gaensan) = genezen, zuiveren, reinigen; KA gaenisan; ON gansen
gaens =A gaenis
gaensacre = vruchtbare akker; ON gaensacker
gaensan =A gaenisan
gaensnis = gezondheid, zuiverheid
gaent (gant, geant) = gent, ganzerik = mannetjesgans; SL gent; VW gant
gaer (gar) = punt, puntmuts
gaer = altegaar, helemaal, totaal; WAoud gar
gaeran = ww garen, gaar koken
gaerd = gaard, tuin, omheind stuk land; ON gaerde; VW garde, gaarde, geerde; WS gart; WAoud gaert, gaerde, garde; GD garth; ME garden
gaerd = yard = 91 cm
gaerdenere = tuinman; ON gaerdenare
gaere = puntig stuk land; ON gere
gaerf (sceaf) = garve, schoof, bos gemaaide en gebonden graanhalmen
gaerfgudh = erf met plicht tot geven van de garve
gaerfland = land met plicht tot geven van de garve
gaers (graes, gors) = gras, grasland
gaerstang {AVA gaers (grasland) + tanghe (zandrug in rivier of veen)} = grasland op zandrug in wetland
gaerst (baerlic, gorst) = gerst (# landbouwgewas); KA baerlic; WA garst
gaersta (gearsta) = gerstveld; KA gaersta; WA garste
gaerwe = gerwe = duizendblad (# kruid)
gaesne = onvruchtbaar
gaest (geast) = geest, geestgrond, hoog gelegen droog land, onvruchtbaar land; ON gest, gast
gaet (goet) = goot, waterloop; ME gutter
gaeth (goeth) {AVA gan = gaan} = gaat
gafeluc = speer
gaffel = veilinghamer, hamer veilingmeester; ME gaffle
gafol = voordeel, winst
gafol = belasting; ON gavele
gagel = gagel (# struik); ME gale
gagelt = gagelt = veld waar veel gagelt groeit
gagn = tegenover, tegenovergesteld
gal = geil, dartel, lichtzinnig, vrolijk
galan = zingen
gale = gaal (# zangvogel)
galga = galg; ON galge; ME gallow
galgabeorg = galgenberg
galgafeld = galgenveld
galparan = galopperen, hardlopen, draven; WA galpeeren
galmod = vrolijkheid
galmodig = goedgemutst
gamen = spel, sport, gok
gamenian = spelen, sporten, dobbelen, gokken
gan {gaet, gung, goan}(gan, eodan) = ww gaan; KA goan [ggo:n]; GR+TW goan; AH gaon; GD gan; ZW ga [ggo]; ML djalan; AU yan; ME go
NB AU yan [djan] = gaan; ML djalan; ID jalan [djalan]; OT* djan
gan = winst, voordeel; ME gain
ganc = kanaal, sloot; ON ganc
ganc = gang, reis, manier
ganc = steeg; DR gaank
gang (gong) = gang, doorgang, vaarweg, reis, manier; ON ganc; DR gange; WA gank
gangan = gang; ME gang
gangende = gaande; GD gannin
gant =A gaent, geant
gaon = gaan
gapan (ginnan) = ww gapen, snakken, nastreven; GD gyep; ME gape
gar = tak; TW/Rijssen garre
gar (gaer) = punt, puntmuts
gar (spear) = speer, puntig voorwerp; ON geer
gar = gard, roede, twijg; TW gar
-gar =A -ger
gara = landtong, spitsvormig stuk land; ON gere; ME gore > gor
gare = nauwe weg; GD chare
garet = kouseband
garite (waectoran) = wachttoren, -huisje; ON garite
garleac = knoflook; ME garlic
garnat = granaatappel (# vrucht); ON garnete
garnat = granaat = rode halfedelsteen; ON garnete; ME garnet
gars (gors) = gras, grasland; VW gors
garsecg = zee, oceaan
gas = gas
gasbagge = gasbalg of -buidel = balg waarin moerasgas wordt bewaard; > PgAng/Moerasproducten
gaspe = gesp, haak; ON gaspe
gaspelthorn = gaspeldoorn, steekbrem (# stuik)
gast (geast) = geest, spook
gast = 4 garven (maat)
gasticc = wandelstok; WA gostok
gastlic = geestelijk
gat =A gatu
gat {mv gatas} = geit
gate [geet] (geat, gatu, gate, gat) = gat, anus, hol, kuil, grot, deur, haven, poort, weg, gehucht; KA gate; ON gat; WA gaet
Gate = vrml beek bij Apeldoorn-Nijbroek >A geat
gatu [ggate] (gate, gat, geat) = poort, nauwe straat, haven; KA gate; GD gate, gyet; OE gat, gate; ZW gata; ME gate
gaw (gow) = gouw = graafschap; KA gow; >A -ga
gaw = bn gauw, snel, vlug, rap; TW gaaw; WA gaw, gawwe, gaaw
gawe >A -ga
gawe = gouwe, schellekruid (# papaver, kruid)
gawgerefa (gowgerefa) = gouwgraaf = bestuurder van een gouw
gawgeriht =A gawthing
gawk = lomperik
gawkig =A gowcig
Gawkas = Chauken = Germaans volk wonend tussen Elbe en Eems.
gawleadere = gouwleider = leider van een gouw
gawthing = gouwding = gouwgerecht, gouwrechtbank
ge (gi) = ge, gij, u; KA gi; ON Ghy
ge... = ZE ...
ge- = ge- = BT actie VB gedoe
Ge- = district ... > PgBrit/Gewisse
-ge (-ga) = gouw, district >A -ga
-ge (-ce, -ke) = -je, -tje; NB AL fringe (franje, zoom), castange (kastanje)
geabb (gebb) = gebbe = hooivork met twee tanden
geabel (geawel) = gevel
geac (cucu) = koekoek (# vogel)
geac = bn gek, raar
geador = samen, tezamen; ON gader, tegader; ME together
geafan (giefan) = ww geven; KA giefan; GD give, gi; ZW giva [giwa]
geaffel (piccforc) = gaffel = hooivork met 2 punten; WA gaffel
geaffelbock = gaffelbok = hertebok met twee gegaffelde geweitakken
geagnian = geŽigend, geschikt; eigenen, toeŽigenen
geal = geil, vruchtbaar, welig; AH geil
geal = stalkruid, kattedoorn (# plant)
gealga = galg; ON galge; ME gallows
gealla = gal
gealla = gezwel; ON gale
gean (gin) = geen; KA gin; WA gin, kin; GR gain; TW+AH gin; WAoud gen, genne
geand = poel* > PgAng/Gendt
geant (gant, gaender) = gent = mannetjesgans; ON gent; VW gent, gant; WS gaent, gaant
geantha =A genahta
geantweda = gentweide, ganzenweide
gear (ger, year) = jaar; KA year; ON jaer; GRoud yaer; ME year
gear = speer, spitsvormig stuk land; VW gheer, geer
gear = uier; AH geer
geara (frouger) = vroeger, eertijds; ME yore
geard (gyrd) = gordel, band, kouseband; KA gyrd; ON gort; GD girdle, gordle
geard = gaard, tuin, omheinde ruimte, hof, woning; KA geard; TW gart; VL geerde; ME yard
geardenere = tuinman
gearn = zn garen; KA gearn; WA gaarn; ME yarn
gearn = bw gaarne; TW gearn
gearst = gierst (# gewas); KA gearst
gearu = gaar, gereed
geascalan = ijzelen; AH giezeln
geascian (# ascian) = gevraagd, gehoord
geast [geest] (gast) = geest (# religie)
geast [geest] (gaest) = geest, geestgrond, hoog en droog land, onvruchtbare zandgrond; ON gest, gast
geastgrund (geast) = geestgrond
geastran (gestre) = gisteren; ON gister; ME yesterday
geastran daeg (gestredaeg, giestrandaeg) = gisteren; ME yesterday
geastre (geastran) = gisteren; ON gister, gester; ME yesterday
geat [geet] (gatu, gate, gat) = gat, anus, hol, kuil, grot, deur, haven, poort, weg, gehucht; KA gate; ON gat; WA gaet; ME gate
geat (gate) = gat = opening, doorgang, poort, weg, straat, gehucht, kuil; GD gate = straat; ME gate
geat = poort, toegangspoort, waterpoort; ME gate
geat (waetergeat) = watergat = gat in grond gevuld met water
geat = waterloop; VW gate, gote, geute
NB Vrml De Gate bij Apeldoorn-Nijbroek. > Gate
geatan = ww gieten; WA geten; WAoud gethen; AL/NS geten
geathus = poorthuis, wachthuis
geatling = geteling, merel (# vogel)
geatman = poortwachter
geawel (geabel) = gevel; WA giewel
gebb = geb, gebbe = hooivork met twee tanden
gebed = gebed, kraal
gebedhus = gebedhuis, kerk
gebeorgan = geborgen, gered, beschermd
geberan = geboren
gebiddan = ww gebieden
gebit (tandgebit) = gebit; ON ghebit
geboran = ww gebeuren; WA geburen, gebooren
gebraecon {AVA braecan} = gebroken
gebur = boer, buurtbewoner, bewoner, inwoner, landman; ON gebuur = buurtbewoner, inwoner > bour
Geclo =A Ghytelo
gecweme = bekwaam
gecwemnis = bekwaamheid
gecynde = soort, volk, afstamming; ME kind
gedaefte =A daefte
gedanc = gedank, dankzij
gedroren {AVA droran} = gebogen, gedraaid
gedryht = gedrocht
gee >A ga (gouw)
gefanganis = gevangenis, gevangenschap; WAoud gevenckenisze
gefela = gevoel, gevoelen; WA geveul
gefeoht = gevecht
gefeol (eampt) = gevoel; WA geveul
gefeolig (eamptig) = gevoelig; WA geveulig
gefeoht (feoht) = gevecht
gefera (fera) = gezel, metgezel, maat; NV gever = offeraar, schenker; WAoud gever
geforthian = veroorloven, toestaan
gefuhton = gevochten >A fuhton = vechten
Gefwulf = jongensnaam
gegada = gegadigde, gade, gezel, partner
gehal = geheel, heel, ongewond
gehat = gelofte, belofte
gehatan = ww beloven
geheanga (heanga, heng) = hengsel, scharnier, beugel
gehiersum = gehoorzaam
gehiersumian = ww gehoorzamen
gehierumnis = gehoorzaamheid
gehorig = behorend; WAoud gehorich
gehroren = geruÔneerd
gehuded = in gebruik hebben; WAoud gehudet
gehuged (berewic) = gehucht = omheind gebied, buurt, buurtschap
gehwa >A gewha
gehwaer >A gewhaer
gekweden = genoemd, genaamd
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford)
= de stad die Cerdicesora is genaamd
gelafan = beloven, toezeggen; KA gelefan; WAoud gelaven
gelathan = bw gelaten
gelathon = ww gelasten, opdragen
gelathod (vd gelaton) = gelast
gelde =A geldelant
geldelant (gelde) = onvruchtbaar land; ON geldelant
geleafa =A geleofa
geleafan =A geleofan
geleafull = gelofig
gelefa =A geleofa
gelefan =A geleofan
geleofa (belefa, geleafa, gelefa, geliefa) = geloof; KA gelief; DR+TW geleuv
geleofan (belefan, geleafan, gelefan, geliefan) = ww geloven; KA geliefan; DR+TW geleuven
gelf = golf; ON gelve
gelfan = ww golven
gelic (lic) = gelijk, zoals; TW geliek, liek
gelice = op gelijke wijze
gelicnis = gelijkenis; WA gelieknisse
gelicthidig = gelijktijdig; WA geliektiedig
geliefan =A geleofan
gellan = ww jellen, gillen, schreeuwen; WA gellen; ME yell
gelli = gelei; ME jelly
geloma (loma) = gereedschap, weefgetouw
gelu (geolo) = geel, blond; KA geolo
geluc (luc) = geluk; KA luc; ON luck; DR gelok; LC [lock]
gelucig = gelukkig
gelucignis = gelukkigheid
gemad (gemaede, mead) = gek, dwaas, door; ON mede
gemaec = gemak, passend bij; WA gemaak
gemaecca (maeccar) = makker, maat, genoot
gemaecnis = gemakkelijkheid
gemaedan = ww gek maken
gemaede (gemad, mead) = gek, dwaas, door, krankzinnig; KA mead; ON mede; ME mad
gemaedan =A meadan
gemaednis =A meadnis
gemaene = bn gemeen, gemeenschappelijk; ON meen; >A maen
gemaerd = bn vermaard; > PgAng/Widsith/42
gemang = mengsel, samenstelling
gemang = vz tussen
on gemang = tussenin; ME among
gemate (mate) = maat, kameraad; WA maot
gemayne (mayne) = gemeente, verbond
gemeltan = genoemd
gemod = gemoed; WA gemood
gemot (mot, moot) = vergadering, bijeenkomst; KA moot
gemotan = vergaderen, bijeenkomen
gemul = stof, veegsel, opgeveegd vuil; ON gemul
genaht = genade; ON genacht
genahta (geantha) = dingplaats, rechtszitting; ON genachte > PgAng/Gendt
genahtig = genadig
genamon = gevangen nemen
genamon unarimedlicu herereaf = namen gevangen talloze legerofficieren
genara = algemeen; WAoud genere
geneatan = genieten; WAoud genaten
genemned = genaamd
genga = zwerver
gengal = drentelen, zwerven; AH gengeln
geniht = nicht; ON ghenicht
genierwan = lastig vallen; KA nierwan
genip = geniep, nevel, mist
genipan = donker worden
genog =A enough
genota {mv genotas} = bondgenoot, reisgenoot, metgezel
genough =A enough
gensa = soort mes; ON gense
gent = vz tegen; VWoud gent
geo = vroeger
geo geara = lang geleden
geoc = juk; WA jok
geoc (juc, joc, yok) = juk = landmaat = hoeveelheid land dat een juk ossen in ťťn dag kan ploegen; 1 juk = 1 gras; KA yok
geogelan (guglan) = ww goochelen, toveren, jongleren; KA guglan; ON gughelen
geogelere (guglere) = goochelaar, tovenaar, jongleur; KA guglere; ON gughelare
geogoth =A geogudh
geogudh (joghet) = jeugd; KA joghet; ON joghet; ME youth
geolca = eigeel; ME yolk
geolec = gelig, geelachtig; ML djŤlek = lelijk, slecht
geolo (gelu) = geel, blond; KA geolo; ME yellow
geomring = gejammer, klacht, klaagzang
geon = ginder, ginds; TW genner, genne; ME yonder
geond = ginds, door, naar, doorgaans; >A begeond
geondferde = gindsverder, verder ginds, elders
geong [jong] (yong) = bn jong; KA yong [jong]
geongling [jongling] = jongeling
geordine {= ge:ordine AVA ordine} = gewoon, normaal, volgens de regels; GD geordie > PgBrit/Geordie
georn = bw graag; WA geern
georn = zn verlangen
geornan = ww verlangen
georne = gaarne, volgaarne
geornlic = bn jaloers
geornnis = jaloersheid
geotan = gieten; WA geten
ger >A gear (jaar)
-ger = (-gar) =* gerei, gedoe
geraede (raede) = gereed, vlug, eenvoudig; ME ready
geraede = gerei, gereedschap, uitrusting
geraest =A gerast
gerast (geraest) = gerust, rustig; KA gerast
gereaf = gerief, nut; WA gereef
gereafa (gerefa) = graaf; ME sheriff
gereafan = ww gerieven, behagen, nutten; WA gereven
gereaflic = gerieflijk, behaaglijk; WA gereeflijk
gereawe = werktuig, apparaat, machine
gerefa (refa, reeve) = graaf, baljuw, ordebewaker; KA reeve; ON gerif, greve; ME reeve, sheriff, afgeleid van scirgerefa ook scirreeve
NB Anglisch reevan, refan = effenen, glad strijken, besturen, etc. > PgAng/Sheriff
NB Saxish girivon = ten gebruike
gerefan = ww gerieven, plezieren
gerefatende = graventiende = tiende van het koren; WAoud graventende
gerifod (rifelede) = gerimpeld
gereord >A reord
geriht [geraith] = gericht, gerecht (eten, rechtspraak)
gerihtnis = gerechtigheid
gerihtas (ev geriht) = gerechten (eten, rechtspraak)
Germanie = GermaniŽ, Germanen, Germaans
gerouf = bn grof, lomp
gerra = gard, roede, dunne stok, twijg; WA gerre
gesaelig >A saelig (gezellig)
gesccap = het geschapene, schepping, creatie
gescenc = geschenk; WA geskenk
gesceon (sceon) = geschiedenis
gesceot = geschut, geweer, kanon
gese [jes] (gise, yea, aye) = ja, jawel; ON ja, jae; ML ia, ja; AU ya, yowi; ME yes
geseat = gezet; WAoud geset
gesel = gezel, makker, kameraad; ON ghesel
gesellig (gesaelig; saelig) = gezellig, blij; KA saelig; ON ghesellig; ME cosy
gesellighed (gesaelighed; saelighed) = gezelligheid; KA saelighed
gesewen = gezien
gesewen secgum = gezien en gezegd
geseys {AVA seysan} = bouwand; VW geseijs; WAoud geseys, geseeijs
gesihth >A sihth
gesin = gezin; AF gesin
geslog = geslacht, geslagen; veroverd
gesnot = gesnotter; AVA snot (ZA)
gesothon = gezeten, welgesteld, trouw, toegewijd
gespring = gespring, lente, bron; ME spring = lente
gessan = ww gissen, raden; GD guess; ME guess
gessop = heuvels, heuvelrug
gestran (geastre) = gisteren; ON gister, gester; ME yesterday
gestrandaeg (geastran daeg) = gisteren; ME yesterday
gesund (sund) = gezond; WA gesund; ME sound
gesundhed = gezondheid
gesundnis = gezondheid
geswell = zn gezwel
gesweorc (sweorc) = gezwerk, bewolkte hemel
geswerian = gezworene; WAoud gezworne
gesyd = plas, poel
get = gaat, gaande; WAoud get; ME yet
getael = snel, direct
getawe = getouw, uitrusting
getelan = pakken, uitvoeren, slagen; ON ghetelen; ME get
getenge = zich bij iets bevinden
getheon = ww gedijen
gethidan = zn getijden; ww duiden >A tidan
Gethorne = Giethoorn; dorp in NW Overijssel > PgAng/Giethoorn
getimbrian = getimmerte, bouwsel; > timbrian
gettan (gietan, gitan) = krijgen, nemen; KA gettan; GD getten = gekregen; ME get
gewat = gewater, water
gewat = voorde, doorwaadbare plaats
gewat = brug
gewat = veer, veerboot
gewat = rivier, kanaal, gracht, sloot, diep
gewat (wade) = wed, drinkplek voor dieren; ON ghewat, wade
gewaerd = gewaard, deelhebbend; WAoud gewaert
geweald = geweld; ON ghewelt; SH gewalt; DR barre; TW geweeld
gewealdig = geweldig, prachtig, geweldadig; DR barrig; SH gewaltig
gewelc = ieder, iedereen
geweorc = werk, werkstuk
gewha (gehwa) = iedereen; KA gewha
gewhaer (gehwaer) = overal; KA gewhaer
gewih [gewai] = gewei (van hert of ander dier)
gewiht [gewait] = gewicht, zwaarte, belangrijkheid; ME weight
gewinn = gewin, winst, voordeel; ON ghewin
gewinnan = ww gewinnen, winnen, verdienen
gewiss {mv gewisse} = bondgenoot; > wiss; > PgBrit/Gewisse
gewisse >A gewiss
gewist (wist) = gewest, landstreek; KA wist
gewiton = zn geweten
gewitt = verstand, intelligentie, begrip
gewon = gewoon
gewona (gewuna) = gewoonte, gebruik
gewonalic (gewunalic) = gewoonlijk
gewrit = geschrift, brief, schrijfsel
gewuna =A gewona
gewunalic =A gewonalic
gha [ggaa, ggee] = hoogte*; >A ga (gouw, etc); > PgAng/Gha
Gheetlo =A Ghytelo
Gheetmen {1381 AD} = Gieten bij Ommen
Ghernaer {1318 AD} = Gerner bij Dalfsen
Ghetel =A Ghytelo
ghyg (gigge) = buggy, sjees = lichte 2-wielige kar getrokken door ťťn of twee paarden; ON ghyg, gigge; ME gig
Ghytelo (Ghetel, Gheetlo, Geclo) = Gietelo in Voorst (Ysselland); AVA geat (gat, plas) + loha (beboste hoogte)
gi (ge) = ge, gij, u; KA gi; ON Ghy
gibada = geboden, nodig; >A gebiddan
gidanc = gedank, dank
giefan {giefan, gaef, giffan} (geafan) = ww geven; KA giefan; LW duon; GD give, gi; ZW giva [giwa]
giefta = huwelijk
giefu = gave, gift
gield = geld, oogst, opbrengst, offer; ME yield = opbrengst
gieldan = gelden, oogsten, offeren, betalen; ME yield
gielte = gelt = gesneden zeug
gierne = gaarne, graag; WA geerne
giernan = ww verlangen; ME yearn
gierela = mantel
gierwan = kleden, aankleden, voorbereiden, uitrusten
giescaemp = ganzenkamp, ganzenwei; ON giezencamp; WAoud giesceamp; WA giezenkamp
giese {ev gos = gans} = ganzen; WA giese; ON giezen; ME geese
giest = gast, bezoeker
giestfrihed = gastvrijheid
giesthus = gasthuis = ziekenhuis, hospitaal, bejaardenhof
giestpliht = gastplicht = de plicht om gasten gepast te ontvangen; > PgAng/Gasten
giestrandaeg (gestrandaeg = gisteren; ON gester; ME yesterday
giestriht = gastrecht
giet = nog, toch, nog steeds, verder, gaande; WAoud giet, get = gaat; ME yet > nu giet
gietan (gitan) = ww krijgen, nemen; KA gettan; GD getten = gekregen; ME get
gif = gegeven, als, indien; ME if
gihwaes = gewas; ON ghewas
gift = gift, gave, geschenk
gig (yict) = jicht (# rugpijn); TW gig
gigge (ghyg, buggig) = buggy, sjees = lichte 2-wielige kar getrokken door ťťn of twee paarden; ON gigge, ghyg; ME gig
giglan = ww giechelen
gild = geld, schuld; ME guild
gild = gilde; ON ghilt
gill = ravijn; GD gill
gilpan = ww janken; WAoud galpen
gimbre = gember (# kruid)
gin (gean) = geen; KA gin; GR gain; TW+AH gin; TWoud gen, genne; AH gin
ginc = jongen, vent; ME gink >A cinc
gincal (ginc, cincal) = kinkel = jongen, brok, hufter >A gingal
gingal = wandelaar, landloper >A cincal
gingalan = heen en weer lopen, drentelen, langzaam lopen, wandelen; GR gingeln, gengeln
gingalum = oord waar landlopers verblijven
ginyn = geeneen, niemand; WA giniene
ginnan =A gapan
gipp (eap, eoppa) = iep (# boom)
Gippeswic = Ipswich/Suffolk
gis = gis = slim, handig, pienter, uitgekookt
gise [jis] (gese, yea) = ja, jawel; ON ja, jae; HD dzji; ML ia, ja; AU ya, yowi; ME yes
gist = gist; ME yeast
gistan = ww gisten
gitan =A gietan (ME to get)
giwan = kijken, loeren, hunkeren; WA giewen
giwan = voorbij snellen; AH giwn
glaed = blij; ZW+DN glad; ME glad
glaefe = speerpunt, lancier
glaem = glim, glans
glaeman = glimmen, glanzen; RY glemmen; ME gleam
glaes = glas; ON glas, gelaes; ME glass
glaesan = ww beglazen
glaesblaesere = glasblazer
glaesblaesery = glasblazerij; WA glasblazerie
glaesmakere = glasmaker
glaesmakery = glasmakerij
glaesofen = glasoven
glaeswerc = glaswerk
glaeswercere = glazenier, glazenmaker, spiegelmaker; ON glasewerkere
glaeswyrhta = glasmaker, glasblazer
glaran = glaren, gloren
glead = blij
gleadnis = blijheid
gleaf = gleuf, spleet; AH glieve
gleaw = voorzichtig, wijs
gleban = ww kleven; ON cleven
glebe = kleve = stuk land van een priester als onderdeel van loon
gled = gloed, vuur
glengan = versieren, inkorten
gleo = vreugde >A freagd
gleoan = gloeien, glunderen, blij zijn, verheugen
glidan = glijden; ON gliden; WA glieden
glimman = ww glimmen
glint = hek, omheining; ON glint; DR glint
glintan (glittan) = glinsteren, schitteren
glinte (glitte) = schittering, pracht, praal; ON glint, glind
glis = schaats gemaakt van been; ON glis
glisian = glinsteren
glissan = ww schaatsen
glittan (glintan) = glitteren, glinsteren; ON glittan
glitte = glitter
gliw = barst, spleet
gliwa = gluurder
gliwan (gloran) = ww gluren
glof = handschoen, geluf, klip
gloman = ww gloeien
glomung = gloed
gloran = ww gloren
gloran (gloweran) = ww gluren, staren; ME glare
glowan = ww gloeien; TW gloawen; ME glow
gloweran =A gloran
glowwyrm = gloeiworm
Glumme = Glimmen in Groningen
glupan = ww gloepen, gluren
glupe = gluurpost, heimelijke waakkpost; SL gloepe
gnaet = mug; ME gnat
gnagan = knagen
gnidan = kneden, beuken, stampen
gnornian = knorren, treuren, klagen
-go in regionamen =A gow
goaglan = giechelen; AH goegeln
goar (gor, gyr) = moeras, broek, laagland; TW goor; VW gor, gore
goata = bijkeuken
God = God; OD got
NB LW Dewa = god; goda = eer
god = god, godheid; ZW gud [guud]; AR gheu = opgeroepene, aanbedene
god (good) = bn+zn goed; KA good; DR+TW+AH good; VL goo; EZ gued [ggoed]; ZW god; AU gubba [ggoeba]; OT* gub [ggoeb]; ME good > gudh
god = het goede, welzijn, welgaan
god daeg! = goede dag! (# groet)
god gan! = goede reis!, het beste!; TW good gaon
god niht! = goede nacht! (# groet)
god morrow! = goede morgen! (groet)
God wot = God weet
goda = eer
godceap = goedkoop (= goede koop)
godcundnis = godheid, heiligheid
godfaeder = peetvader
godhus = tempel, kerk, abdij, klooster, herberg, cafť; ON goedhuus; WA godshuus
godman = opperpriester = iemand die de goden en hun wil kent en hun heilgdommen en erediensten verzorgt
godmod = geschikt; WA goodmoods
godmodig = goedmoedig; WA goodmodig
godnis = goedheid, deugdzaamheid, positiefheid, juistheid, correchtheid, vriendelijkheid, weldadigheid, welgaan; OE godnes; ME goodness
godpal (manapal) = godenpaal, totempaal
godsibb = roddel, achterklap; ME gossip
godspell = gospel
godsunu = peetzoon
godwudu (haelwud) = heilig woud
goer =A gor
goet (gaet) = goot, waterloop; ME gutter
goeth (gaeth) {AVA gan = gaan} = gaat
goindaeg = woensdag; ON goinsdaech; WA gooindag, goonsdag
gol (gul) = geul; WA gol, gul
gold = goud; WA gold; ON gold; ME gold
gold = bv gouden, rijk, geweldig, goed; WA+ON+ME gold
goldblom = goudsbloem (# bloem)
golde (daegeseage) = madeliefje (# bloem)
goldhord = goudhaard, schat
goldmine = goudmijn
goldrodd (wyrmcrod) = guldenroede (# kruid)
goldsmidh = goudsmid
goldwerc = goudwerk = gouden sieraden; WA goldwark
goldweorp = rijke grond, uitstekend stuk land; VW goldworp
gole = muil, keel; ON gole
gole = moeras; ON gole
gone = gene, gindse; ON gone, ghone; ME goon
gong =A ganc
Goo = Gorecht = regio in Groningen > PgAng/Gorecht
good (god) = bn goed; KA good
goose (gos, giese) = gans; KA gos; ON goose; TW goas; DR goas; ZW gas [ggoos]; ME geese
gor =A gore (moeras)
gore (goar, goer, gor, gour, gyr) = moeras, modder, slijk, drasland, mest; KA gore; ON goer, gore; ME gore
gorel = gareel = halsjuk van trekdier (paard, os, e.d.)
gorel = moerasbos, veenbos; VW gorel, garel
gorelmakere = gareelmaker
gorga = zn keel; WA gorgel
gorgalan = ww gorgelen
gorge (gorgere) = halsstuk van wapenrusting; ON gorgere
gorge = kloof
gorgere (gorge) = halsstuk van wapenrusting; ON gorgiere
gorig = bn+bw goor, morsig, vuil; NH gory
goriser (mosiser, uriser) = moerasijzer, ijzeroer
gorman = veenwerker; ON+WA goorman
gorn = gaarde, tuin, hof, puntvormig land; WA goarn
gors (gars) = gras, grasland; VW gors
gors =A gorse
gorse = gors = schor, zandplaat, kwelder, aangslibt land
gorse = buitendijks land, aangeslibt land; ON gors, gorse
gorsel = klein grasland
gorst (gaerst, baerlic, bere) = gerst; KA gaerst; WA garst
gorst = braamstruik (# plant)
gorsta (gaersta) = gerstveld; KA gaersta; WA garste
gos (goose, giese} = gans; KA gos; ON goose (mv giezen); TW goas; DR goas; ML angsa; AR hamsa; ME goose
gosberie = kruisbes (# vrucht)
gosbour (gosman) = ganzenboer
goscaemp = ganzenwei; ON giezencamp
NB Giezenkamp/Vorden = Ganzenkamp. Aldaar was ooit een grote ganzenboerderij.
NB Goosemarkt/Almelo
goscote = ganzenhok
gosdrifere = ganzendrijver
gosere = ganzehoeder
gosfether = ganzeveer
gosh = gos, gut!
goshodere = ganzenhoeder
goslad = ganzenjongen
gosmaerct = ganzenmarkt; ON goosemarct
NB Goosemarkt in Almelo
gosman (gosbour) = ganzenboer
gosnarc = ganzenkooi = kooi om wilde ganzen te vangen; OE goosnarg
> PgDix/Kooien
gosnarg =A gosnarc
gospenning = goospenning = loon van een boereknecht of- meid
gospluccere = ganzenplukker
gosplume = ganzeveer, schrijfpen
gosscaelc = ganzehoeder; ON gosschalk
gossery (giescaemp) = ganzenhouderij, ganzenfarm; ON giezencamp
gossey = ganzeneiland = eiland waar veel wilde ganzen bivakkeren
gossey = dikke wollen trui (# kleding)
gosweda = ganzenwei
gote = goot, afvoer, vloed; ON gote, goyte; ME gutter
Goth {mv Gothas} = Goot = stamlid Goten
Gothan (Gothic) = Gothisch
Gothas = Goten = Germaans volk wonend in Zuid-Zweden; > PgAng/Goten
Gothic (Gothan) = Gotisch
gour =A gor (moeras)
gow (gaw, scire) = graafschap; KA gow
VB Kerverangow = Cornwall, graafschap in zuidwest Engeland
gow = gave, aanleg; TW goaw
-gow (-gowe) =A -ga
-gowe =A -gow, -ga
Gowc {mv Gowcas} = Chauk = iemand van de Chauken (volkstam)
gowc = lompert, dwaas; GD gowk
gowcig = lomp, dwaas
gowgerefa (gawgerefa) = gouwgraaf = bestuurder van een gouw; KA gowgerefa
gowgeriht (gawgeriht) =A gowthing
gowing = gouwvolk = inwoners van een gouw
gowspece = gouwspraak, gouwtaal = streektaal van een gouw
grabban (gripan) = ww grijpen, grissen, stelen; ON grabben
graed = begeerte, hebzucht; ME greed
graedig = gretig, begerig, hebzuchtig; ME greedy
graef = graf
graefhyll (caim) = grafheuvel
graefcest = grafkist
graeffeld = grafveld, begraafplaats
graefgeard = graftuin
graefplate = grafplaat
graefston = grafsteen
graeg (gris) = grouw, grijs; ME grey
graepe =A greapa (grape)
graes (gaers) = gras
graes = gras = landmaat; 1 gras = 0.5 Ha
graesan = ww grazen
graescaemp = stuk grasland, weiland; WA graaskamp
graesdune = grasduin = graspol
graesere = grazer; i.e. koe, paard, rund etc
graesland = grasland
grafan = ww graven
grafe = graaf = gegraven watergang; i.e. sloot, kanaal; VW greve, grave
graft (greaft) = gracht; KA greaft; TW greft
grain = graan; ON graen; WA graon
grainacre = graanakker
grainan = ww greinen, bewerken, oneffen maken
grainfeld = graanveld
grainmyl = graanmolen; ON graenmul
grainmylen = graanmolen
grainre = graanzolder; ON graenre
gram = gram, boosheid
grammes (grams) = ellende, zorgen > PgAng/Renkum/Gramsfort
grams =A grammes
gramscip = gramschap, boosheid
gran = zn kreun
granan = ww kreunen
granat = soort krab
grand =A grant
grane = baardhaar, snorhaar; ON grane
grange = greintje, klein landgoed
granhus = klaaghuis, sterfhuis
granian = ww kreunen, steunen, grienen, grijnen, klagen
grant (grand) = grind (grint), kiezel, steengruis, geklopte keisteen, zand; ON grint; WA grand, grend, greend
grant (grand) =A grantston
granta = grindveld, veld met veel grind
granta = gekreun, gesteun, geklaag, klaagzang
granthus = huis gebouwd van grindsteen
NB Grinthuys in Dieren/Gld
grantston = grindsteen = steen gemaakt van grind en leem, soort zandsteen; WA grandsteen; GD grunston; ME grindstone
grapplan = ww grabbelen
grasian = ww grazen
graw = bn grouw
grawan = ww snauwen; WA grauwen
greabba = gracht
greaf = greef, houweel
greafel = greffel (gravel), gruis, grind, steengruis, kiezelsteen; ON gravele; WA grefel, grevel
greafeldic = greffeldijk = dijk gemaakt van greffel
NB Grefeldijk te Lemelo in Overijssel.
greaffa (bessfaeder) = grootvader; WA groffa; GD granda
greaft (graft) = gracht; KA greaft; TW greft
greamma (bessmodor) = grootmoeder
greand (holm) = griend = begroeide wateroever
greandbusk = griendbos
greandwercere = griendwerker
greans (mearce) = grens; WA greans, graans
greansan = ww grenzen, begrenzen
greanscruce = grenskruis = grens tussen twee kerspels
greansplat = grenstaal; WA graansplat
greapa (graepe) = grape = pot met 3 poten en 2 oren
great (grut) = bn groot; WA grut
Grecas = Grieken
gren (grene, grun, grus) = bn groen; WA green, greun; AH gruun
gren = green = grove den
grenbour = groenteboer; GR groenboer
grendan = malen, slijpen, knarsen, slijpen; ON grenden; ME grind
grene (gren) = groen
grenholt = greenhout = hout van een green
grenhorn = groentje, jongeling, nieuweling
grenn (grinn) = grijnz
grenne (grunne) = groene = weinig gebruikte landweg
grennian (grinnian) = grijnzen; KA grinnian; WA graenzen; ME grin
grenta = weide, gecultiveerde heidegrond; ON groent, groende
greot = grind, gruis, steengruis
greaot = pit, durf
greotan = ww durfen
greotig = groots, fier, pittig, moedig, kranig; WA greuts
grep (grup, gribba, grobba, grob) = greppel, sloot, goot, geul, gracht; WA grobbe; GD grippe, groop
grese = gruis, kiezel, zand; ON grees, gruus; WA gruse
gretan (groatan) = groeten, aanspreken, aanvallen
grewal = griewel; AH grewel
gribba (grep) = greppel, gracht, sloot, goot, geul
grift = grift = wetering, gracht
grighund = hazewind (# hond); ME grayhound
grillan = ww grillen
grillad = gegrild
grim = grim, streng, wreed, boosaardig
Grim = bijnaam van Wodan, oppergod van de Angelen
grima (momba) = masker
grimaran = grimeren = gezicht kleuren
grimas = grimmas = onechte grijns
grimere = boze man, onaardige man
NB Griemerweg buitengebied Borculo.
grimig = grimmig
grind = grind
grindan (malan) = ww malen; ME grind
gring = gering, klein, weinig; DR gring
grinn (grenn) = grijnz; KA grinn; ME grin
grinnian (grennian) = grijnzen; KA grinnian; ME grin
grinta = grindweg; AH grinte
gripa = handvol; ME grip
gripan (grabban) = ww grijpen; ON gripen; WA griepen; ME to grip
gripe = grip, greep, griep (mestvork), riek; TW greep; AH grepe; GD gripe; ME grip
gris (graeg, har, hasu) = grijs, grouw; KA gris
grisle = griezeling
grislic = griezelig, afgrijselijk
grist =A grytt
gristan = grissen, wegpikken, knarsen
gristbiting = tandeknarsen
griwalan = griwelen; AH griweln
groat = 4 penny munt; ON grote
groat = zn groet; WA groat
groatan (gretan) = ww groeten; WA groaten; PD/Olb greoten
grob (grobba, grep, grub, grup, gribba, grobba, grob) = greppel, sloot, goot, geul, gracht; KA grub; TW+AH grobbe; GD groop, grippe
grobba =A grob, grep
groin (grynde) = geul, laagte
Grolle = Groenlo
grome = bruidegom
gropian = ww grijpen; WA griepen
gros (grus) = grasland; ON grosse; WA grus
grosweard = laag gelegen grasland; ON grossewaerde
grot (grut) = gort (# voeding); ON gort, grutten
grouf = bn grof
grouftende (gerefatende) = groftiende, grove tiende
grove = groef, groeve
grove = begraafplaats; AH grove
grow = groei
growan = ww groeien; ON groien; ME grow
growere = tuinier, tuinder
growet = groei
groyne = kruis, lies
grub (grob, grupp) = greppel, goot, mestgoot; KA grub; DR grup; TW grub, gruppe
grumbel = lawaai, rumoer, herrie, gerommel, donder; ON rombel, rommel; WA grommel, grummel
grumbeldeoc = grummeldoek, rommelkont, grombaard, valsaard, bedrieger
grumbelscyr = donderbui, onweersbui; WA grommelschoer
grumbelsleg = donderslag; WA grommelslag
grumblan (grumlan) = ww grommelen, rommelen; KA grumlan; WA grommeln, grummeln; ME grumble
grumlan (grumblan) = ww grommelen; KA grumlan; GD grumle
grun (grene) = bn groen; ON groen; WA grun
grun = groente, gras, weide; ON groen, gruen
grund = grond; WA groand, groond; WAoud grund
grundan = ww gronden, stoelen, baseren op
grunde >A grynde
grundel = grundel (# platte boot)
grundhut = grondhut = ondergrondse hut
NB Grondhuttenweg in Bentelo/Twente.
grunettan = ww grommen, knorren
grunfince = groenling (# vogel)
grundgeat = grondgat, kuil, groeve, steengroeve, kiezelgroeve; ON grontgat
grundwercere = grondwerker (# bouw)
grunling = groenvis (# moddervis)
grunne =A grenne
gruns = grens > PgAng/Renkum/Grunsfort
grunt = grasland; ON groent
Gruosne {897nC} = Groesbeek/Nijmegen
grup (grep, gryp, gribba) = greppel, sloot, gracht; GRoud gruppe
grup = groep
grupan = ww groeperen
grupp (grub) = mestgoot, smalle gang; AH gruppe
grus (grun, gren) = bn groen; ON groes
grus (gros, grun) = gras, weiland; ON groes; WA gros, grus
grusheag = brede grasstrook om ploeg te keren; WA groshegge
grut (great) = bn groot; WA grut
NB Grut Muldersland in Nijbroek/N.Veluwe
grut (grot) = grut = gebroken graan
grutpappe = gortepap, grutten
gruw = afschuw
gruwal = zn gruwel; WA gruwwel
gruwalan = ww gruwelen; WA gruwweln
gruwan = ww gruwen
gruwsum = gruwzaam, gruwlijk
grymetian = ww brullen, tieren
grynde (groin) = geul, laagte
gryp (grup, grep, gribba) = greppel, sloot, gracht; GRoud gruppe
gryterny = grieternij = ambstgebied van een grietman
grytgeriht = grietgerecht, grieternijgerecht
grytman = grietman = bestuurder, burgemeester, rechter
grytt (grist) = gruit = mout = mengsel van gagel, hars, salie, serpetien, rozemarijn en koriander; gebruikt voor maken van bier; ON grute, gruut
gudh = god, godheid; KA god; AH god; WA god; WAoud guet; >A dugudh = deugd, god
gudh (good) = goed, landgoed; KA good; AH good; WA good; WAoud guet
gudhus = havezathe; AH guthus
guglan (geogelan) = ww goochelen, toveren, jongleren; KA guglan; ON gughelen
guglere (geogelere) = goochelaar, tovenaar, jongleur; KA guglere; ON gughelare
gui = vrouw; AH guie
guiltleas =A gyltleas
gul (gol, gyl) = geul, smal water; VW gul; WA gol, gul; ME gully
gullig = groot mes; GD gully
gulp = slok
gulpan = ww gulpen, gutsen, golven, slikken; GD gollup
gulsic = gulzig; ON gulselike
guma = man, echtgenoot, bruidegom
guman (hiwan) = huwen, trouwen
gume = aandacht, zorg; ON goem, gome
gumme = gom, hars; ON gumme, gomme
gung =* bende, troep, volk; ME gang
gunne = ander, ginds; AH gunne
gunne (gynne) = land; VW gunne
guran = strooien
gus = droog, leeg; AH gus
gust = guts, vlaag, windvlaag
gusta = bn onvruchtbaar; WAoud gust
gusta cow = onvruchtbare of niet drachtige koe
gustan = ww gutsen, overstromen
guth = strijd, veldslag
guthan = strijden, vechten
guthas = moed, durf, strijdvaardig; ME guts
gutta {mv guttas} = goot; AH+LM gutte; ME gutter
guttan = gutten = verwijderen van ingewanden van geslacht dier of vis
guttan = ww gutsen, stromen
guttas >A gutta
gwas = vazal, leenman
-gy = -tje; DR -gie
gybel = drijfbalk rosmolen; WA geubel
gycan = kijken, controleren; WA geuken
gycere = controleur; WA geuker
NB Geukerdijk in Haaksbergen
gycce = jeuk; WA jok
gyccean = ww jeuken; ON jucchen; WA jokken
gyl (gul) = geul
gyldan = gulden (# munt)
gyldan = bn gulden, gouden, van goud
gylt = schuld
gyltig = schuldig
gyltleas (guiltleas) = schuldeloos, onschuldig
gynne (gunne) = land; VW gunne
gyr = geur
gyr = guur, goor
gyr (gor, goar, ..) = moeras
gyr = kind
gyran = ww geuren
gyrd (geard) = gordel; KA gyrd; ON gort, gurdel
gyrdan = ww gorden, omgorden
gyrig = bn geurig
gyrle = klein kind, meisje
gyrta = gort
gyrtpappe = gortepap
gyrwefen = moeras; WA goar = moeras, veengebied
gysarm = tweesnijdende strijdbijl; ON ghisarme
gyse = vermomming; GD gize
gysel = natte kou, vochtige kou; WA giesel
 
h::
h-... ze -...
ha (ho) = have, hoeve, gehucht
haa (hoo, hoe) =A ha
habban (hewan) =A hebben; ZW ha; ME have
habuc (heafoc, hafoc) = havik (# roofvogel); KA heafoc
habuccrod = havikkruid (# bitterkruid)
-had =A -hed, -hod; KA -hod
hac = hak, houweel, schoffel; AH hakke
hac = soort korte bijl met dwars blad om houtvlak te effenen; o.a. gebruikt in de botenbouw
hac = soort bijl met lange steel en dwars blad om grond te spitten; ML tjankol
hac (hace, hacta, hax) = uitsnede, uitgehakt stuk bos, clearing in bos
haca = grendel
haca (hac, hoc, wincelhaca) = haak, hak, houweel, winkelhaak, hoekhaak
NB in de haak = in de winkelhaak = in orde
haccan (haccian, haxan) = hakken, schoffelen; KA haccan; AH hakn; OE hacken; ME hack
hacce = hak, hakmes, pikbijl
hacce = veld met veel hakhout; ON hakke; VW hakke; VWoud hacce
hacce = haksel = fijngehakt stro, e.d.; TW hakke
haccebord = hakkebord (# muziek)
hacchan = ww broeden; ME hatch
hacchling = kuiken
haccian (haccan, haxan) = ww hakken, schoffelen; KA haccan; OE hacken; ME to hack
haccle (bracce) = soort ijzeren kam om vezels (vlas, hennep, e.d.) te scheiden; vlas- of hennepkam
hace (haecce) = haak
hace (hac, hacta, hax) = uitsnede, uitgehakt stuk bos, clearing in bos
hacod = hecht, snoek (# vis); ON heket
hacta (hac) = uitgehakt gebied in bos
NB Hengelo/TW De Hakte (buurt)
-had (-hed, -hede, -hod, -hyde) = -heid, -dom, -schap; KA -hyde; WA -hood
VB cildhed = kindheid
hadan = ww verordenen, vorderen, voorschrijven
hadod = verordend, gevorderd, voorgeschreven, clerikaal
hadric = knopherik (# kruid); ON haderic
haec (hec) = hek, poortje
haecce (hace, hoecce) = haak, kromstaf, bisschopstaf
haecta =A heagda
haedh (haedhe, haitha) = hei, heide, heideveld, vlakte, woeste grond; KA haidh; WA heet, hiet; AH hied; BR haai; AG haid; ME heath
haedhe =A haedh, haedhen
haedhen (heddeman) = heidebewoner
haedhen = heiden; zo noemden christenen mensen die zich niet hadden bekeerd tot het christendom
haedhere = heidebewoner
haedhland = heideland; WA heetland, hietland
NB Hietland/Lochem-Borculo
haefan (habban) = ww hebben
haefde {AVA haefan = hebben} = had
haefen = haven; ME haven
haefot = inhoudsmaat voor graan; ON havot
haefre = haver; WAoud hawer
haefresacc = haverzak (# matras)
haeft = heft, handgreep
haeftan = ww vasthouden
haeftnied = onderwerping
haegan = ww hijgen; WA hagen
haegl (hagal, hagol) = hagel; KA hagal; ON haghel; WA haegl, hoagl; ZW hagel; AF hael; ME hail
haeglan (hagalian) = hagelen; ON haghlen, hagglen
haeglcruc = hagelkruis = kruis om gewas te beschermen; WA haeglkruus
haeglscyr = hagelbui; WA haeglskoer
haeglsten (hagolsten) = hagelsteen
haeglstorm = hagelstorm; WA haeglstorm
haegtes = hagedis; ON haghetisse; WA ewweltas
haegtes (wicca, wicce) = heks; WA hakse
hael (hal, haele, hale) = heil, gezondheid, geluk, zegen, welvaart, heelheid; ON heel; AF hael; ME hail
hael (hal, haele, hale) = bn heel, gezond, welvarend, gaaf, ongeschonden; ON heel; GR hail
haelan = ww helen, gezond maken, zegenen, halen
haeldael = helemaal, volledig; WA helendaol
haelcunst = heelkunst, heelkunde, geneeskunde
haele = krijgsman, soldaat, held
haele (hale) = heil, geluk, zegen, heellheid
haeled = held
haelend = heiland
haelfred =A halfred
healic = exalteerd, vervoerd
haelig (hilg) = heilig; DR hillig
haeligdom (haligdom) = heiligdom
haeling = healing, heel/gezond maken
heall =A hal
haelmaester = heelmeester, geneesheer
haelnis = heelheid, gezondheid
haelster = halster
haelth (halta) = gezondheid >A halta
haelu = genezing, redding
haelwud (godwudu) = heilig woud
haemu (hem, heym, ham) = huis, heem, woning, woonplek, oord; KA ham
haepse = klamp, beugel, grendel, gordel; ME hasp
haepse (haps) = gesteld zijn op; TW haps
haer (her) = haar (# lichaam); ON haer, hair; AU yarra; ME hair
haer (her) = bz haar; ON haer, hair; DR heur; AH eur; ME her
haera (haru) = haar, hare = begroeide hoogte, zandrug, zandhoogte; WA har
haera (haru) = haar, hare = zandige heuvelrug, hoog gelegen heidegrond
haerdrag = haardracht
haerefst = herfst; ON herefst, hervest; WA harfst, harfs, haarfs, haerfs
haerf = oogst
haerfan = ww oogsten
haerfest = oogst
haerfestan = ww oogsten
haerflete (haernett) = haarnet
haerfs = herfts; AH harfs
haerfsan = rouwen > PgAng/Harfsen
Haerfsen =A Harfsunne
harfssunna = herfstzon; WA harfszunne > PgAng/Harfsunne
Harfsunne = Rouwtijd (herfst) = tijd van bezinning en rouw > PgAng/Harfsunne
haerfta = oogst, herfst
haering = haring (# vis)
haernett (haerflete) = haarnet; gebruikt om haar in vorm te houden
haeroyl = haarolie
haes = bevel
haesa (heasa, haessa) = heze, hees = bos van bomen of struiken van ťťn soort; struikgewas, kreupelhout; ON hese
NB Wolfheze (dorp bij Arnhem) betekent Wolvenbos. De regio valt binnen oud Anglisch gebied. Wolfheze is al vůůr 800nC bewoond. Dus voor de instroom van Franken en Saxen in NO Nederland.
haesan = ww bevelen
haesc (hara, hasu) = haas; VW haaske
haesegearwe = hazegerwe (# duizendblad; kruid)
haesel = hazel, hazelaar (# boom) >A hassle
haesel = bn lichtbruin
haeselholt (haeselwudu) = hazelhout, -bos
haeselmusc = hazelmuis (# veldmuis)
haeselnut {mv haeselnutu} = hazelnoot
haeselnutu = hazelnoten
haeselta = veld met veel hazelaars; VW haselte
haeseltid = hooitijd
haeseltima = hooitijd; EA haesletime
haeselwudu (haeselholt) = hazelhout, -bos
haessa =A haesa
haest = haast, heftigheid; ON haest; WA haost; ME haste
haestig = haastig
haet (hod, hood) = hoed; KA hood; ON huet; WA hood; ME hat, hood
haet (hit) = bn heet
haete (haetu) = hitte
haetere = hoedenmaker; ME hatter
haeth = heide; ME heath
heathberie = bosbes (# vrucht)
haethen = heiden
haett {AVA hatan, heton = heten} = wv heet > ww heton
haetu (haete) = hitte; ON hete
hafe (have, hofe, hof, howe) = have, hoeve, hofstede, hofstee, vee, bezit, eigendom, stuk land, tuin > PgAng/Have
hafenian = havenen = toetakelen, beschadigen, grijpen
hafoc (heafoc, habuc) = havik (# roofvogel)
hag (haigh, haugh, hough) = bn hoog; KA haigh; ZW hŲg [heug]
hag (haigh, haugh, hough) = hoogte, heuvel; KA haugh; ZW hŲg [heug]
NB Korte Hag in Stokkum (Montferland) is een hoogte (heuvel). #FRI/jan2014
hag = zachte plek in heideveld; harde plek in moeras; ME hag
NB Het Hag in Zenderen/Twente
hag (hagg) = hoge turfhoop; GD hag, hagg
haga {mv hages} (hagu) = haag, hage, hagen = omheining, bos laag hout; KA haga; ON haga, hage; DR heeg, hege
hagal (hagol, haegl) = hagel; KA hagal; ON haghel; WA haegl, hoagl; ZW hagel; AF hael; ME hail
hagalaz = harmonie, heil en geluk > PgAng/Hagalaz
hagalian (haeglan) = hagelen; ON haghlen, hagglen
hagathorn = hagedoorn (# struik)
hagg > hag
hagman = beheerder turfhoop
hagmyl = hagmolen = molen op een heuvel
hagol (haegl) =A hagal
hagolcruc = hagelkruis = kruis om gewas te beschermen
hagolian = ww hagelen
hagolsten (haeglsten) = hagelsteen
hagu {mv hagus} (haga) = haag; KA haga; ON haga, hage; DR heeg, hege
hagunnan = ww beginnen
-haid (-had, -hed, -hyde) = -heid; KA -hyde; TW -heed; GR -haid
haidh (haedh, haedhe, haitha) = heide, heideveld, vlakte, woeste grond; KA haidh; WA heet, hiet; AH hied; BR haai; AG haid; ME heath
haigh = hoog; >A haugh
NB Haigh komt voor als familienaam in Engeland.
haigh (hay, hey) = omhegd erf; KA hay
Haitabu = Heideborg
haitha (hatta, hedde, haedh) = heide
haithawaeg = heideweg
hal = zn hal
hal (hale, hol, hool) = hol, boog, gat, laagte, kuil, bedding, grot, gehucht; KA hool; ON hol, hoel; VW hoele, hal, hale; OE houl; ME hole
hal zn =A hel >A heall
hal = bn heel, gezond, krachtig, ongeschonden; KA hael; ME whole
hal = bn droog; TW hoal
hal = dorsvlegel; TW hoal
hal- (hel-, half-) = half
hala = strook droog land, gezellige hoek
hala (hale, hall, all) = huis, gebouw, omheinde grond of wei
halan = ww halen, behalen, verwerven; ON halen
halcunst =A haelcunst
hald yer cop = houd je kop; GD haadyergob
haldan = houden, vasthouden, pachten, huren; ON halden, holden; ME hold
halde (hold) = zn greep; WA hold
haldere = houder, pachter, pachthouder
halding = pacht, pachtland, pachthoeve
hale (haele, hael) = heil
hale (hall, all) = huis, gebouw, omheinde wei
hale = bn heel, hele; KA hael; GR haile
hale (hal, hol, hool, houl) = hol, boog, gat, laagte, kuil, bedding, grot, gehucht; KA hool; ON hol, hoel; VW hoele, hal, hale; ME hole
haleg = heilig
Haleg Aefen = Hielige Avond; WA hilligen aovend
Haleg Maent = Heilige Maand = december
half (healf) = half; WAoud helv
half siex = LT half zes = half zeven
-halfa = -halve, omwille van
halfnacod = halfnaakt
halfred (haelfred) = heil en vrede
halfwaeg = halfweg, halverwege
Halfwaeg = Halfweg = locatie halfweg een vaste route. Vaak is daar ook een restaurant of hotel.
halfsaed = halfzaad = mix van twee graansoorten in gelijke verhouding
halga = bn heilig
halgian = ww heiligen, vereeren
halhus = hallehuis; ME hall > PgAng/Hallehuis
halian = ww helen
haligdom (haeligdom) = heiligdom
hall (hale, all) = huis, gebouw, omheinde wei
hallig (halig) = heilzaam
hallinc (hellinc) = halve penny (# munt)
hals = hals
hals = gat, plas, meer; VW hals
halsgeat = keel; WA halsgat
halt (halta) = halte, pauze, rust; OA = halta; KA+OE halt; ME halt
halta (haeltha) = gezondheid, welgaan; KA halta > PgAng/Haltes
haltian = pauzeren, rusten, stoppen; ME halt
halwende = nuttig
halwendignis = nuttigheid
ham = ham = gerookt rundvlees
ham (utham) = land in een bocht van weg of water
ham = hoeve aan de rand van een water (rivier, beek, meer, zee)
ham (hem, heym, haemu) = huis, heem, woning, woonplek, nederzetting, oord; KA ham; ME home
to ham = tehuis, thuis
ham (um, stedt) = locatie, plek, plaats, huis, stede, oord, woonoord
ham = stuk grond in kromming van waterloop
ham = onderlopend grasland aan water > hamric
ham >A Hamacre
hama = haam = jukband voor paarden, borstriem
hamacre (ham) = afgeperkt stuk land; VW hamakker
hame = thuis; ME home
hamer = hamer; ME hammer
hamlet = klein oord, gehucht
hamma = ham, schenkel (# vlees)
hamma = landtong, beboste hoogte in moeras; WA hamme
Te Harreveld in de Achterhoek ligt het veld Hammendeure. Vandaar loopt de Hammenstege naar 't Heetland, een zandhoogte. 't Heetland (heideveld) ligt in een groot drasland.
hamma = inham, bocht; VW hamme
hammere = bewoner (eigenaar) van een ham (heem, huis)
hamol = hamel = engerling = larve van meikever
hamol (wedher) = hamel = gekastereerde ram; KA hamol; ON hamel
hamric = versterkt huis, borg, burgt
hamric = onderlopend grasland bij hoogland
hamsted =A hamstede
hamstede (hamsted) = heemstede = groot landhuis, omgracht en met singels (= gracht + buitenmuren, ringmuren, wallen)
hamweard = huiswaards; ME homeward
han = zijn, van hem; ME his
han (hum, hume, hyme) = huis, tehuis
han = slijpsteen
hana (rystar, roastar) = haan; WA hoane
hanan = ww slijpen
hanc = hang, helling, hoogte; WA hank, haank
hanc = neiging, kram, rek, droogschuur, trek
hanc = kreek, rivierarm; ON hank
hanc = dode rivierarm; VW hank
hanc = heup, schenkel; ON hanc
hanciser = hangijzer = ijzeren ketting met haak (# gereedschap)
hand = hand, handvat, greep, wegwijzer, zijde; ON hand; WA haand; ME hand
handaex = handbijl; ON handaex
handbagge = handtas
handcweorn = handmolen
handfol = handvol
handig = handig; AH hendeg; ME handy
handlian = ww handelen
handoferan = ww overhandigen, aanreiken; ME handover
handtreowa = belofte van trouw; ON hanttrouwe
hane- (hone-, hoan-, hoon-) = hoge-
VB hanekamp = hogekamp = hoog gelegen stuk grond
hangian = ww hangen; ON hengen
hon = hing
hangman (bilman) = beul
hann (crane) = kraan, tapkraan
hanocc = gespuis; WA hanake
haoble = klein kind, onhandig persoon; AH haobel
happan = happen (# eten), bijten, gebeuren; ME happen = gebeuren
happe = gebeurtenis, kans, geluk, toeval
happe = hap, mondstuk, fopspeen; WA happe
happening = geruststelling, gebeurtenis; ME happening
happig = happig, graag, belust, gretig, verlangend; NV happig; DR happig; ZA happig
happig = tevreden, blij, gelukkig; NV happy; ME happy
happignis = tevredenheid, gelukkigheid, blijheid; ME happiness
haps (haeps) = gesteld op, graag mogen, gretig; TW haps
har (gris) = bn grijs
har = heer, grijsaard; ON her = heer; > here
har =A haera
hara (hasu, haesc) = haas; VW haaske; ME hare
haran = scherp maken; AH haarn
harant = arend (# roofvogel); ON harent
Harawa {897nC} = Herwen/Liemers
harc (horc) = hark; KA harc; WA hark
harcan = ww harken
harcsal = harksel, met hark bijeen geveegd maaisel; WA harksel
harg = vesting
hark > harc
harkan (lystian) = horen, luisteren; KA hyran; ON horken; ME hear
harle =A herle
Harnberg {ST} = Hardenberg
harr = had (vt heb); WA har
harran = hadden (vt hebben)
hars (hors, hers) = paard; KA hors
harsc = bn ruw, grof, stug
Harssloo {KVL/1557} = gehucht bij Bennekom
hartha = de harde, sterke, ruige
hartha = hard en ruig gebied
hartha (heard) = bn hard, gehard, sterk; KA heard; ME hard
haru (haera) = hoogte, heuvel (# ZWHp9)
Harvel = Harreveld/Achterhoek > PgAng/Harreveld
harwan = ww eggen (# landbouw)
harwe = eg (# landbouw); ME harrow
haselt = veld waar veel hazelaars groeien
hasig = wasig, nevelig, mistig, vaag; ME hazy
Haslo (Aescloa, Ascloa) = Asselt (N.Limburg) = de laagte bij de esbomen
hasplan = haspelen; AH haspeln
hassle *=A haesel
NB Locaties: Hasselo, Hasselbach, Hasselfelde/Harz
hassuc = graspol, knielkussen
hasta (lance) = speer, lans > PgAng/Hasten
Hastingas = Hasten (Anglische stam) > PgAng/Hasten
hasu (gris) = bn grouw, grijs; KA gris
hasu (hara) = haas; ON hase; > PgAng/Koolhaas
hasufot = hazevoet (# plant)
hat = bn heet
hatan (heton) = ww heten; KA hetan; heht = hij/zij heet; ON hieten
hatan = ww opdragen, bevelen, roepen
hate (hete) = haat; ON haet, hate
hatian = ww haten
hathir (haitha) = heide
hatta (haitha, hedde, haedh) = heide
haugh (hon, hoon, hone, hough) = bn hoog; KA haugh; ON hoghe, hoich (1557); GD haugh, heugh
haugh (hough, hag, hog, hiog, hoon) = hoogte, hooggelegen plaats, plateau; KA haugh; HZ hooghe; GD haugh, heugh
haugh [hof, harf] = weiland; GD haugh
haugh = zandige rivieroever; GD haugh
haughstrate = hoogstraat = winkelstraat
NB Hoogstraat in Doesburg. Loopt van centrum naar lager gelegen buitenwijk.
haukan = stelen; ON heuken
haukar = dief; ON heuker; ME hawker
hauw = houw, slag
hauwan (howan, heawan) = houwen, slaan, hakken, vechten; KA howan
hauwberc = maliŽnkolder
hauwel = houweel; ON hauweel
hauwere = houthakker, steenhouwer, slager; ON houwere
hauwlan = halen, slepen, trekken
have (hafe, hofe, hof) = have, hoeve, vee, bezit, eigendom, stuk land > PgAng/Have
haveland = land van de have; WAoud havesland
haveling = bestuurder; WAoud hoveling
havesatu (satu) = havezate, zate
haw (hoe, hafe, hove) = have, hoeve, omheind of ommuurd huis; KA haw
hawan (awan) = ww bezitten, hebben*; GD aan; ME own
NB Munster/NW Duitsland streektaal: hawan = hebben. > PgAng/Angelmodde, Awan
hawl = vangst
hawlan = ww slepen, trekken, vervoeren
hax *=A hac, hacta = clearing in wildernis of bos
NB Haaksbergen was vroeger Haxbergen. In Yorkshire ligt twin Haxby, wat hetzelfde betekent.
haxa = gehakt, gerecht van gehakt beenham; HZ haxe
haxal = gehakt veevoer, e.d.; WA haksel
haxalan = haxelen, fijn hakken, mengen
haxan (haccian) = hakken
hay (haigh, hey) = omhegd erf; KA hay; ME haye > PgAng/Nolde
he [hie] (hy, hi, hie, han*, se) = hij, het; ON hi, he; KA hi; GR hai; DR hai, hi; TW+AH he [hee], hee, hi; SW hi; ME he
heada = hede = vlasafval; WA hee
headha (haitha, hedde) = heide; WA heedt, heet, hiet, hedde; ME heath, moor
headhfeld = heideveld; WA heetveld
headon = heden, tegenwoordig; WAoud hiden
heafan = ww hebben
heafan (hemmel, heben) = hemel, hiernamaals; KA hemmel; ON hevan, haefan
Heafan Rice (Hemmelrice) = Hemelse Rijk, Hemelrijk
heafanric = hemelrijk; ON hemelrice
heafd (heafod) = hoofd, leider, overste, aanvoerder, havendam, golfbreker
heafd- = eerste, bovenste, hoogste, belangrijkste, voornaamste
-heafd = -hoofd = eerste of belangrijkste persoon, instantie, stuk of deel van iets
VB schoolhoofd, wijkhoofd, dijkhoofd, etc
heafdan = ww aanvoeren, leiden
heafdman = hoofdman, hoofdeling, leider, bestuurder, kapitein, locale bestuurder; ON hovetman, hoeftman
heafdmanscip = ambtsgebied van een hoofdman; ON hovetmanscap
heafdstol = recht van een heer op het beste stuk vee of huisraad; ON hovetstol, -stal
heafdston = hoeksteen, grafsteen; ME headstone
heafdwaeg = hoofdweg, belangrijkste weg
heafdwind = tegenwind
heafig (hefig) = hevig, heftig; KA heafig; ME heavy
heafoc (hafoc, habuc) = havik; KA heavoc; ON havec, havic; DR heavik
heafod (heafd) = hoofd; ON hovet; WA heufd
heaftig = heftig; ME hefty
heag (heah, haigh, haugh, hoon, hone, hon) = bn hoog; KA heag; WA heeg, heech; EZ hech; ME high
heag (hagu) = heg, haag; ON hege, heghe, haghe; KA haga; WA hegge; WAoud hieg; DR heeg, hege
heagan = ww omheggen, omheinen, beschermen >A heage
heagda (haecta) = heegde = met struiken omheind perceel; VW heegde, hachte; DT gehege
heagda (hiehta) = hoogte; WA heegde
heaglic = trots, arrogant; WA heeglik
heah (heag, haugh, hoon, hone, hon) = hoog; EZ hech; ME high
>A hiehst = hoogst
heahfaeder = aartsvader, stamvader, patriarch
healdan = ww houden; ME to hold > heoldan
healdan (holdan) = bezitten
healdere (holdere) = houder, bezitter, eigenaar; VW helder
healf (half) = half, zijde; WA helv
healfnacod = halfnaakt
healh = hoek
heall = hal, zaal, huis, landhuis, landgoed, paleis; >A hel
healm = halm, stengel
hean = bn veracht, laag
hean = hoon, schande
hean = rust, kalmte
hean (hone) = hoogte
heanding =A heaning; ON heindinge
heanes = hoogheid (# titel); ME Highness
heanga = hek, omheining, tuin, nederzetting; VW henge; WA henge
heanga = geheime omheinde tuin; ME henge
heanga (heanghe, henge, geheanga) = hengsel, scharnier, beugel; KA henghe; ON henghe; WA heng; ME hinge
heanga = scherpe bocht
heanga = scherpe hoek of helling > PgAng/Henge
heangan (hengan) = ww scharnieren, draaien, berusten
heangan = ww omheinen
heangnis = toestemming, verlof; ON hengenisse
heanig = rustig, kalm, voorzichtig; AH haneg; WA heanig
heanig (heaning) = omheining; ON heinige
heaning =A heanig (omheining)
heoldan = ww houden; TW holden, hoalden
heolding = houding; TW holding, hoalding
heap (hyp, hop, hope) = hoop, stapel, hoogte; KA hope; ON hope, hoep, houph; WA haep, heup; ME hope
heapan (hopian) = ww hopen; WAoud haepen
heapian = ophopen, stapelen
hearcanseal = herkenzeel = stroband om garven te binden tot een gast
hearcnian = horen, luisteren; KA hyran; ME hearken
heard (hartha) = bn hard, sterk, zeer sterk, streng, moeilijk; KA heard; ON harde = zeer, erg, sterk, nauwelijks, matig; ME hard
heard = haard, woonkamer; later: huis; WA heerd; BR herd
heard = heerd = boerderij met rechten, i.b. olderman en redgerschap
hearde (heardman, hirde, hudman) = herder
Heardingas = Hardingers = volk van Hardingen > PgAx (Hardingen)
heardman (hearde, hirde) = herder
heardscip = moeilijkheid, probleem; ME hardship
hearic = herik (# akkerkruid)
hearm = schade, letsel, kwaad, leed, ellende, smart, pijn; ON harm; ME harm
hearmian = schaden, pijnigen, kwetsen
hearmta = veel leed, lijden, ellende, pijn
hearmtawaeg = lijdensweg
NB Hermteweg in Neede
hearnes = harnas, paardetuig; ON hernas
hearp = grote zeef (voor graan, kiezel, e.d.); NV harp
hearpan = ww zefen
hearpan = ww harpen, harp spelen; ON harpen
hearpe = harp
hearpere = harpist, harpspeler; ON harpere
hears = hars; ON hars(t), hers(t)
heasa (haesa) = kreupelhout
heasta = land met veel kreupehout; ON heast
heathan = bn heiden
Heathobeardas = Anglische volkstam
heave (hefe, craeg) = drijvend veengrond; ON heve
heawan (hauwan, howan) = houwen, slaan, vechten; KA howan
heawsceansa (sceansa) = schans; WAoud hewenschenze
hebban = ww heffen, oprichten, optillen; vt hefde
hebban = ww hebben >A hevvan
heben =A heafan
hec {mv hecs} =A hecce
hecce (haec, hec) = hek, poortje; WA hekke
hecg [hedge] (heg, hegge) = heg, haag; KA haga; ON hecge, hegge; DR heeg, hege; TW hegge; ME hedge
hecghog = egel (# dier); ME hedgehog
hecgmusge = heggemus (# vogel)
hecpreost (hecgcue) = hagepreker, ongeletterde priester
hecle = hekel = 1: plank met spijkers om vlas te bewerken; 2: afschuw
heclian = ww hekelen = 1: vlas over een hekel halen; 2: verwijten
hecs (haegtes, wicca, wicce) = heks
hecs (hex, hux) = heuvel; KA hex > PgAng/Heksen
hecsle = heksel = kort gesneden stro
hecsmilc = wolfsmelk (# plant); TW heksemelk
-hed =A -hod
hedde (haitha, haedh) = heide; ON hedde
heddebour = heideboer, heiboer
heddecow = heidekoe; > PgAng
heddeman = heideman = heidebewoner
hede =A hedde = heide
NB Hedeby = Haitabu = Heideburg = oude hoofdstad van Angeln
hede =A hoda; ME heed
-hede =A -hod
hedegaerd = heidetuin
hedehus = heidehuis, huis op de heide
heeg = haag, heg; KA haga; ON hage, hegge; DR heeg; hege; SL/Zalk hieg; WA heeg, heege; ME hedge
heegde = bouwland omheind met haag; WA heegde
heegweard = landwacht = bewaker van heegden; ME hayward
heel = heel = nageboorte van koeien
heep = hiep, hakmes, kapmes, snoeimes
hefan = ww heffen
hefbeam = hefboom
hefcrane = hefkraan
hefde = hief (vt hebdan)
hefe {AVA heafan = hebben} = heeft; TW hev
hefe (heave, craeg) = heve, kragge = drijvend laagveen; VW heve
hefelic = hevig, zwaar, ernstig
hefelthread = draad (# weven)
hefen = haven, hemel
hefig (heafig) = bn hevig, heftig, zwaar; ME heavy
heafigtieme = beproeving
hefignis = hevigheid, gewicht, last
hefigtieme = bn lastig, zwaar, belastend
heg (hecge, hegge) = heg, haag; KA haga; ON hecge, hegge; DR heeg, hege; WA hegge
hegge =A heg
heht = hij/zij heet > hatan
heir (heyr, her) = heer, landeigenaar; KA heyr; ON heir, heyr, here
Hel = godin van de onderwereld
hel (hal) = rijp, bevroren grond, hel; NB >A hell, heall
hel = zn hel
hel = bn hel, helder, licht, wit*
hela = zn hiel; ME heel
helhound = hellehond (# Mythologie)
helhus = wit huis
NB Helhoesstraat Hengelo/Ov
hell = helling, glooiing; schuinte, hellend vlak, schuin vlak; VW helle
hell = laagte, laagland; VW helle
hella = helling, glooiing; VW helle
hellacre = schuine of glooiiende akker; VW helakker, hellenakker
hellan = hellen, glooien, schuin staan, schuin aflopen
hellig = boos, kwaad, woedend; WA hellig
hellignis = boosheid, woede; WA hellighed
hellinc =A hallinc; ON hellinc
helm (helmet) = helm (hoofddeksel)
helma = helm = stuurwiel om roer van schip te regelen
helmbart = hellebaard (# wapen)
helmet (helm) = helm; ON hellem
help = hulp
helpan = ww helpen
helspittan = hielspitten = vestingseis (traditie) in markegronden; > PgAng/Hielspitte
helstan = kristal
helwaeg (holwaeg) = holle weg, lage diepliggende weg, lijkweg, handelsweg; WA helweg
hem =A ham
heme (homme, humme, hume, heme) = heem, huis, tehuis
hemedhe = hemd
hemel [hemmel] = luchtruim, ideale toestand, ideale levensomstandigheden, hiernamaals
hemman = ww beteugelen
hemmel (hemel, hemmol, sceo) = hemel, lucht, lustoord; KA hemmel; WA hemmel
Hemmelrice = Hemelrijk, Hemelse Rijk
hemming = krekel; AH hiemke
hemmol =A hemmel
hemmolbylt = grenssteen, grenspaal; WA hemmelbelt
hemmolcaeg = hemelsleutel (# donderkruid)
hemmolrice = hemelrijk = grond van prima kwaliteit; VW hemelrijk
hemp (henep) = hennep
hempbracce (haccle) = hennepkam = plank met spijkers om hennepvezels te scheiden
hempsaed = hennepzaad = oliehoudend zaad
hende = nabij, intiem
henep (hemp) = hennep
henepacre = hennepakker
henepsaed = hennepzaad
Heng- = Eng-, Ang- > PgAng/Heng-
hengan =A heangan
henge (heanga) = helling
henge = overhangende rots; YK henge
henge (heanga) = hengsel, scharnier; ON henghe
hengest = hengst; ON henxt
henghe (heanga, henge, geheanga) = hengsel, scharnier, beugel; KA henghe; ON henghe; WA heng; ME hinge
hengist =A hengest; ON hinxt
henn = hen (# pluimvee); ON henne, hinne
hennfeld = kippeveld
NB Familienaam Hennevelt.
hennhus = kippehok; ON henhuys
NB 't Henhuys (restaurant) in Zenderen/Tw
henne (hennis) = bw heen, verder, voort; WA hen
hennis =A henne
hensi = tenzij
heod = hut; WA hot
NB Hottenvoortsweg in Raalte.
heoda = gehucht; AH hoede
NB Armhoede (gehucht in Lochem) AVA earm (arm) + heoda (gehucht)
NB Armfield in Engeland
heofon = hemel
heofonlic = hemels
heofonrice = hemelrijk
heogh = hoogte, kaak; GD heugh
heoldan = hielden > healdan
heolstor = holster (# pistool)
heonan = voortaan, van hier
heopa = hiep = bes van hagedoorn
heopa = joop (# plant)
heord = horde, kudde; PD herde; ME heard; > hirde
heorde = vlasvezel
heorot (heort) = hert (# dier)
heorr = scharnier; NV harre; ON har; ME harr
heort (heorot) = hert (# dier)
heortbal = hertenbal = voorjaarsfeest (30 april) waarbij ongehuwde mannen vermomd als hert een nacht lang feest vieren in een drinkhal
heortcrone = hertekroon > PgAng/Koning, Herten
heorte = hart; ME hart; ML hati = hart, gemoed
heortfeaste = hertenfeest, bokkenbal
Feest waarbij ongehuwde mannen vermomd als hert een nacht lang feest vieren in een drinkhal.
heortlic = hartelijk
heortweda = hertenweide
heordh = haard
heordhfyr = haardvuur
heostan = ww haasten; AH heusten
her (haer) = zn haar; ON haer, hair
her (heir) = heer, landeigenaar; ON here
her (haer) = bz haar; KA her; ON haer, hair; DR heur; ME her
her (hier) = vz+bn hier; ON her; TW heer; GD heor; OD hie; ME here
AL The here man = de man hier, deze man
heraefter = hierna, na dit; ME here after
Herdenborg {1229 AD} = Hardenberg/NO Overijssel
here = heer; ON her > har
here = leger, bende; ON heir
here = hier, hierheen; ON here; ME here
here- = here-, heren- = van de landheer
herebaen = herebaan = brede en belangrijke weg voor verplaatsing van troepen; ON heirbaen
hereban = dienstplicht; ON heirban
herebeorg = AVA here (leger) + beorg (borg) = legerplaats, kazerne, herberg; ON hereberghe, heirborg, herberghe
herebeorg = herberg; WA harbarg; ON hereberghe, heirborg, herberghe
herebyth = oorlogsbuit
herefeard = herevaart = krijgstocht; ON herevaert
hereman = soldaat
herereaf = legerleider, legerofficier
herescare = legergroep; ON heirschaer
herespic (herespic) = legerbrug
heretoga = veldtocht; ON heirtocht
heretoga = hertog, legerleider
herewaeg = hereweg, legerweg
herewic = legerkamp, kamp
herfe = vererfbaar stuk grond; ON herve
hergan = ww eren
hergian = plunderen, teisteren, martelen
herging = plundering, marteling
herian = loven, prijzen
herige (hier) = hier
hergy = hond voor de lange jacht
heriman = legerheld, oorlogsheld
herispic (herespic) = legerbrug = brug voor verplaatsing van legers
Herispich {400nC} = Spijk/Rijn; AVA heri (leger) + spic (brug)
Herkelo = Harculo > PgAng/Harculo
herkien = ww horen; KA hyran; ON horken; ME hark > hieran
herle (harle) = weefsel van vlas of hennep
herlic = heerlijk, van de heer (landeigenaar)
herlicdom = heerlijkheid; ON heerlijcheit
herr =A her, heir
hers (hars, hors) = paard; KA hors
herscip (herscype) = heerschap, landsheer, leenheer; WAoud herschop
herscype =A herscip
herse = paardekar
hertuge (heretoga) = hertog, generaal; later vorst van een gewest; ON hertoghe
heru = zwaard
heruta = slagveld
Heruten {1310} = Herfte bij Zwolle
hesp = heup, gewricht, scharnier, ham; ON hespe
hesscarre = hessenkar = ossenkar
het {AVA hefan= hebben} = wv had; SW het = heeft
hete (hate) = zn haat
heton (hatan) = ww heten, verzoeken; ON hieten; DR hieten; > haett
heton him secgan = laat hem zeggen
heton him secgan Bretweala nahtnesse = vertelt hem over de rampspoed in Brittannia
heton him sendan maram fultum = vraagt hem meer troepen te zenden
NB ON (1591): Joncheer Johan van Steenwijk hadde Verdougo hieten doen ... had hem laten weten
hetting = weide, weiland; WA hetting
NB Hettingstraat in Bronkhorst.
heudan =A hodan (hoeden, beschermen)
hev = heb, heeft; WA+SH hev; AH hef >A heafan
hevan = ww hebben >A hevvan
hevet = wv heeft; WAoud hevet
hevet under = heeft in bezit
hevvan {hev, had, had} (habban, haefan, hewan) = ww hebben; KA hevvan; ME have
hevvan, hev, had, had; Ic, ye, he/se, we, ye, se hev/had had
hewan [hewwan] (hevan, hevvan, hebban, habban) = hebben; KA hevvan; WA hewn; WAoud hewenn
hex (hecs, hox, hux) = hoogte, heuvel; KA hex > PgAng/Heksen
hexle = kleine heuvel
hey (hay, haigh) = omhegd erf; KA hay
heym (ham) = heim, heem
Heymiss {1240 AD} = Heemse bij Hardenberg
heyr (heyr, heir, her) = heer, landeigenaar; KA heyr; ON heir, heyr, here
Hic (Ic, Ick) = ik; KA Ic
hid [haid] (hyd, fael) = huid, vel, vel perkament; ON hude, huut
hid [haid] (higid, fael) = 120 acres = hoeveelheid land nodig om 1 hiw te onderhouden; 1 hiw = 1 huishouding = 1 familie + medewerkers
hidan [haidan] (hydan, hudan, hodan) = schuilen, verschuilen, verbergen
hide [haid] (hede, hyde) = schuilplaats, bergplaats
hide [haid] = maximale omvang land dat in een smalle aaneengesloten reep ossehuid past
hider [hidder] = vz hierheen
hie [hie] =A he (hij)
hieg =A hoy (hooi)
NB VW+WS hieg = heg >A heeg, heag
hiegan (hoyan) = ww hooien
hiegbearg (hiegsticc, hoybearg, hoysticc) = hooiberg
hiegland (hoyland) = hooiland
hiegslaeg (hoyslaeg) = hooislag, laaggelegen hooiland
hiegsticc =A hiegbearg
hiehst = hoogste >A heah
hiehta (heagde) = hoogte; WA heegte, heegde, heghte
hieldan = buigen, hellen; ON ww helden
hielf = handvat, steel
hielkan >A hylcan
hier (her) = vz+bn hier; GD heor; OD hie
hier die = deze; NB ZuidHollands/ZuidAfrikaans hierdie = deze
hiera dagum = deze dag
hiera willum = naar eigen wil
hieran (horan) = horen, gehoorzamen, volgen; KA hyran; ON heuren; WAoud haren; ME hear
hierde = herder
hierdraeden = bewakingsdienst
hierdraeden = wachtschip = oud oorlogschip in haven; o.a. gebruikt voor training
hiere = bn vriendelijk, zachtmoedig
hiere (hire) = bz haar
higian = streven naar; VA NL hijgen
higid =A hid
higora = meerkol, ekster, specht
hil (hulle, hyll) = heuvel, hoogte; ON hil, hul, hulle; VW hil, hul
hilg (hilig, haelig) = heilig; DR hillig
hilig (hilg, haelig) = heilig; DR hillig
hiltha = zolder boven koestal; AH hilde, hielde
him = hem; KA him; ON him; DR hum, hom; TW hum, um; SW him; ME him
himthigi = ter ere van hem
hin = heen; TW hin, hen
hinaef (hinof) = hiervan; ON hinof
hinase = behalve
hinberies = wilde frambozen; TW hinbeern
hincapinc = hinkepink (# kinderspel met steen en doos); WA hinkepink
hinclan = ww hinkelen (# kinderspel)
hind = hinde
hindan (hint, behindan) = achter; KA behindan; ME behind
hinde =A te + inde = ten/ter einde; VWoud hinde
hindon = zich aanpassen; TW hendoon
hindrian = hinderen
hin (hine, him) = hem, zijn (van hem); KA hin; TW sien, um
hine =A hin (zijn = van hem)
hine = vz heen
hingan = ergens heen gaan; TW hengoan
hinlopan = ergens heen lopen
hinman = klein persoon; AH hinneman = klein ventje, onnozel mens
hinnig (hunig, honech) = honing; GD hinny
hinof (hinaef) = hiervan; ON hinof
hint (hinden) = vz achter; KA behindan; GD hint; ME behind
hiog =A haugh
hire (hiere) = bz haar
hirde (hearde, heardman) = herder
hirdhound = herderhond
hirdstaef = herderstaf
hired = familie, gezin, huishouding
hirra = onrust
hirral = onrustig; DR hirrel
his = bz zijn, van hem
hiscrane = hijskraan
Hisla {815nC} = Yssel; > PgAng/Yssel
hisple = klein mager kind; AH hispel
hissan = ww hijssen
hissan (sissan) = ww sissen, sissend geluid maken
hit (it, yt) = het, deze; KA it; ON it; WA et; DN et
hit = hit = pony (# paard)
hit = had (v ww hebben)
hithe (hythe, eth) = have, hoeve, haven; komt voor in locatienamen
hiw = huishouding; 1 hiw = 1 familie + medewerkers
hiw = uiterlijk, verschijning, vorm
hiwan (guman) = huwen
hiweth = gehuwd; ON huwet
hiwlic (hylic) = huwelijk; WA hylik
hiwrig = huiverig; DR hiwwerg
hiwwan = ww huiveren; DR hiwwern
hladan = ww laden; KA ladan
hlaeder (laedder) = ladder; KA laedder; ON+WS ledder; ME ladder
hlaeder =A hlaedder
hlaedig (laedig) = bn leeg, vrij, ongehuwd; KA laedig; ON ledich, ledig
hlaedige (laedige) = jongedame; KA laedige; EZ Ledige = vrijgezelle dame; GD laddy; ME lady
hlaefdige =A hlaedige
hlaera (hlar) = laar = clearing, open plek in bos, weide, boomgaard, drasland; KA laera; ON laer, lare
hlaes =A hlot; KA laes; ON laes
hlaest = last; KA laest
hlaf = loof, blad; KA laof; ME leaf
hlaf = stuk brood; KA laof
hlaford = broodheer, landheer, leenheer, heer; KA laofford; ME lord
hlar =A hlaera
hlaw (law, low) = helling, lage heuvel; KA law; ME low; #WAB/p66; zt -low, -loo, -loe
hleadder =A leadder
hleahan (leahan) = lachen; KA leahan
hleahtor (leahtor) = gelach; KA leahtor; ME laughter
hleapan (luppan) = ww lopen; KA leapan; WA leupen, luppen; WAoud loepen
hleapwince (cifwit, ciwit, pewit) = kievit; ME lapwing
hlehhan (lehan) = lachen; KA leghan; WA lahhen
hleo (ley) = lij, oever, laagte, luwte, beschutting, schuilplaats, woonoord; KA leo; AH lei; ME ley; zt -lee
-hleo =A hleo
hleodryhtne (leodryhtne, torcca) = torque (# gouden sieraad); KA leodryhtne
hleom = soort plant; KA leom >A hleomoc
hleomoc = soort slootplant; uitgang -oc = -achtig; de plant lijkt dus op een plant met de naam hleom; KA leomoc
hleonian >KA leonian (leunen)
hleowe =A low, hliwe; KA leowe; ME low, -low
hlid = deksel; KA lidh
hliehhan (liehan, hlehhan) = lachen; KA liehan
hliodh (sang) = lied; KA liodh; WA leed
hlitha =A litha
hliwe (hleowe, hly) = bn luw, zonnig, warm; KA leowe; ON hly = warm
hlot (hlaes, las) = lot, plek, bebost stuk land; KA lot > PgAng/Kyllot
hlowan = ww loeien (# koeien); KA lowan
hlud (lude) = luid; KA lude; TW luud, lude
hludan (ludan, lydan) = ww luiden, schreeuwen, lawaai maken; KA ludan; TW luden
hlutor = louter, helder, zuiver; KA lutor
hly (hleowe, hliwe) = luwte, warmte; KA ly; ON hly = warmte; ME ly, ley
hlydan =A hludan
hlystan (listan) = luisteren; KA listan; DR lustern; TW luustern; ME listen
hneaw = nauw, karig, schriel; KA neaw
hnaep = nap; KA naep
hnappian =A nappian
hnecca = nek; KA necca; WA nekke; ME neck
hnigan = nijgen; KA nigan
hnitu = neet (# insect); KA nitu
hnoll = nol, duin, zandheuvel, bult, kruin; KA noll
hnoppa = wolvlok; KA noppa; ON noppe
hnutu (nutu) = zn/mv noten; KA nutu
ho (haugh, hog, hogh, etc) = hoog, hoogte
ho = hoogte
ho =A hoe
hoablan = hobbelen; ME hobble
hoable = klein kind; AH haobel
hoablig = slecht ter been; AH haobelachtig
hoac = hoek, uiteinde, kant, oord, streek; ON hoec, hoac; WA hook; ME hook
hoal = haal
hoal = getand yzeren stang boven vuur om ketel aan te hangen; AH haol
hoan- (hane-, hone-, hoan-, hoon-) = hoge-
hoc = hok, hut; OE hock
hoc (hook) = hoek; KA hook
hoc = gevangenis; AH hok, kaste
hoc = gestapeld koren op land
hoc (hoecce) = hoek, haak, herdersstaf; ON hoec; WA hoak, hook, heuk; PD hook; ME hook
NB op de hoek zitten = hurken
hoc (hoecce) = stuk land, buurt, streek, oord; ON hoec; WA hook, heuk
hoc (hoecce) = scherpe punt, priem, steekwapen; ON hoec; WA hook
hoc (angul) = vishaak; ON angel
hoc (haca, wincelhaca) = winkelhaak, hoekhaak
hocan = hoeken, hurken, aan de haak slaan, arresteren, steken
hocdale = hoekdaal = gehurkt
hocer = hoeker (# visboot)
hochpott = hutspot (# gerecht)
hocig = hoekig (# vorm); hoekig, stroef, stijf (# gedrag)
hod (haet, hood) = hoed, huif, hoogte; KA hood; WA hood; ME hood > PgAng/Hoed
hod (hoda, hode) >A hoda
-hod (-had, -hed, -hyde) = -heid, -dom, -schap; KA -hyde; WA -hood
hoda (hode, hede) = zorg, aandacht; ME heed
hoda (hod, hode, hede, hude) = schuiloord, gehucht; KA hod; TW hode, hoed; OE hode; ME heed
hodan (hudan, hydan, heodan, hutan, hidan, hedan) = ww hoeden, schuilen, beschermen, zorgen; KA hodan; TW hoden
hodcarre (hufcarre, cladwaegn, sealwaegn) = huifkar
hode =A hoda
hodere (hudere, cepere) = hoeder, opzichter
hodig = groot gebouwd; WA hodig
hodig = soort kraai
hodmakere = hoedemaker
hodmakery = hoedenmakerij
hoe (ho, hoo, how, haw) = hove, have, hoeve, gehucht; KA haw
hoecce (haecce, angol) = hoek, haak, kromstaf, pikhaak, etc
Hoene = Hoenderloo > PgAng/Hoene
hof = heeft
hof = hoef (# paard, etc); WA hoov; ME hoof
hof (hofe, hovet, have) = hof, hoeve, woning, stuk land
hofdaegas =A hoffeastes = hofdagen = Middeleeuwse traditie waarbij de koning iedereen uitnodigde om gratis bij hem feestelijk te komen eten; > PgAng/Hofdagen
hof {AVA hevvan = hebben} = had
hofe =A have
hofe = hof = stuk land; VW hof
hofe = hoeve = 16 morgen (14,4 Ha) land; minimaal nodig voor runnen boerderij 1350nC++
hofet =A have
hoffeastes = hoffeesten =A hofdaegas
hofiser (horssco) = hoefijzer; WA hoofiser
hofstol = hovestoel = recht van een heer op beste stuk vee of huisraad; ON hovestoel
hog (haugh) = hoogte; ON hoghe
hog (haugh, heah, hoon, hoe, hon) = bn hoog; ON hogh
hog = varken, zwijn
hogan = bn hogen, hoge, hoog >A hoon
hogan = ww ophogen, hoger maken; ON hoghen
hogh (hug) = omarming, knuffel
hoghan (hugan) = blij maken; ON hoghen
Hogmanagh = Oudjaarsdag, 31 december
hoh = hoogte
hol = hol, gat, kuil; ME hole
hol = hol, leeg, droog
hol = rond, gewelfd; VW hol
hol (hool) = hol, boog, gat, laagte, kuil, bedding, grot, gehucht; KA hool; ON hol, hoel; VW hoele, hal, hale; ME hole
hol = laag gelegen moerasgrond; VW hol
holbloc {mv -s} (clump) = klomp; ON holleblok
holblocs = klompen, holleblokken
holbrigge = boogbrug; ON hoelbrughe
holc (holch) = hol, holle ruimte, huis
holch [holsj] =A holc
holchere [holsjere] (holman) = holbewoner
hold = genadig, genegen, trouw; ON hold
hold (halde) = zn greep; WA hold
holdan (healdan, heoldan) = ww houden, vasthouden; KA holdan; ON holden; TW+DR holden
holdan (healdan) = houden, bezitten
holdere (healdere) = houder, bezitter, eigenaar; VW helder
hole (houle) = riool, afvoer, sloot, greppel; KA hole; ON hole, hoele
holh = bn hol; ME hollow
holhus = holwoning > PgAng/Holwoning
holm = schiereiland
holm = heuvel, hoogte
holm (greand) = griend
holman (holchere) = holbewoner; WAoud holman
holmearc = merkteken van maker in smeedwerk
holstede = kleine woning; WAoud holstede
holt = hout, boom, groep bomen, bos, beboste heuvel, bosland; ON holt; WA holt; ZW tra [tree]
holt (scaga, scawa, thiccet, holt, hot) = bosje, kreupelhout, struikgewas; KA scawa; ME shaw
holtan = hout kappen en bundelen; WA holten
holtbreal = houtzaak, houtmarkt; ON houtbriel
holtbrecere = timmerman, houthandelaar; ON houtbrekere
holtbrecery = timmertoko, houtzaak
holtcarre = houtkar = kar om blokken brandhout te vervoeren
holtcopere = houthandelaar
holtcopery = houthandel
holtdufe = houtduif
Holtheem {1381 AD} = Holtheme bij Gramsbergen in NO Overijssel
holthoc = berghok voor hout; WA holthook
holting = vergadering; WA holting, hulting
holtman = houthandelaar; ON houtman, houteman
Holton {1188 AD} = Holten bij Ane in Drente
holtrihter = voorzitter van een vergadering; WA holtrigter
holtrille = houtwal, takkenwal = wal van takken
holtspraec = rechtszitting; ON holtspraek; WA holtsproake
holtslaeg = nat laagland met bomen; WA holtslag
holtwaeg = weg door of langs bos; ON holtweg
holtwerc (wudwerc) = houtwerk, houtbewerking
holwaeg =A helwaeg
homan = huisman, huisbezitter, dorpeling
homm = ham, kniebocht, schenkel (# vlees)
homme (humme, hume, heme) = heem, huis, tehuis
hommic = hommel (# bij); TW hommike
homor = hamer, steen, rots; TW hammer
hon = ww hangen
hon (hone, hoon) = hoogte; KA hoon; WA hoon
hona = haan (# pluimvee)
honan = ww hangen; WA hungen
honcreamere = hoenderkoopman; WA hoonderkremer
honde (hunde) = plag, zode
hondere = hoenderhouder
hondery = hoenderij
hondre = hoenderen; mv van Anglisch hon = hoen, hoender
hone = hoon, schande, oneer; ON hone, hoen
hone (hon, hoon, haugh, hogh, heah) = hoog, groot; WA hoen
hone (hon, hoon, haugh, hogh, heah, hean) = hoogte, zandhoogte; KA hoon
NB Sutton-At-Hone in Kent (GB)
hone (houndre, houn, hoon) = hoen, hoender; ON hoen, hon (mv hoendre); WA hoon; ZW hun
hone- (hane-, hoan-, hoon-) = hoge-
honech (honig, hinnig, hinny) = honing; KA honech; ON honich; WA honnig; ME honey
honechmaerct = honingmarkt
honecogh = honingkoopman; ON honecoigh
hones = hoenders
Honevorde {1142 AD} = gehucht in de Liemers/Achterhoek. Locatie onbekend.
honta =A hounta
hontheof = kippedief; ON hoenredief
honwaithe = hoenderwei
hoo (hoe) =A hoe
hood (hod) = hoed; KA hood; AH hood
hook (hoc) = hoek, perceel grond; KA hook
hookscunnig = thuis voelen, de weg wete; AH hoekskunneg
hool (hol, houl) = hol, boog, gat, laagte, kuil, bedding, grot, gehucht; KA hool; ON hol, hoel; WA hool; VW hoele, hal, hale; OE houl; ME hole > hol
hoolta = veld met veel gaten en kuilen
hoon (hon, haugh, hogh, heah, hone, hon) = hoog; zn hoogte; KA hoon
hoon (hoondre) = hoen; TW+AH hoon
hoon = hond; TW hoon, hoont
hoon- (hone-, hoan-, hane-) = hoge-
hoondre = hoender, hoen; TW hoon; AH hoondere
hoondrecremere = kippenkoopman; AH hoonderkremer
hoonta = heuvelig gebied; TWoud hoonte
NB Hoonte bij Neede. Volgens muurschildering in Oude Matheus Kerk te Eibergen inderdaad een heuvelig gebied.
hoope =A heap
hoose (hose, hus, huus) = huis; KA hus; WA huus, hoes; GD hoose
hop = hoogte >A hope
NB De Hop = hoogte in Bathmen gelegen aan de A1.
hop = droog land in moeras
hop = hop = blaasinstrument van bast van een lijsterbes; WA hopke
hop = hoepel, hoepelrok; ON hoep; ME hoop
hope (heap, hyp) = hoop, stapel, hoogte; KA hope; ON hope, hoep, houph; WA hop, hope, haep, heup; ME hope
hope = dal; GD hope
hopian (heapan) = ww hopen; KA hopian; WAoud haepen; ME hope
hopman = hopman, hoofdman, kapitein
hopp = hop (# gewas)
hoppere = hopplukker, iemand eie hop plukt
hoppian =A hopian
hoppian (hoppan) = ww hoppen, springen, huppelen; WA hopken; ME to hop
hopping = kermis, jaarmarkt; GD hopping
hopu = hop (# vogel)
horan (hieran) = horen, luisteren; KA hyran; ON heuren; AR huran*; ME hear > PgAng/AmazdeÔsme
horc (harc) >A harc
hord = horde, troep
hord = voorraad, schat
hordere = voorraadbeheerder, schatbewaarder
hordian = ww vergaren, bewaren, sparen
hore = moeras, veen; WA/Zuidlaren hore
hore (hur) = zn hoer; ME hur, whore
horh = vuil, smerig
horhnis = vuiligheid, smerigheid
horle = horrel, bocht, gebogen stuk (hout, land, e.d.); WA horrel
horlefot = horrelvoet = misvormde voet
horlepipe (hornpipe) = horrelpijp, hoornpijp (# muziek); ON horlepipe; WA horrelpipe
horn (hyrne) = hoorn (van dier), stuk hoekig land, blaasinstrument (# muziek); ON horne; WA horn, heurne
horn- = horne-, heurne- = hoekig
hornblawan = hoornblazen
hornblawere = hoornblazer
horndanse = hoorndans = oude dans waarbij mannen een hertegewei op hun hoofd dregen
hornic = hoek, hoekig land; ON hornic, hornec
hornig = geil, hitsig, wellusting, wulps; ME horny
hornpipe = hoornpijp; WA hornpipe
horrig = bn horig; WA horrig, hoarig
horrig = horige; WA horrige, hoarige
horrignis = horigheid
horrwyrm = meikever (# insect); WA horrewurm
hors (hars, hers, hros, peard) = hors, paard; KA hors; ON hors; ME hors
hors = EA landmaat voor boerderijen; 8 hors farm = farm die 8 paarden nodig heeft om 't land te bewerken
horsblom = paardebloem (# bloem)
horscaert =A horscarre
horscarre = paardenkar = kar getrokken door paarden
horscepere = paardenhouder
horscepery = paardenhouderij
horscopere = paardekoper
horscopery = paardekoperij, paardehandel
horscorne = haver (# gewas); ON orscorne
horscrodd (slufhacc) = reukgras (# onkruid); WA horskroed, slofhakke
horsfael = paardeveld, paardewei; WA peardeval
horsfeld = paardeveld
horshaer = paardehaar
horsian = ww voorzien van paarden
horsmaerct = paardenmarkt
horsman = ruiter
horsmennere = paardemenner
horssco (hofiser) = hoefijzer
horsweda = paardewei
hort (ort, ord, hyrt) = punt, hoek, rand, grens; KA ord; ON ort, ord; VW hort, hoerte
hos = begroeide hoogte in drasland; TW hos
hos (hose, hoose, hus) = huis; KA hos; WA hoes; GD hose; YK [hos, hoes]; ME house
hosbonda (husbonda) = huisbaas, echtgenoot; KA husbonda; YK [hosband]; ME husband
hoscunnig = thuis voelen; AH hoeskunneg
hose =A hos (huis)
hose = beenbekleding, lange kous, broek; WA hoos = broek
Hossem {1328 AD} = Hussum bij Dalfsen
hot (scaga, scawa, thiccet, holt) = bosje, kreupelhout, struikgewas; KA scawa
hot = rugkorf; NV hot
hot (riht) = rechts; NV hot
hough (hag, haigh, haugh, hough) = hoogte, heuvel; KA haugh; ZW hŲg [heug]
houl =A hool
houlan (howlan) = ww huilen; WA hulen
houlbrygge (houle) = hoelbrug = hoge stenen brug over water
houle =A hole; ON hoele
houn [haun] (hone, houndre) = hoen
NB1 Hounslow (UK), Hoenlo (Ov), Hoenderloo (#KVL/1557: Hoenlo)
NB2 calquhoun = kalkoen > kalkoen
hound [haund] (hund, hond) = hond, jachthond; WA hund, hoond; TW hoon, hoont
hounddaegs (dogdaegs) = hondsdagen = 19juli-19augustus
Zeer warme periode.
houndre {mv -s} (houn) = hoender; AH hoondere
hounta = hoenderveld; WAoud hoonte
how (hu) = hoe?; KA how; GR hou; DR how, hou; GS how; AH hoo; GD hoo; ME how
how (howe, hoo) = hof, hoeve, huis, oord
NB Vele namen met How of -how van kleine plaatsen in Cumbria/UK.
howan (hauwan, heawan) = houwen, slaan, hakken, vechten; KA howan; AH hoauwn
howe (how, hafe) = hoeve
howeard = dorpswachter
howlan (houlan) = huilen (wind), waaien; DR hoalen
howlan (houlan) = huilen
hox =A hex (hoogte)
hoy (hieg) = hooi; KA hoy; AH heuj; WAoud hoy, hoey; ME hay
hoy pluccian = hooi plukken
hoya = kruipplant met blauwe bloemen
hoyan = ww hooien; VWoud hoeyen
hoybearg (hoysticc, hiegbearg, hiegticc) = hooiberg
hoyland (hiegland) = hooiland; WAoud hoyland
hoymaendh = hooimaand = juli
hoypluccere = hooiplukker (# ambacht)
hoyreac = hooirek, hooiberg
hoyreapere = hooimaaier
hoysceadd = hooischuur
hoyslaeg = hooislag = laag gelegen hooiland; WAoud hoyslaeg
hoysticc =A hoybearg
hoytid = hooitijd = tijd dat gehooid wordt; WA hoytied; EA heaseltime
hoywaegn = hooiwagen
hraeda =A raed
hraeding =A raeding
hraedlic =A raedlic
hraefn (raefe, rafe) = raaf (# vogel); KA raefe
hraegel =A raegel
hraegl =A raegl
hragra = reiger (# moerasvogel); KA ragra
hran =A rhan (walvis)
hrathe (rathe) = snel; KA rathe; NB NL rete snel
hratian = vallen, wankelen, haasten; KA ratian
hreac = rek, hooistapel, rook; KA rec
hreaw >A reaw
hreddan = redden; KA reddan
hremman = remmen; KA remman
hrenian = ruiken; KA renian
hreod (reod, reat) = riet; KA reat; WA reet; GR rait; ME reed
hreodan = versieren; KA reodan
hreorge = ruÔne; KA reorge
hreosan (reosan) = rijsen, opstaan; KA reosan
hreow (reow) = rouw; KA reow
hreowan (reowan) = ww rouwen, berouwen; KA reowan
hrer (rer) = zelden, zeldzaam; KA rear
hreran (reran, roran) = ww roeren; KA roran; ME stirr
hrespan >A reaspan
hrieman =A rhieman
hrif = rif, buik; KA rif; ON href = onderbuik
hrim = rijm; KA rim; ON rime; WA riem; ME rime
hrim = rijp, vorst, dunne sneeuwlaag; KA rim
hriman = ww rijmen, rijpen; ON rimen; KA riman; WA riemen
hrinan = aanraken; KA rinan
hring = ring; KA ring
hringan = rinkelen; KA ringan; ON ringen; ME to ring
hringbeard = ringbaard; KA ringbeard
hris (ris, ryse) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; KA rese; WA rese, reise, riese
hrisbusk (risbusk) = rijsebos = bos met veel rijshout; WA riesebos; KA risbusk
hrisholt = rijshout = takken en twijgen van wilgen en andere taaie houtsoorten; KA risholt
hrissan = rissen, afscheuren, schudden; KA rissan
hrist = rijst; KA rist
hrither =A rhither
hroc (roc) = roek (# vogel); KA rouc
hroeran (roeran, roran) = ww roeren, bewegen; KA reoran
hroering (roering) = roering, beweging; KA reoring
wit and hroering = fitheid en beweging (Woluspa)
hrof (rof, rove, thaec) = roof, dak; KA rofe; ON roef, rouf, roof; WA rof; ME roof
hropan = ww roepen, schreeuwenn; KA ropan
hroran (roran) = ww ruÔneren, vernietigen
hros (ros, hors) = ros, hors, paard; ON ros; WA ros
hroscomb (roscomb) = roskam; KA roscomb
hrosdeoc (rosdeoc) = rosdoek = zak voor paardevoer; KA rosdeoc
hrosmaesse (rosmaesse, cawtar) = rosmes = scherp puntmes in ploegbalk
hrosmyl (rosmyl) = rosmolen = molen (ronde ruimte) gedraaid door een paard
hrost (rost) = hoenderhok, hoenderstok; KA rost; WA roest
hrostar (rostar, russal) = rooster, luik; KA rostar
hrove (rove, rof, thaec) = dak, daken*; KA rove
hrum (rum) = roet; KA rum
hrung (rung) = rung = stang, trede, sport van ladder
hrungeat (rungeat) = gesloten, afgesloten
hruron =A hreosan
hrutan (rutan) = snorken, gonzen
hrycg (rycg) = rug, bergrug; KA rycg; ME ridge
hrydher (ryder) = rund
hrydhing (ryding, rade) = rode = gerooide plek, ontgonnen land
hrympel (rympel) = rimpel
hu (how) = hoe?; KA how; DR how, hou; AH how; GD hoo; ME how
hucan = ww roepen, schreeuwen, brullen; ON huken
huccan = ww hurken; GR hoekn; WA hukken
huccle (uccle) = ukkel, ukkie, klein kind, iets kleins
huccle (uccle) = bn klein, teer
huccleberie = kleine bes (# vrucht, plant)
hucdaelan = poepen in het veld; WA hukkedalen
hudan (hidan, hodan) = verstoppen, verbergen; ON huden
hudan = in gebruik hebben; WA huden
hudan (hodan) = hoeden, schuilen, beschermen
hudman (hearde, heardman, hirde, hudman) = herder
hude = verborgen bergplaats, schuilplek; GR hude; TW+AH hoede
hudere (hodere) = hoeder, opzichter
hudig = groot; WA hoedig
hueran = huren; VWoud hueren
huf = huig > hyge
hufcarre (cladhwaegn, sealwaegn) = huifkar, kleedwagen, boerekar = paardekar met zeildak; voor vervoer van goederen of maximaal 8 personen. Wordt veel gebruikt door boeren en landverhuizers en voor groepsvervoer. Tot in de Nieuwe Tijd.
hufe = huif, muts
hug (hogh) = omarming, knuffel
hugan (hoghan) = ww blij maken; ON hoghen
hugan = heugen, herinneren
huge = bn hoog; WA huege
hugian = heugen, verheugen, troosten
hulc = soort vrachtboot; ON hulc, holc
hulc = boerekinkel, groffe boer
hulic = hoelijk? = watvoor soort?
hulle (hil, hyll) = heuvel; ON hil, hul, hulle; VW hil, hul; ME hill
hulse = hulst (# struik), stekelige plant; ON hulse; DR huls
hum (hume, hyme, han) = huis, tehuis; CW hum
hume (hyme, heme, humme, han) = heem, huis, tehuis; WA huume, heume; SF hum >A um (huis, oord)
humman = ww hummen = zacht en lang herhalend bedroefd en somber geluid maken
humme (homme, hume, etc) = heem, huis, tehuis; SF hum
hummock = heuvel, hoogte in drasland > PgAng/Hummelo
humore = humor, temperament; ON humore; ME humor
humore = vocht, lichaamsvocht
hump = homp, groot stuk, bult
hun (huyn) = bn geelbruin, oker
Hun {mv Hunas} (Hune, Hunne, Huyn) = Hun; ON Huyn; KA Hunne; WA Huun; ME Hun
Hun = Sax (scheldnaam)
hun = grote kerel, gemene vent; TW huun, hunne; WA hune
hunc = homp, brok
hund [hont] (hound, sceapal) = hond, landmaat, honderd = 0.14 Ha; ON hont, hunt; WA hund, hoond > hundred
hund [hont] (hundred) = tw honderd
hund = plag (# turf); VW hond
hund = turfveld; VW hond
hund- (wulf-) + gewas, e.d. = slecht, minder; ON hunt-
hundcarre (dogcarre) = hondekar = kar getrokken door 1 of meer honden
hunde (honde) = plag, zode
hundeahtatig {LBT 10x8; LV eahatatig}) = tachtig
hunderholt = tiendblok; WAoud hunderholt
Hundingdum =A Hundigum
Hundingum *= Hunzingo; gebied in Groningen; > PgAng/Hundinga
hundman = hondman = hoofdman van de bewoners van 1 hont land; ON hontman
hundman = hondman = verantwoordelijk voorman van 1 hont land; ON hontman
hundman = hondman = hoofdman, aanvoerder, kapitein; ON hontman
hundnigontig = negentig
hundred [hondrid, honderd] (hund) = honderd; AVA hund (honderd) + red (-tal, aantal); YK [hondred]
hundred {AVA hund (honderd) + red (rode, gerooid land)} = gebied van 8000 Ha
hundred = legergroep van 100 man uit zelfde regio
hundred (hundscot) = regio die 100 man moet leveren voor defensie
hundred = deel van een graafschap > PgAng/Hundreds
hundred eolder =A hundman
hundredman =A hundman
hundscot (hundred) = afgebakend stuk grond van 1 hond (landmaat; AL hund); WAoud hondschot
hundseofontig = zeventig
Hundsteorra = Hondster = Sirius; ON Hontsterre
Hune =A Hun, Huyn; KA Hun
hunger (hungor) = honger; TW+AH hunger; ME hunger >A hyngran
NB Hungersweg/Neede
hungor =A hunger
hungran = ww hongeren
hungrig = hongerig
hunig (honech, hinny) = honing; KA honech; ON honich; WA honnig; ME honey
Hunne {mv Hunas} (Hune, Hunne, Huyn) = Hun; ON Huyn; KA Hunne; WA Huun; ME Hun
hunne = grote ruige man
hunnig = honing; WA honnig, hŲnnig
hunta = jacht, jachgebied; WA hunte
NB Veldhunten en Ysselhunten zijn loacties bij Ulft in De Liemers. Mogelijk waren dit ooit jachtgebieden.
huntan (huntian) = jagen
huntcott = jachthuis
huntelere =A huntere
huntere (huntelere, huntman) = jager; KA huntere; ON huntelaar; WA hunteler
huntfeld = jachtveld
huntfleasc = jachtfles
huntian (huntan) = jagen
hunting (huntinge) = jacht
huntman (huntere) = jager
Hunus = Hunze (rivier in Groningen)
Hunusga = Hunzingo
hupu = hop (# vogel)
hur (hore) = hoer
hurding = afrastering, schutting
hurhona = hoerhaan (# raaf)
hurlan = werpen, smijten, stoten; WA hurlen; ME hurl
hurr = haast, gerucht
hurralan =A hurlan
hurran = ww haasten
hurrig = haastig
hursel (hyrnet) = horzel (# insect); ON horsel, hursel
hurst (hyrst) = open plek in bos
huru = speciaal, inderdaad
hus [hoes] (hoose, huus) = huis; KA hus; ON hus, hues; WA hoes, huse, huus, uus (Giethoorn); NH hoes; EZ hŁs; EF/YK hos; ME house
husbonda (hosbonda) = echtgenoot, huisbaas; KA husbonda; EF/YK hosband; ME husband
husbow = huizenbouw
husbreccing = huisvredebreuk; ON huesbreckinghe
huscniht = huisknecht
huscunnig = ergens thuis voelend of bekend zijn; AH hoeskunneg
husfraw = huisvrouw, echtgenote; ON husvrawe
husfreath = huisvrede
husgast = huisgeest; > PgAng/Geesten
husgos = huisgans, waakgans; ON huusgans
hushold = huishouding
husholdan = ww huishouden
husholding = huishouding
hushound = huishond, waakhond; ON huushont
husian = ww huizen
husinge = huis + alles wat erbij hoort; ON husinghe; ME housing
husleac = huislook, daklook (# kruid)
husleodas = huislieden = bewoners van een huis
husleodas = huislieden = vrije en onvrije personen
husleodas = huislieden = inwoners van een regio of land
husmaerc = huismerk > PgAng/Huismerken
husman = huisman, bewoner, inwoner, pachter, boer
husmate = huismaat, huisgenoot
Husmerae = Anglische stam in Engeland
husting = hoogte, platform, rechtbank
huswa = hoezo; ME howso
huswaeter = huiswater = water voor huislijk gebruik
huswif = huisvrouw; ME housewife
huswirth = huisbaas
hut [hut] (heod) = hut, houten huisje of keet, werkplaats, fabriek; AU hillta = hut; ME hut
hut = ijzergieterij; WA hutte
hut [hoe:t] (horn) = schreeuw, hoorn; ME hoot
hutan (hudan, hodan, cepan) = hoeden, verzorgen
hutan = schreeuwen, hoornblazen, toeteren; ME hoot (claxoneren)
hutar (cepere) = hoeder
hutceorl {mv -s} = ijzergieter; WA huttekearl (mv -s)
hutcom = hutkom; >A comheod (komhut)
hutfeld (creefeld) = huttenveld = veld waar veldhutten staan
hutman = hoornblazer; =* ON+GR hoetman
NB Hoetmansmeer, gehucht bij Bovenpekela in Groningen.
huus =A hus
huve = bijenkorf; AH huve
huw (hyll) = heuvel
hux (hex, hecs) = heuvel; KA hex; > PgAng/Heksen
hux = belediging, schande, smaad
huxan = beledigen, smaden
huxlic = beledigend, schandelijk, smadelijk
huyer = puntig stuk land, hoorn; ON huier >A horn
NB Huierhoeve in Rekken/Twente
huyn (hun) = bn geelbruin, oker
huyn = barbaar > PgAng/Hunnen
Huyn {mv Huynas} (Hun, Hune) = Hun; KA Hun; later Frank, Sax; ON Huyn; WA Huun; ME Hun
hwa {wha, whaet, whaes} = wie; KA wha; ME who
hwaeg (whaeg) = wei (melksubstantie); KA whaeg; ME whey
hwael =A wael
hwaem = wiens, van wie; KA whaem
hwaer (whaer, whar)= waar?; KA whaer; ON waer; GD weor > waru
hwaerbi (whaerbi) = waarbij; KA whaerbi; ON waerbi
hwaes = vv hwa
hwaessan =A waessan
hwaet >A waet
hwaete (waete, weathe) = weit, boekweit; KA waethe
hwaethre ofer =KA waethre ofer
hwanne (hwenne, wanne, wenne) = wanneer?; KA whenne
hwant =A whant
hwar (whar, whaer) = waar?; KA whar
hwat (wat) = wat?; KA wat
hwealf =KA wealf
hwearf =KA wearf
hweather (weather) = zn weer; KA weather; ON weder
hwaettan =A weatten
hwelc (hwilc, welc, wild) = welk?; KA welc
hwelp =KA welp
hwehol =KA weol
hwenne =KA wenne
hweohhol =KA weohhol
hweol =KA weol
hweorfan =KA weorfan
hweowol =KA weolwol
hwenne =KA wenne
hwethrae (wethrae, eagther, egtir) =A wethrae
hwett = bn nat; KA wett
hwettan (wettan) = ww wetten, slijpen, scherpen; KA wettan
hwettstan (wettstan) = wetsteen, slijpsteen, scepter*; KA wettstan
hwi (wi, wearum) = waarom?; KA wearum; GD wey; ME why
hwid (wid, with, mid) = vz met; KA wid
hwil (wil, wile) = wijle, ogenblik, terwijl; KA wile; ON wile; TW wiele; ME while
hwilc =A hwelc
hwilpe (wilp) = wilp, wulp (# strandvogel); KA wilp
hwilum (wilum) = bn wijlen; KA wilum
hwisprian (wisprian) = murmelen; KA wisprian; ON wisplen; ME whisper
hwistle (wistle) = fluit, gefluit; KA wistle
hwistlian (wistlian) = ww fluiten, sissen; KA wistlian
hwit (wit) = wit (# kleur); KA wit; EZ wiss
hwiting (witing, wyting) = wijting, witvis; KA witing
hwopa (wopa) = dreiging; KA wopa
hwopan (wopan) = dreigen; KA wopan
hwopar (wopar) = klap, dreun, opdonder; KA wopar
hwosta (wosta) = hoest; KA wosta
hwostan (wostan) = hoesten; KA wostan
hwylfan (wylfan) = overwelmen; KA wylfan
Hwyncas (Wyncas) = Wynken = Anglische stam; KA Wyncas > PgAng/Wynken
hy [hai] (he, hie, han*, se) = hij; ON hi; WA he [hee], hi; SW hi
hycgan = ww heugen, denken
hyd (hid) = huid; KA hyd; ON hude, huet; AH hoed; WA huud
hyd (hid) = huid = landmaat
hydan =A hodan
hydan (hythan, hidan) = schuilen, verbergen, verstoppen; KA hydan; ON huden, hiden; ME hide
hydecopere = huidenkoper; ON huydecoper
hydecopery = huidenzaak; ON huydecopery
hyek = eik; ON heek, hyek >A ac
NB Hyekenduinen (DenHaag) = Eikenduinen
hyf (hyve) = korf, bijenkorf, bijenvolk, zwerm (bijen); ME hive
hyftar = hufter, schurk; WA hufter
hyfte = veld met bijenkorven
hyg = bn hoog; WA heug
hygan = ww hijgen
hyge = heug, zin, trek; WA heuge
hyge = keel, strot
hyglic = trots, hooghartig; WA heuglik
hyglig = hogelijk
hygnis = hoogheid, adel; WA heugheid
hyl (hael, haele, hale) = zn heil
hylda = hulde = belofte van trouw aan leenheer
hylda = gratie; ON hulde
hylfred (halfred) = heil en vrede
hylcan = huwen, trouwen; ON hielken
hylcere = huwlijksbemidelaar
hylic (hywlic) = huwelijk; WA hulik, hylik
hyll (huw) = heul, heuvel; ON hil, hul, hulle; VW hil, hul, heul; ME hill
hylloc = kleine heuvel
hyme (hume, etc) = heem, huis, tehuis; WA hume, heume; GD hyem
NB De Heume, gehucht tussen Ruurlo en Halle (Achterhoek)
hyn = hoen; WA heun, hoon
hyndar = hoenderen
hyngran ww hongeren > hungor
hyp (heap) = hoop, stapel; WA hop, heup
hype = heup; WA hup; ME hip
hyr (hyrne) = huur, pachtgrond; VW huur, huurne
hyran = ww huren
hyran = ww horen, behoren; KA hyran; WA hoaren; ON heuren; UA yuri; ME hear
hyrdere = huurder
hyrdel = horde, houten frame, raamwerk, hek
hyrdel = omheining van gevlochten twijgen; VW horde
hyrian = huren
hyrling = huurling
hyrne =A hyr
hyrne =A horn
hyrnet = hoornaar (# horzel, insect)
hyrst [hurst] (hurst) = horst = zandhoogte, hoog gelegen grond, begroeide hoogte, hoogte begroeid met struiken; zandbank in zee of rivier; KA hurst; ON hurst; DR harst; WA horst;
ME hurst
hyrst (hurst) = open plek in bos
hyrst (raest) = rust
hyrst = tooi, wapenrusting
hyrstan (raestan) = ww rusten
hyrt (hort, ort, ord) = punt, hoek, rand, grens; KA ord; ON ort, ord; VW hoerte, hort
hysan = ww hijsen
hythan [hietan, heutan] (hydan) = hoeden, beschermen, verbergen; KA hydan; ME hide
hythe (hithe, eth) = have, hoeve, haven; komt voor in locatienamen; WA heute, hiete
hytt = slag, stoot, klap, stomp
hyttan = ww slaan, treffen, raken; ZW hitta; ME hit
hyttman = moordenaar
hyvan = ww wonen, bergen
hyve (hyf, hofe) = hoeve; ON+WA huve
hyve (hyf) = korf, bijenkorf; ON+WS huve
 
i::
-i = -en; VB Saxi = Saxen
ian (and) = en
Ic (Ick, Hic, A, Ah) = ik; KA Ic; ON ick; AF ek; SH ik; GD Ah; ML Aku, Saja;
AU ngai; ME I [ai]; OT* Ai
-ic (-oc) = -ig; AF -ik >A -oc
-ic = in plaatsnamen: afleiding van wic (wick) = wijk; VB Doornik
Icelingas = Anglisch volk, afstammend van Icel van Angelen. Woont in Midden Mercia (Engeland). > PgBrit
Ick = ik; KA Ic >A Ic
ick = SL ik, ikke = eik*
NB Ikkeweg bij Bathmen/Deventer. Engeland: Ickworth
idel = bn ijdel
ie = eiland
iefers = bw ergens
ieg =A iegland
iegland (igland, ieg, ie, ey) = eiland; KA ey
ield = oud
ieldan = uitstellen
ieldast = oudste (van); AVA eald = oud >A eald
ielde = mensen
ieldra = ouder (dan); AVA eald = oud >A eald
ieldran = voorouders
ieldu = ouderdom, leeftijd
ierf =A earf
ierfan (ierfian) = ww eren, bezitten
ierfe (aerfe, yrfe) = erfdeel
ierfenuma = erfgenaam
ierfian (ierfan) = ww erven, bezitten
iernan = ww lopen, stromen
ierre = boos
iewan = tonen, aantonen
ifasc = mazelen (ziekte); AH ievaske)
ifer = ijver; WA iever
ifig = eiloof (# klimop); WA efeu; BR iefte: ME ivy
ifrig = bn ijverig; WA ievrig
ig (ay, ey, ea, a, ie) in geonamen = eiland; KA ey
-ig = -ig, -i [ie]; AH -eg; EZ -i; ME -y [ie] > Pg/Ling
iggath (iggeoth) = klein eiland; KA iggath; ME ait
iggeoth =A iggath
igland =A iegland
il = egel (# dier)
ilc (elc) = elk; AG ilk
ilcan daege = elke dag
ile = eelt
imbe = imker
imme (beo) = bij; WA imme, ieme
immhufe = iemhuve = bijenkorf
immscure = bijenschuur, afdak met bijenkorven
imposta =A posta
in = in; EZ em
-in in familienamen =A ing = volk van
inaedre = ingewanden; ON inadere
inbetwixt = intussen, ondertussen, tussen
ince = inkt; ON incte; WA enk
inde = einde; VW inde
ine (yne) = hok, herberg; KA ine; ME inn
ineran = ww voeden; ON ineren
infringan = inbreuk maken op; ON infringeren
ing =A inga
ing =A ingham
Ing- =A Eng-
-ing (-ung) = -ing, -en; KA -ing; NH -in; > -inge
Plaatnamen op -ing zijn vaak oude versterkte locaties.
NH workin = ww werken; TW wurken; ME working
-ing (-ant) = -ing, -end = durend, langdurig, steeds
-ing = al wat hoort bij, horend bij, volk van, afkomstig van > PgAng/-ing
NB1 Brunting = Brunt (mansnaam) + al wat bij hem hoort
NB2 Brunting = Brunt + al wie bij hem hoort = volk (familie) van Brunt
NB3 huysinge = huis + alles wat erbij hoort; ME housing
NB4 Kieling = iemand afkomstig van Kiel (locatie)
inga (ing) = aanhang, familie, nazaat, volk, groep, stam, volgeling
inga (ing, inge, inghe) = regio, streek, gehucht, buurt
inga =A ingham
Ingal = Angel > PgAng/Ingaldinghem
Ingaldinghem = Tinallinge/Winsum, Groningen > PgAng/Ingaldinghem
ingas = volgelingen
ingast = hengst
inge =A inga
-inge = bezit van; ON -inghe
VB Wittebroetinghe = bezit van de familie Wittebroet.
Ingel >A Angel
Ingeldes = van, uit Ingel (Ingle, Angle = Angel, Angelen, Angelland)
Ingeldesord = Ingeldes oord = oord van de Ingelen (Angelen) = Angelland
Ingelsch = Engels; ON Ingelsch, Engelsch; ME English [Inglish]
ingha =A inga
ingham (ing, inga, ings, ingtone) = versterkte locatie, burcht > PgAng/Vestingsteden
inghe =A inga
Ingland = Engeland; ON Ingelant
Ingle (Angle, Engle, Ongle) = Engeland, Angelen (volk)
Inglisc = Anglisch, Engels; GR Ingels; OE Inglis
Inglish = Anglisch, Engels; GR Ingels; OE Inglis
Ingol = Angol = Angel, Angul, etc > Angol
ings =A ingham
ingtone =A ingham
inguran = ww instrooien; WA inguren
inhave = inboedel; ON inhave
-ink = versaxte vorm van Anglisch -ing; > PgAng(ing/ink, Versaxing)
inlaeth = inlaat (van water)
inland = binnenland
inlandic = bn binnenlands
inna (innan) = binnen
innan (inna) = binnen; KA innan
innan (upbouran) = ww innen
inne = naar binnen
innera = innerlijk; ON innere
innian = invoeren, inbrengen, opnemen
inning = inning
instea =A instead; WA instie
instead (instea) = in plaats van, daarentegen; WA instie; ON instede; ME instead
inteng = tegemoet; AH inteeng
into = naar binnen
inwita = inwijding
inwitan = inwijden
iotan = jutten, bijeen rapen, verzamelen; > PgAng/Jutten
Iotan (Iotar) = Jutten
Iotar = Jutten = volk in ZW Denemarken; KA Iotar; > PgAng/Jutten
Iotena = van Iotum = van Jutland
Iotena kunn = volk afkomstig van Iotum = volk West Saxum (Wessex)
Iotene = Jutten
Iotum (Ytum) = Jutland
Ireland = Ierland
Ires = Ieren
irmin = groot
irnan =A rinnan (rennen, lopen)
irra = verward, verdwaasd
irran = vergissen, verdwalen, verwarren
is = is (wv zijn)
is (isa, yse) = ijs; WA ies
-is (-s) {AVA his} = van, iemand van, zoon van
VB Bennis = iemand/zoon van Benn; Lewis = iemand/zoon van Lew
-is (-isc) = -isch = -ig, -achtig, nogal, tamelijk
VB AL slacis = slakkig, slakachtig = traag, langzaam
isa (is, yse) = ijs > yse
isbrid = ysvogel
-isc (-is) = -isch = -ig, -achtig > -is
isen (iser) = ijzer
Isenvorde = Yzevoorde
iser (isen) = ijzer; KA iser; ON iser; WA ieser
isercoce = wafel (# consumptie); WA iserkook
Zogenoemd omdat wafels worden gemaakt met een wafelijzer.
isercot = pijlpunt, speerpunt; ON isercote
isergeatery = ijzergieterij; WA isergetery
iserhut = ijzerhut, ijzergieterij
isermine = ijzermijn
isermylen = ijzermolen = molen die blaasbalg aandrijft om vuur ijzeroven aan te blazen; WA isermul
iserofen = ijzeroven (# smeltoven) = veldoven gemaakt van verharde klei)
isersmidh = ijzersmid
iserur (mosiser) = ijzeroer
iserweorc = ijzerwerk, ijzerfabriek
isern = ijzeren, van ijzer; WA isern
Isla >A Ysel
islan = ww ijzelen
isle = eiland; >A iegland
Isle >A Ysel
isle = ijzel
Islego = Ysselgouw = Overijssel; >PgAng/Overijssel
islig = bn ijzelig
it (yt, hit) = het; KA it; ON it; WA et; DN et; AF dit, die; ML itu = dat, die; AU yetni; ME it
-ithi =A -tha, -ta
itlig = ieder, elk; WAoud itlich
itst = eet (wv eten)
ittor (ator, attor) = bn vuil, vies
ittor (ator, attor) = etter, pus, wondvocht; ON ater
ittor (ator, attor) = vuilstort, stortplaats, vuilnisbelt, vieze plek; ON itter > PgAng/Itter
Iude = Jood, Joods
iw (eow, ew) = ijf = taxus (# boom); KA iw; WA eef, ief, ieve; WAoud iew, yw; OE iw, ef; ME yew
iwland (ewland) = land waar veel iewen (ijven) groeien; WA iewland, ywland
 
j::
j- ZE y-
jarre = pot
jaspre = jaspis (# edelsteen); ON jaspre, jasper
jeonan = verbinden
jeonere [djoener] = timmerman, timmerbedrijf; > PgAng/Tjoene
jeonsta = gunst, genegenheid; ON joinste
joc = grap, lol, pret; ON joc, jock
joc (juc, yok, geoc) = juk, span, raam, ingeheide paal
joc = juk = landmaat > geoc
jocc = jeuk; ON jock; WA jok
joccan = jokken, schertsen, grappen; ON jocken
joccan = jeuken, kriebelen; ON jocken; WA jokken
joccan = verbinden, samenvoegen; ON jocken
jocce = grap, leugen; ON joc, jock
joccere = joker, grappenmaker, lolbroek
jocta = plicht; AH jochte
joe (ju) = je, jij, jou; KA ju; GR+VL joe; ME you >A ye
joen (yon) = jouw; GR joen
jogh = joch = jonge jongen
joghet (geogudh) = jeugd; KA joghet; ON joghet; ME youth
jol (yul) = plezier, vrolijkheid, gijn; ON jolijt
jolan (yulan) = ww joelen, lol maken
jolbeam (yulbeam) = joelboom, kerstboom
Jolfeaste (Yule) = Joelfeest > ZA/PgAng
jolig = jolig, lollig, leuk, vrolijk, gijnig; ME jolly
joncker = jonkheer
jonckfraw = jonkvrouw
jonckfre =A juffre
jonckhere =A joncker
jork (robe) = jurk; WA jork
jou =A yu
joyan = plezier maken, neuken; ON joyen
joyart = pleziermaker; ON joyaert
joye = plezier, genoegen; ON joye
ju (yu, joe, jou) = je, jou; ON ju, jou; KA yu; GR+VL joe; GRoud ju
juc >A geoc
juffre (joncfre, miss) = jufvrouw, jongedame; ON juffer, joffer
juffre (joncfre) = dennepaal, steigerpaal; ON juffer, joffer
juffre = libelle (# insect); ON juffer
juffre = gele lisse (# veenplant); DR juffer
juwa (yor) = jouw, uw; KA yor; ON juwe
 
k::
k- ze c-
Kantware = inwoners van Kent
kas (kes) =A cass
-ke {AVA lutke} (-ce, -ge) = -ke, -je, -tje; ON -ken; LM -ke; OE -ken, -kin
keakan (kikan, cycan) = kijken; KA keakan; WA kieken; GR kaiken; GD keek
keek = streek, gewest; RN+WF/west keek
-ken (-kin) =A -ke; ON -ken
keol (kyl) = kuil, groeve; DR koel; WA kuul, koele; WAoud kel
kes =A kas
-kes = mv van -ke
Keverangow = Cornwall, graafschap in zuidwest Engeland
kidd = klein paard; DR kidde
kide = kid, jong kind; ME kid
kikan (keakan, cycan) = kijken; KA keakan; WA kieken; GR kaiken
kikkan = ww kikken, schoppen
kil = wig, mes; WA kiel
killa = geul, diepte, bedding; ON kille
killan = ww slachten, doden; WA kielen
killere = slachter, moordenaar
-kin (-ken) =A ke; ON -kin
kin =A cene
Kinhem = Kennemerland
kink >A cinc
kinkel >A cincel
kinn (kunn, cynne) = kinne, bloedverwant, familie, groep, volk
kiva = gekijf, geschil, gevecht, strijd; ON kive
kivan = kijven
klagan (claegan) = klagen
knaa (cnawan) = bn knap; ww weten; GD knaa
knaalaeg = kennis
knarre = knar = tronk (= geknotte stam), boomstronk
knife [knaif] = mes; ON knif, knife; VW knief; ME knife [naif]
knipa = kneep, klein stuk land; WA knip, kniepe
knipan (cnipan) = knijpen; WA kniepen
knipe = keersluis; WA kniepe
kol = kool (houts-, steenkool); KA col
kram =A craem
kuning (cyning) = koning
kunn (kinn, cynne) = volk; VA NL kunne
Iotena kunn = volk van Jutland > Iotena
kust {mv kuste} = kust, zeekust
kuste = kusten
landes kuste = kusten van het land
kuthar = kundig
kuyl (ceol) = kuil, kiel, kielboot (boot met ťťn zeil); DR koel; WA kuul; WAoud cule; GD keel; ME keel
kwasa =A kwasing
NB Kwazenboschweg in Brummen.
kwasing (windbraek) = kwazing, rijshout, dun eiken hakhout of wilgenhout
kweda = inzet, naam
kwedan = kwijten, inzetten, noemen, heten
kyl (ceol, kuyl) = kuil, kille, geul, diepte, gat, groeve; ON kiele, cule; WA kuul, koel; WAoud kel; MC kil > PgAng/Kyllot
kyrian = ww keuren, toetsen, kiezen
kytyllan = ww kietelen, jeuken
 
l::
la = oh!
la =A latha (lade, etc) NB: > PgAng/Wistlawudu
laa = laagte; GD laa
labor = werk, arbeid, moeite, pijn, ellende; ON labor, laborre
lac = actie, offer
lac = gebrek, verwijt, smet, vlek; ON lac; ME lack
lac = strik, lus, snoer; ON lac
lac = bn los, slap; ON lac
-lac = actie, -lijk; VB wed = belofte; wedlac = huwelijk
lacan (laecan) = ww laken, verwijten, ontbreken
lace [lake] (lacu) = meer, plas; ON lake, laak; ME lake
lacu [lakoe] =A lace
lad = weg, reis, leiding
lad (ladde, myge) = jongen, jongeman; ME lad
lad = lading, vracht; ME load
ladan (hladan) = ww laden; KA ladan; ME to load
ladde = dienstman, jongen; ME lad = jongen
lade = schof, schuif, schuifbalk; NV lade
lade (ford, forde, fort) = voorde, doorwaadbare plaats; KA ford; ON voord, voort, fort, foort, vert; VW fort, vort, vorde; LM vorde > PgAng/Voorde
lade =A laed
ladic = ladik (# plant); ON ladic, ladeke
ladna =A lad (weg, reis) + na (naar) = weg naar, reis naar
NB Er zijn nog enige wegen in NO Nederland die beginnen met "Weg naar ...".
ladtheow = gids
laec = verwijt, gelijkenis, lak; WA laek; AGoud laik
laecan (lacan) = ww laken, afkeuren, verwijten; WA laeken
laecan = ww lijken; TW+AH lieken
laecan = ww lakken
laeccan = grijpen, bemachtigen
laece = bloedzuiger; ON lake
laecs >A laeks
laed (leada) = leiding, sloot, geul, wetering; KA leada; SL leide; OE lead
laedan (leaggan) = ww leiden, voeren, dragen, nemen
laedder (hlaeder, reafel) = ladder; KA laedder; ON+DR+WS ledder; ME ladder
Laeden = Latijn
laedig (hlaedig) = bn leeg, vrij, ongehuwd; ON ledich, ledig
laedige (hlaedige) = jongedame, vrijgezelle dame; KA laedige; EZ Ledige = vrijgezelle dame; GD laddy; EF laidy; ME lady
laedseal = leidsel (# paard); ON leidseel
laedtug = leidsel (# paard)
laefan = lieven, loven, beloven; WAoud laven
laefdige (hlaedige) =A laedige; KA laefdige
laeg (lag, lah) = bn laag; KA leag; ON laege = laag, vlak; DR lege; TW leag, leug; TWoud leech, lege; AH laeg, lege; VWoud leeu; LB loa; ZW lag [loog]; OE lagh; GD laa; PL law; ME low >A lough, low
laeg (lagh, leag, leagta) = laagte; KA lagh; TW leagte, leugte; LM leege; ZW lag [loog]; OE lagh
NB Stadskanaal-Vlagtwedde/Barlage (GRoud Barlag); Rhederlaag = de laagte bij Rheden
laeg (lee, ley) = loo, open ruimte, clearing in bos; KA ley; WAoud lee; GD laa; VWoud leeu; LB+VL ley; OE lagh; ME lee, ley >A lough, low
laeg = (lagh) laag, aardlaag; GROud/lag, lage; KA lagh; OE lagh
laeg = lang, vlak; ON laege
laegh (lagh) = ligging, positie; KA lagh; ON laghe; GROud/lag, lage; OE lagh
laeks (laecs) = laks, lui, verwijtbaar; ME lax
laekshed = laksheid
lael = buigzame twijg
laenca = onderlijf; ON lanca
laenan =A leanan
laenland =A leanland
laepan = lappen, verstellen, opknappen
laepe = lap, stuk stof, stuk grond; VWoud lappe
laeppere = oplapper, versteller; WA lepper
laer (hlaera, lear) = laar = veld, open land; ON laer
laer (hlaera, lear) = laar = clearing, open plek in bos, bosweide; KA laer
laer (laru) = lustoord >A leariga
-laer >A -ler
laera (hlaera, hlar) = laar = clearing, open plek in bos, weide, boomgaard, drasland; KA laera; ON laer, lare
laeran (leornian) = ww leren, onderwijzen; GD larn
-laere >A -lere
laered = geleerd
laerna = valk (# vogel); ON laerne
laerys = larix (# boom); ON larx; AH larke; ME larch
laes (les) = grasland, weide, weiland; ME pasture > Breckles
laes (hlot, hlaes, las) = lot, plek, bebost stuk land; KA laes; ON laes > PgAng/Kyllot
laes (laessa) = bw minder, kleiner
laesan = ww slaan, geselen; ME lash
laesan (raedan, readaa) = ww lezen, schiften; KA readan
laesbroc = weidebroek = broekland gebruikt als weide = natte weide
laeser = lazer, slag, klap
laesest (laest) = minst, minste; ME least
laessa (laes) = minder, kleiner; ME less
laest =A laesest = minst, minste
laest (latost, least, lest) = laatst; KA lest; ON laest, leest; DR lest; TW lest, laotst; AH lest; BR lest; SW laest; ME last
laest (hlaest) = last; KA laest
laet (late) = bn laat; KA late; TW loat; AH late; ME late
laetan {let, leton} (lettan) = ww laten, nalaten
laeth {mv laeths} (leth, luth) = laat, horige, lijfeigene, onvrije; ON laet, late > PgAng/Laten
laeth = landgoed, leengoed
laeth = leenbedrag
laethan {laeth, laethan} (lettan) = laten; KA laethan; WA loaten
laethland = land van een laet; ON laetland, cijnsland
laetuwe = latuw (# sla)
laeu = lauw, onverschillig
laewede = bn ongeschoold, achterlijk, laag, gemeen, ongepast; ME lewd
laf = restant, overblijfsel; ME left
lafe = overblijven; ME remain
laferce = leeuwerik (# vogel); ME lark
lafian = ww laven, wassen; ME lave
lagh (lah, ley) = bn+bw laag; KA lagh; ON laghe; VWoud leeu; ZW lag [loog]; ME low
lagh (laeg, leag, leagta) = laagte, laagland; KA lagh; GR lag, lage; LM leege; ZW lag [loog]; OE lagh; ME low
NB familienaam Barlag, Barlage (# Groningen)
NB Barlage/Stadskanaal-Vlagtwedde; Rhederlaag = de laagte bij Rheden
laghland (leyland) = laagland, laag liggend land = land net onder of boven waterspiegel
lagu = wet; ME law
lagu = look, bislook (# groente)
laguman (witman) = gerechtsdienaar
lah (laeg, lagh, ley, loha, low, le) = lo, loo, laag, laagte, moeras; ON loe; ME low; zt -lo > PgAng/Barlo
lah (leag) = nat laagland
lah (laeg, lagh, ley, loha, low) = bn laag
lahwa = poel, plas
lam = leem, leemgroeve; ME loam
lamb = lam, jong schaap; ON lamb; EF lamm
lamban = ww lammeren; EF lamming
lambfel = lamsvel; ON lambfel
lambwulle = lamswol; ON lambwulle
lamone (sceaft) = lamoen = T-balk tussen twee paarden in span van rijtuig
lamput (limput) = leemput
lamston (limston) = leemsteen = steen gemaakt van steen
lan = loon
lanan = ww lonen
lanas = zn lonen
lanc (lang, leng) = bn lang; KA lang; ON lanc, lang; GD lang; ME long
lance (hasta) = lans; ON lance
lancfel = kramp, koliek, buikpijn; ON lancevel
lanchus = langhuis = lang huis (# bouwtype)
land (lond) = land
landbowa = landbouw
landbowere = landbouwer
landcyse = grondbelasting; ON landcise, landcijse
landdaeg (felddaeg) = landdag = vergadering van afgevaardigden van een gouw
landes kuste = de kusten van het land
landfolc = landvolk
landford = voorde (doorwaadbare plek) naar akker of wei; landvoort
landgeard = landtuin, boerenerf; EA landyard
landgudh = landgoed; WA landgood
landhere = landmacht
landholdere = landbezitter; ME landholder
landleg = voor altijd; ON landsleghere
landleode = landlieden, landvolk, plattelanders
landman = landman = plattelander, iemand die woont op het platteland
Landraed = Landraad = regering van Angelland (Angle) > PgAng/Landraad
landscip = landschap, streek, gewest, provincie; ON landscap, landschip; DR landskip; WA landskap
landwaeg = landweg; ON lantwaech
landweard = landwacht, leger > PgAng/ABBA
landwer = landweer = verdedigingswerk; ON landwere
lane (lone) = laan, weg, straat; ON lane; SL lane; WA loane; GD lonne; ME lane
lang (lanc, leng) = bn lang, gerekt, langdurig, uitgestrekt; KA lang; NV lang; ON lanc, lang; ME long
langboga = langboog (# wapen); ME longbow
langbot = langboot = soort vikingboot
langlic = lang geleden
langnis = verlangen, begeerte; ON langhnisse
langwelig = langdurig; WAoud lanckwillig
laof (leaf, hlaf) = loof, blad; KA leaf; ME leaf
laof (hlaf) = stuk brood; KA laof
laoford (hlaford) = broodheer, landheer, leenheer, heer; KA laofford; ME lord
laor (hlar) =A hlaera; KA laor
laow (hlaw) = hoogte, lage heuvel; KA laow; ME low; #WAB/p66; zt -low, -loo, -loe
lapel = lepel; WA leppel
lapian = lepelen, slurpen
lapp = lap, stuk leer of stof; ON lappe
lappan = ww lappen, schoonmaken
lappan = ww oplappen, verstellen, herstellen
lappere = lapper, versteller
lar = leer, leerstelling, doctrine
lare =A lariga
Lare = Zuid-Laren (#Quedam/p111)
lareow = leraar, onderwijzer, docent
lariga (leariga, lare) = mooie regio, streek > PgAng/Laar
laru (laer) = lustoord, zandhoogte
las =A hlot
lasciser = draadnagel, lange spijker; ON laschyser
last = voetspoor; ON leest
late (laet) = laat; KA late; ON laet, late; AH late; WA laot; ME late
lath = last, leed, verdriet
lath = bn laatdunkend, slecht
latha (la) = lade, la, kist, bergplaats, stapelplaats, schuur, raadzaal*, vergaderplaats* > PgAng/Wistlawudu
lathan = ww lijden, laden, inladen, uitnodigen
lathian = ww verafschuwen
lathodan = ww belasten
lathod = bn belast
latost (laest) = laatst; WA laotst; SW laest; ME last
latthoghet = lantaarn; WA lattugte
latue = latuw (# plant); ON latuwe
lau =A law
laugh (lough) = laagte, gat, dorpskom; GR lough, loegh; DR loug; KA lough; OE laugh
NB 't Lough in Spijk/Gro is een laag gelegen stuk grond in het centrum.
lauha (lo, loo, loe) = open plek in bos; zt -lo
lauha = bosje; of?: laagte (=A lah) NB: low, laugh > PgAng/Haarlo
law = heuvel; ON law; OD lau; GD law
lawerc = leeuwerik; ON lawerke; WA leewing
lawu (tente) = tent
layan (lecgan) = ww leggen, liggen; ON leyen; AH leien; ME lay
laysig = lijzig, traag, lui; ON lijsig
le (ley, lo) = lij, laagte, laagland, veen, moeras, loofbos op oeverwal > PgAng/Brakel
-le (-el) =A le = -loo, -lo; VB Barle = Barlo, Baarlo; Reurle = Reurlo, Ruurlo; Daarle = Darloe, Daarlo
-le (-ham, -um) = huis, heem, woonstee, oord, woonoord, land
NB Angle = Angelland > PgAng/Angle
-le (-el) = bn -el, -tje, klein; VB gyr = kind; gyrle = klein kind, meisje
lea (lee, leada) = beek, rivier; KA lee; ON lee, lede, liede; TW lee
NB Loolee/Almelo, Potlee/Zeldam
lea (leah, ley, loe) = ligging, clearing, open stuk land in bos; WA lea; zt -lea, -lee, -lei, -ly
lea (leah, ly, ley, leigh) = grasland, weiland
lea >A lie
leac = look (# kruid)
leac = zn+bn lek; ON leck
leacan = ww lekken; ON lecken
leace (laes) = weiland; GD leaze
leacer = bn lekker; ON lecker
leacere = lekkerbek; ON lecker
lead = lood (# metaal)
leada (lea) = rivier, beek, etc; KA leada; SL leide; ON lehde, lede, liede; OE lead; ME lead
leada (laed) = leiding, aanvoerkanaal bij watermolen; KA leada; SL leide; OE lead; ME lead
leadan (leaggan) = ww leiden
leadder (hleadder) = ladder; KA leadder; DR+TW+AH ledder
leadere = leider, aanvoerder, gids; ON leeder, leder; ME leader
leadmine = loodmijn
leadwaeg (drifwaeg, utdrift) = weg waarlangs vee geleid wordt; ON leitweg, lijtweg
leadwit = loodwit (# stopverf)
leaf (laof, hlaf, blaed) = loof, blad; gebladerte; KA leaf; ON loef; ME leaf
leafeld =A liefeld
leafet = links (# richting)
leag = bn+bw laag, gemeen; WA leag
leag (ley, leog) = laagte; TWoud leg
laeg (leag, leagta, leog, ley) = laagte; KA ley; GR ley; TW leagte, leugte; AH leegte; LM leege
leag (ly, ley, leigh) = clearing (opengehakte plek) in bos
leag (laeg, leog) = bn laag; TW leag, leug
leag = sjamaan, dokter; ON leghen = vaststellen, bepalen; NB diagnose
leag = loog (chemische vloestof)
leag (leg, leog) = bn leeg, laag; KA leog; TW leag, leug
leag (lah) = lage = nat laagland
leagan = constateren, vaststellen, genezen; ON leghen
leagga (lecg) = been (# lichaam); KA lecg
leaggan (lecgan) = ww leiden; KA leacgan
NB AL mislecgan = misleiden
leaggan = ww liggen, neerleggen; WA leggen
leagta (leag, laeg) = laagte; AH leegte; WA leegte, leagte, leugte
leah (ley) = ligging, open grond, clearing, bos, grasland, weiland, woonoord; ON lee, ley, lei; ME lea, lee, ley, ly; zt -lee, -ley, -lei
leah = luwte, bescherming
leah (lea, ly, ley, leigh) = grasland, weiland
-leah (-ley) >A leah
leahan = ww liggen
leahan (hleahan) = lachen; KA leahan
leahtor (hleahtor) = gelach; KA leahtor; ME laughter
leahtor = ondeugd, zonde, misdaad
leasan (losan) = ww lozen, loslaten, los maken
leamp = lamp
lean = leen, lening, lap grond; WA lean = stuk grond
leanan (laenan) = ww lenen
leanboc = leenboek = boek waarin alle lenen zijn beschreven
leancaemere = leenkamer = kantoor waar alle lenen worden geregistreerd in een leenboek en de financiele zaken worden geregeld
leangudh = leengoed
leaning = lening
leanland (bocland) = leengoed genoteerd in leenboek
leang = leng (# vis)
leanig = bn lenig, in leen
leanigan = ww lenigen
leanland (laenland) = land in leen van een heer (grondeigenaar)
leap (lupp, lepp) = loop, sprong
leapan (hleapan, luppan, leppan) = lopen, springen; KA leapan; TW leupen, luppen; TWoud loepen; SL leppen
leapere (luppere, leppere) = loper; KA leppere; SL lepper
leappere = oplapper, versteller; WA lepper
leappere = stamelaar; ON leppere
leapwince (hleapwince, cifwit, ciwit, pewit) = kievit; KA leapwince; ME lapwing
lear =A laeriga
leariga =A lariga
leas = bn loos, leeg, beroofd, vals
-leas = -loos; ON -loes; ME -less
VB guiltleas = onschuldig
leasa = leegte
lease = lies = slecht gras, waterplant
leasfeld = veld met veel lies (slecht gras)
least (laest, latost) = laatst; KA least; ON lest, leest; DR lest; TW lest, laotst; BR lest; SW laest; ME last
leastan = ww presteren; ON leesten; DT leisten
leaster = laatste
leaster (thrysce) = lijster (# zangvogel); DR+AH liester
leat >A laet
leax = zalm
leax = bn+bw laks, gemakzuchtig
lece = leek, buitenstaander; ON leke
lecg (leagga) = been; KA lecg; ME legg
lecgan (leaggan) = ww leiden; KA leaggan
NB AL mislecgan = misleiden
lecgan (layan, leyan) = ww leggen, neerleggen, wegleggen; KA leyan; ME lay
leck = ruimte, territoir, woongebied, broedplaats
lee (lea, ley) = smalle stroom of beek; KA ley; ON lee, ley, lede, leyde; TW lee; zt -lee
NB Potlee/Zeldam, Loolee/Almeloo
lee (ley, laeg) = loo, open ruimte, clearing in bos; KA ley; WAoud lee; GD laa; VWoud leeu; GR+VL+LB lee, leu, ley; OE lagh; ME lee, ley >A lough, low
leg (laeg, ley) = laagte
NB Kaart RZK/36 (1773): Brandleg: dorp bij Hestrup (Westfalen) oost van Denekamp.
leger = leger = rustplaats, schuilplaats; ME laird
legge = laag; WA legge
legge = rand, richel, overstekende rand; ME ledge
leghan (hlehhan, leahan) = lachen; KA leahan; WA lahhen
lehhan (hlehan) = ww lachen; WA lahhen
leigh (lea, leah, ly, ley) = grasland, weiland
leigh (leag, ligh, ly, ley) = clearing (opengehakte plek) in bos
Leithen {c 400nC} (Lugdunum) = Leiden
lell = lel, oorlel, huig
lellic = bn lelijk, kwaad; ON lelic; AH lellek; WA lellik; ML djellek
lem (lim) = leem, zandsteen, leemgroeve; KA lem
lem = gebrek, smet, manko; ON lem
lem =A lum
Lemburg (Lumborg) = Lunenburg/Nedersaxen
lemment = lampepit; ON lement
Lencten = Lente = Vastentijd; ON Lencten
leng (lang) = bn lang >A lang
lengan = ww lengen, langer worden
lengra = langer
lend (lum) = lende, zijkant, rand; WA lend
lend = zn leen; GD lend
lendan = ww landen, gaan
lendan = lenen, belenen
lending = lening (# geld)
lendreat = rietkraag; WA lendreet
lendwaeg = zijweg; WA lendeweg
Lenethe {1133 AD} = Lenthe bij Dalfsen.
leng =A lengh
lengan (lengthan) = lengen, verlengen = langer maken/worden; KA lengan
lengan (lengthan) = talmen, dralen, twijfelen; KA lengan; ME linger
Lengel {1144 AD} = Lengel/Liemers
lengest = bn langste; WA lengste
lengh (lang, lanc) = bn lang; KA lengh; ON lenghe; WA leng
lenghe =A lenghtu (lengte)
lengthan =A lengan
lengthu = lengte; ON linghe, lenghe
leni =A lyne
lenta (linta) = vlasakker; KA linta; WA linte
lente = lente
lentesunna = lentezon
lentefyr = lentevuur, paasbake = vreugdevuur ontstoken uit vreugde voor de nieuwe lente; WA lenteveur, paosboake > PgAng/Eostre
leo (lion) = leeuw, leeuwin; KA lion; ON leoen, lewe, lion
leo (hleo, ley) = lij, oever, laagte, luwte, beschutting, schuilplaats, woonoord; KA leo; AH lei; ME ley; zt -lee
-leo (-hleo) =A leo, ley
leoch = laag; TW leug
leod = lieden, lui, volk, land; WA leu
leode = lieden, mensen, lui; WA leu
leodryhtne (hleodryhtne, torcca) = torque (# gouden sieraad); KA leodryhtne, torcca
leof (liaf) = bn lief, geliefd, aangenaam; WA leef
leof [lof] (lofe, lufu, liafta) = liefde, geliefde, dierbare; TW leefde; DR laifde; EF [lof]; ME love
leofa (liafa) = genoegen, plezier, liefde, genegenheid, vriendschap; ON lieve; ME love
leofan = ww loven, lieven, gelieven
leofere = geliefde, vriend, minnaar; ON liever; ME lover
leofnis = belofte, toezegging; ON loefnesse
leofode = levend
leofodig = levendig
leofon = leven; AH leaven
leofond = levend
leofondig = levendig
leofre = bn liever (dan); WA leaver; GR laiver
me leofre waere = het ware me liever = ik had liever
leog [leug] (leag) = bn leeg, laag; KA leag; TW leag, leug
leog [leug] (leag) = laagte; WAoud leg
leog = loog (# chem. stof)
leogan = zn leugen
leogan (licgan) = ww liegen; ON loeghan; WA leegen
leoht (liht) = zn+bn licht; KA liht; WA ligt; ON ligt; ME light
leoht = bn licht, helder
leoht = zn licht
leohtan (lihtan) = ww lichten, weerlichten
leohtfaet = lamp
leohting (lihting) = bliksem; TW lochting
leom (lam, lem) = leem, leemgroeve
leom (hleom) = soort plant; KA leom >A hleomoc
leoma = helder
leomoc (hleomoc) = soort slootplant; uitgang -oc = -achtig; de plant lijkt dus op een plant met de naam hleom; KA leomoc
Leomriche {838nC} = Liemers/Achterhoek
leon = leeuw; KA lion; ON leoen, lioen, lion
leone (leoning) = leuning; ON lene, lone
leonian (hleonian) = ww leunen; KA leonian
leoning (leone) = leuning
leor = loer = aas
leoran = ww leuren, loer draaien
leornian (laeren) = ww leren; GD larn
leos = lis, lisse, lelie (# moerasplant); WA leus, lusse
leowe (liwe, hliwe, hleowe, hly) = bn luw, low, lei, zonnig, warm; KA leowe; NV louw, lei; ON hly = warm; ME low
leplere = lepelaar (# waadvogel)
lepp = spa, schop; NV lep
lepp (lipp) = lip, rand, zoom; KA lipp; ON leppe, lippe; ME lip
lepp (lupp) = zn loop (AV lopen)
leppan (leapan, luppan) = lopen; KA leppan; TW leupen, luppen; TWoud loepen; SL leppen
leppan (leappan) = stamelen
leppel = lepel; TW leppel
lepperd = lang en dun persoon; DR lepperd
lepperd = lepralijder
leppere = loper, wandelaar
NB Leppersweg/Wippert
leppere (leappere) = stamelaar; KA leppere; ON leppere
leppere = leperd, bedrieger, boef, schoft, schurk, landloper, zwerver
lepra = lepra
-ler (-laer) = -ler, -laar = -maker, -doener
-lere (-laere) = -ler, -laar = -maker, -doener
-lery = -larij >A -ery
les >A laes, leas
lesca = lies
lesce = meisje; GD lass
lessa = klein
lest (laest, latost, least) = laatst; KA lest; ON leest; DR lest; TW lest, laotst; AH lest; BR lest; SW laest; ME last
let (leth) {vt ww laetan} = liet
-let (-lut, -le, -ke) = klein, -tje; WA -ke
VB hamlet = klein oord, gehucht; piglet = varkentje
leth >A let (liet)
lether = leder, leer
letherfeld (lutherfeld) = veld waar huiden worden gedroogd; WA lutterveld, letterveld
NB Letterveld in Borne/Twente.
letherloiere (loiere) = leerlooier
lethermakere = leermaker
letherwyrhta = leermaker
leton {vt ww laetan = laten} = lieten
lett = onderkomen, huisje, keet >A utlett
lettan (laetan) = ww laten; KA laetan; ME let
lettel (littel, luttel, lyten, lid) = klein, heel klein; KA littel; ON littel, lettel; ME little
letter (lettre, lettere, littere) = letter, brief, oorkonde, acte, e.d.
lettere =A letter
lettre =A letter
leuch = bv leeg, laag; AH leug; WA leug; WAoud leoch
leuch =A ley = laagte; WAoud leuch; VWoud leeu
NB Beuceleuch = Buccleuch = Buckley = de laagte bij de beuken
leuch (loech) = plaats, verzamelplaats; VW leug
ley (lea, leah, ly, leigh) = grasland, weiland
ley (leah, le, lea, leag, leuch, leg, low, ly) = lee, lij, lijzijde, lage, laagte, laagland, oever; AH lei >A leah, hleo, lea, ley
ley (lea, hleo, leuch, laeg) = laagte, grasland; KA ley; VWoud leeu; LB+VL ley; ME ley, lee
ley (lea, lee) = smalle stroom of beek; KA ley; ON lee, ley, lede, leyde; TW lee
NB Potlee/Zeldam, Loolee/Almelo
-ley =A -leah (-hleo, -lea, -le, -lee, -loo, -lich, etc)
leyan {leyt, layt, leyd} (lecgan, layan) = ww liggen; KA leyan; ON leyen; ME lay
Ic ley, ye leyt, etc; Ic hev leyd, etc
leyland (laghland) = laagland, laag liggend land = land net onder of boven waterspiegel
liaf (leof) = bn lief
liafa (leofa) = genoegen, plezier, liefde, genegenheid, vriendschap; ON lieve
liafta = liefde
libban = ww leven
lic (lich, lyc) = lichaam, lijk
lic (gelic) = bw gelijk, zoals; KA lic; TW liek; ME like
-lic (-like) = -lijk, -baar; ON -lic, -lec, -lek; AF -lik; EZ -li
lican (lician, laecan) = ww lijken; KA lican; TW+AH lieken
licc = lik, smalle strook
liccian = ww likken; ME lick
-lice >A -like
licgan (leogan) = liegen; ON loeghan; WA leegen
licgan (licgean, leyan) = ww liggen; NV leggen; ME lay
licgan, lacg, lacgan; Ic licg, ye licgt, etc; Ic lacg, ye lacgad, etc
licgean =A licgan
lich (lic, lyc) = zn lijk
-lich =A -ley
lichfeld (lycfeld) = lijkenveld, begraafplaats
lichama = lichaam
lichoma = lichaam; WA lichoam
lician (lican, laecan) = ww lijken; KA lican; TW+AH lieken
lician = behagen; ME like
lid (lut) = bn klein; KA luth
VB Lidwicingum (# Widsith) = Klein Wicingum (Vikingham)
lidan = ww lijden; DR+TW lieden; WA lieden; AF lyden
lidh (hlid) = deksel; KA lidh
Lidwicingum {# Widsith} = Klein Wicingum (Vikingham)
lie = licht, maklijk; TW lie
lie = licht, helder
lie = licht, wellicht, allicht; TW lie
liefan = loven
liefeld (leafeld) = zandvlakte; KA leafeld
lieg = laai, vlam
lieg = bn lichtelaaie
liegean = liggen; ME lie
liehhan (hliehan, hlehhan) = ww lachen; KA liehan
lies = bn los
liesan = lozen, losmaken, loskopen; ON losen
lif = lijf, lichaam, leven; ON lif = lijf, lichaam; AH lief; WA lief
lifan = ww leven
lifdugh = lijfbehoud, levensonderhoud; TWoud lifftuch
lifdughet = lijftocht = woonstede bij boerenerf; TW liftocht
lifdughtan = ww lijftuchten = iemand vruchtgebruik geven
lifer = zn lever; ON lever; WA liever
lifercrod = leverkruid (# leverkleurig kruid)
liferwyrst = leverworst; ON levermare
lifstocc = veestapel
-lig (-ly) = -lig; SH [li]; EZ [li]
ligh (leigh, leag, ly, ley) = clearing (opengehakte plek) in bos
liht (leoht) = bn licht, helder
liht (leoht) = zn licht; KA liht; WAoud ligt; ON ligt; ME light
lihtlee = lichte open ruimte (in bos); WAoud ligtlee
lihtlig = lichtelijk; ME lightly
lihtan = ww lichten, weerlichten, licht worden
lihthus = LT lichthuis = vuurtoren
lihting (leohting) = bliksem; TW lochting
like (lice, lyce, luce) = gelijk, zoals; ON like, lijk; WA liek; GD like
NB AH lieke = glad, effen; lieke deur = rechtdoor; lieke op = rechtop
-like (-lic, -lice, -lyce, -luce) = -lijk, -baar; ON -like; SW -lik, -like; > -ly
lilac = bn lila (# kleur)
lilac (syring) = sering (# struik met lila bloemen)
lim = tak, twijg
lim (limtreo, lind) = linde, lindeboom; KA limtreo
lim (lem) = lijm, leem, kalk; TW+AH liem; ME lime
limbloc = leemblok = blok leemsteen
lime = lijm, slijm, speeksel, modder, slijk
lime = cementlaag, metselwerk
limery = lemerij = fabriek die leemblokken hakt uit leemgroeven en ze bewerkt of verwerkt voor de bouw van huizen, panden etc.
limgrove = leemgroeve
limhus = leemhuis = huis gebouwd van leemblokken
limhut = leemhut = hut gebouwd van leemblokken
limkuyl = leemkuil; WA leemkule; WAoud leemcule
limone = limoen (# citroen)
limp = gebeurtenis, noodzaak
limpan = ww gebeuren
limpitte = leemput
limput = leemput
limrodd = lijmstok; WA liemrodde
limston (lamston) = lijmsteen, kalksteen; ME limestone
limtreo (lim, lind) = lindeboom, linde; KA limtreo; ME limetree
lin = vlas; ON lijn
-lin = -lijn = -je, -tje = klein ...
linacre = vlasakker
lincouc = lijnkoek = restproduct persen lijnzaad voor lijnolie; gebruikt als veevoer
lind (lim, limtreo) = linde (# boom); KA limtreo
Lindesfarena = woongebied van de Lindesfaras NO Mercia. Rond 750nC is dit gebied 7.000 hides (= 350 Km2) groot. > PgBrit
Lindisfaras = Anglisch volk wonend in Lindesfarena (NO Mercia) > PgBrit
lindred = haas; NV lindert
line = lijn, touw; ON line; WA lien; ME line
line = teugel, waslijn; AH liene
line = lijn = landmaat: 1 line = 100 roeden
linen = linnen (# textiel)
linet = lint, verband
ling = heide, heidestruik; GD ling
lingan = talmen, dralen, twijfelen
linmacere = touwslager; ON linemakere
linmacery = touwslagerij
linn = waterval; GD linn
linscot = omheind land waar vlas wordt verbouwd
NB 't Linschot in Bornerbroek/Twente
linta (lenta) = vlasakker; KA linta; WA linte
-ling = achtervoegsel aangevend een gesteldheid, geaardheid, etc
VB banneling = verbannen persoon
-ling = horend bij, iemand van, volk
VB Hasling (familienaam) = iemand die hoort bij Has (mansnaam)
lingan = aarzelen, talmen, twijfelen: rivier: meanderen, slingeren
linghe =A lengthu (lengte)
linland = vlasland, bouwland met vlas
linsaed = lijnzaad, vlaszaad
linsaedmelo = lijnzaadmeel
linsaedoyl = lijnzaadolie, lijnolie
linsel = linzen (# peulvrucht)
linselsopp = linzensoep
linta = lint, band, rand, strook; NV lint
linta = linnenveld, vlasveld
linwat = linnengoed, ondergoed; ON linwaet
liode = lieden
liodh (hliod, sang) = lied; KA liodh; WA leed
lion (leo) = leeuw; KA lion; ON leoen, lewe, lion
lipman =* randfiguur, zonderling
lipp (lepp) = lip, rand, zoom; KA lipp; ON lippe, leppe; ME lip
lippa =A lipp
lispian = ww lispelen
list = list, kennis, kunde, bekwaamheid; ON liste
lista = rand, zoom, lijst; ON leest; TW+AH lieste
listan (hlystan) = ww luisteren; KA listan; ME listen
listere = vakman, deskundige
litere =A letter
lith = ligging
lith (lid, luth, littel) = bn klein; KA littel
litha (hlitha) = helling; KA litha
littel (lettel, luttel) = heel klein, klein, weinig, luttel; KA littel; ON littel; AG lilting
liwe (hliwe, hleowe, hly) = bn luw, zonnig, warm; KA leowe; ON hly = warm
lo =A le
lo (loe, loo, lauha) = bos, groep bomen (op zandgrond), met hout begroeid gebied
lo (loe, loo, lauha) = uitgedund bos, clearing, open plek in bos
-lo (-loo, -loe) =A -le, -low
Lobede = Lobith > PgAng/Lobith
loc (luce) = luik, schot; KA luce
loc = zicht, kijk, verschijning >A locian
loc (log) = gat, kuil, poel, meer; ON lock
loc (slot) = slot, grendel; ON lok, loke, luk, luke; ME lock
loc = sluis; ME lock
loc {AVA locian} (sith) = zicht, uitzicht; ME look
loc = blok
loca = vlok
locan (lucan) = sluiten, afsluiten, afgrendelen, opsluiten, omheinen; KA locan; ON loken, luken; ME lock
loce = hek, heg, haag, omheining; ON loke
loce = perceel, vak, perk; ON loke
B>loce = paneel, bord, plank; ON loce
locere (oferlocere) = opzichter, bewaker, toezichthouder; ON lookere
locc = lok, haarlok, krul, bocht
locc = lok, wollegras
locc = buiging, bocht; ON lock
loccan = ww lokken; TW lokkn
loch [lokh] = gat, opening
locheafd = blokhoofd
locian = zien, kijken; ME look
locmaent = januari; ON lochmaent
locuste = sprinkhaan; ON locuste
lod (lud) = geluid; KA lud; TW lod
lod (hlud, lud) = bn luid; KA lud; ON lude; TW lod; ME loud
loda = omelet (# eiergerecht); ZW loda
loddan (ludan) = ww luiden; KA ludan; TW lodden
lodde = dartel, wulps, geil
loddere = loeder, landloper, schurk, wellusteling; ON lodder
loddig = bn loederaal, wulps, dartel, geil; ON loddig
lodic = soort plant; ON lodyc
loe (lo, loo) = bos, groep bomen
loe (lo, loo) =* open grond in natuurgebied waar mensen wonen, woonstede, woonoord; > PgAng/Loo
-loe =A -loo
loech (leuch) = plaats, verzamelplaats
Loel {1178 AD} = Loil/Liemers
Loen (Lon) = Loon/Emsland/Dtl
Loezen {1390 AD} = Lozen bij Gramsbergen in NO Overijssel
lof {AVA lofian} = lof, eer, glorie
lof = loef, loefzijde = hoge kant, windkant; VWoud lov
lofa = lof, geloof, belofte; WA geloow
lofan = ww loven, geloven, beloven; TW lowwen
lofe [loof] (leof) = liefde; GD loof; YK [loof]; ME love
lofian (lofan) = ww loven, lieven, lief hebben, houden van
loft = loop (van ww lopen)
loft (logt, solre) = zolder, zolderkamer; KA loft
loftnis = belofte; ON loftenisse
log (lock) = gat, kuil; GR lough
logboc = logboek (# scheepvaart)
logg = houtblok, gekapte boomstam
loggfyr = houtsvuur
logian = ww plaatsen, bezetten, vestigen, settelen, bevoorraden
logt (lougt) = lucht; ON locht; AH loch; WA logt
logt (loft) = zolder, zolderkamer
logta = luchter, lantaarn, stallantaarn; VW luchte
logtan = ww luchten
loha = loo, lo = laagte, laagland > lah, PgAng/Barlo
loha = moeras > PgAng/Averlo
loha = loo = hoog gelegen bos
loian = looien (van leer)
loiere (letherloiere) = looier
loiery = looierij; ON loeyerey
loke >A loce
lom (gelom, lome) = vaak
loma = weefgetouw, steel, vaag beeld
loma = duiker of meerkoet (# vogels)
loma = loom, lam, lui, traag
NB Loomdijk in Reutum/Twente, Loomweg in HogeHexel/Twente.
loman = opdoemen, vernielen
lombaerd = geldwisselaar, bankier, handelaar; ON lombaert
lombaerde = leenbank; ON lombaerde
lome =A lom
lom (lum) = bosrand; VW lomme
NB Lomme: oud veld in Nijbroek
lommere = lommer = schaduw van bomen
Lon =A Loen
lond (land) = land
lone >A lane
Longbaerdum = Longobarden
longian = verlangen; ON langen
loo =A lo, loe
-loo (-loe) =A -lo, -low
lop = takje, twijg; GD vlieg
lop = loop, beek, stroom, diaree; DR loop
lop = loop, gang, doorgang, eind, afstand; TW lop
lop = loop, reis, tocht; TW+AH loppe
lopan (loppan, luppan) = ww lopen, stromen; KA lopan; DR lopen
lopere = loper, wandelaar, bode
lopustre = kreeft; ME lobster
loran (louran) = ww loeren, bedriegen
lore = vals, kwaadaardig, slecht; TW loere
NB Loerbeek/Achterhoek; Loordijk/Doetinchem
lore = loer = truk, poets, schurk
lore = loeder, schurk
loric = loeder, gluiperd; WA loerik
lorig = loederig, veranderlijk, bedrieglijk; TW loerig
lorcan = lurken; AH lorkn = sabbelen, zuigen
los = los, niet vast
los = verlies
losan (leasan) = lozen, loslaten, los maken
lose = loos, leeg, verlaten
lose = loods; AH loze
losian = verliezen, verlies lijden
lot (lyt) = bedrog, pret
lot (hlot, hlaes, las) = lot, plek, bebost stuk land; KA lot > PgAng/Kyllot
lough (laeg) = bn laag
lough (laugh, laeg, low) = laag, laagte, laagland; KA lough; ON loo; GD meer >A laeg
lough (laugh) = dorpskom, dorpskern; KA lough; DR loug
NB 't Lough in Spijk/Gro is een laag gelegen stuk grond in het centrum.
lougt (logt, lugt) = zn lucht; bv licht van kleur; WA logt; VW lougt, logt, lugt
louran (loran) = ww loeren
louwarblaed = laurierblad (# kruid); ON louwerblat
lovesam = geliefd, geŽerd, geroemd; ON lovesaem
low (lowe, hleowe, lough) = bn laag; PL law; ME low
low (lowe, hleowe, lough) = laagte, laagland; ON lauw, louw, loo; PL law; ME low; > laeg, PgAng/Ihlow
low (law, hlaw) = helling, lage heuvel; KA low
-low (-lo, -loo, -loe) = laagte, laagvlak, laagland, etc
lowan = ww loven, geloven, beloven; TW lowwen
lowan (hlowan) = ww loeien (# koeien); KA lowan
lowe =A low
lox = los (# dier)
loy = regel, wet, gebruik, voorschrift; ON loye
loy = lui, traag; ON loy
loymaendh = januari; ON loymaent
loyael = loyaal, eerlijk, oprecht, trouw; ON loyael
loyaelic = betrouwbaar, eerlijk; ON loyaleke
loymaent = januari; ON loymaent
lubba = bn slecht, dom, onhandig, schuin
lubba = afhangende strook, helling, slip, kwab; ON lubbe; lubbastoc = lavas (# kruid); ON lubbestock
lubber = onhandige vent
luc (geluc) = geluk; KA luc; ON luck; ME luck
luca = luik
lucan = ww sluiten, afsluiten, vastzetten
lucan = ww luiken, wieden
lucca = omheining; ON luck
luccan = ww omheinen; ON lucken
luccan = ww lukken
luccig (gelucig) = gelukkig
luccignis (geluccnis) = gelukkigheid
luce (loc) = luik, schot; KA luce
Lucemburg (Luxeburi) = Luxemburg
lucon =A lucan
lud (lod) = geluid; KA lud; TW lod
lud (hlud, lod) = bn luid; KA lude; ON lude; ME loud
ludan (hludan, lydan, loddan) = luiden, schreeuwen, lawaai maken; KA ludan; ON luden; TW luden
lud (hlud, lod) = bn luid; KA lude; ON lude
lufian = ww lieven, believen, houden van
luflic = lievelijk, aardig; ON lieflijc
lufu = lief, liefde; WA leef, leefde
Lugdunum (Leithen) = Leiden
lugt =A lougt
lum (lem) = loom, traag, lui
lum (lem) = gebrek, smet, manko; ON lem
lum (lend) = lende, zijkant, rand; WA lend
lum (lome, scadu) = schaduw
lum (lom) = bosrand
Lumborg (Lemburg) = Lunenburg/Nedersaxen
lumley = grasland aan bosrand
lummic = bn lomp
lummic = lummel, lompert
lump = puitaal, kwabaal; ON lumpe, lompe
lump = lunch
lump = klomp, stuk, brok
lump (fodd, podd) = vod; ON lompe = vod
lump = bn lomp
lumpig (lummic) = bn lomp
Lundenburg = Londen
Lundenburi = Londen
Lundenburig = Londen; EF [Londen]; ME London
Lundes = van, uit Londen; ON Londsch, Lundsch
lungen = longen
lunse = pin door een gat; ON lunse
lupan = gluren, loeren; ON lupen
lupere = gluiperd, gnieperd; ON lupere
luphol = kijkgat, schietgat
lupian = gaten maken
lupp (lop) = zn loop; KA lop; WA luppe
luppan (lopan, leapan, hleapan) = lopen; KA lopan; WA leupen, luppen; WAoud loepen
luppere (leapere) = loper
luran = ww loeren, bespieden
lure = dreiging
lurere = loerder, gluurder, spion
lurc = bergplaats, schuilplaats
lurc = lork, vlegel, hufter, schoft; ON lurk; WA lork
lurcad = verborgen, verscholen
lurcan = ww lurken, slurpen, opzuigen
lurcan = ww loeren; ME lurk
lurcan = ww misdragen
lurcan = ww verbergen, schuilen, verschuilen
lus = luis; WA luus
luse = bn vals, achterbaks, bedrieglijk, onbetrouwbaar, leugenachtig; ON loes
Lusne {1311 AD} = Leusen bij Dalfsen
lust = lust, plezier, verlangen
lustan = ww lusten, verlangen
lustfullic = genoeglijk, behaaglijk
lut (luth, lid) = bn klein; KA lith
lutan (stupian) = ww buigen, krommen
lute = luit, vedel (# muziek); ON lute
luth =A lut
lutherfeld (letherfeld, leatherfeld) = veld waar huiden worden gedroogd; WA lutterveld, letterveld
NB Letterveld Borne/Twente
lutke (AVA lytel) = klein, heel klein; LM lutke >A -ke
lutle = heel klein
lutor (hlutor) = louter, helder, zuiver; KA lutor
luttel (lettel, littel, lid) = heel klein, klein; KA littel; ON littel
luttic = bn klein, kleinig, nogal klein
luwa (low, lah) = luwte, laagte; WA lieuwe
Luxeburi = Luxemburg; EZ Luxeburi
ly (hleo) = lij, beschutting, schuilplaats
ly (lea, leah, ly, ley, leigh) = grasland, weiland
ly (hly, hleo, hleowe, hliwe) = luwte, warmte; KA ly; ON hly = warmte; ME ly, ley
-ly =A leagh, ley > hleo
-ly = -lijk; WA -liek; NA -ly (Angeln/1971); EZ -li (VB ziemli = tamelijk)
lyc (lich) = lijk
lycbaerning = lijkverbranding
lycbour = dodenboer; zorgt voor de begrafenis of crematie; WA liekboer
lyccest = lijkkist
lyce (lich) = zn lijk; TW liek, like
lycfeld (lichfeld) = lijkenveld, begraafplaats
lychus = lijkenhuisje, dodenhuisje
lycread (lycred) = lijkrede; KA lycread
lycred (lycread) = lijkrede
lycsem = litteken; ON licsem
lycsmos = lijkensmous = samenkomst na een begrafenis; WA lieknsmos
lycwace = lijkwake; ME lyke-wake
lycwaeg (spucwaeg) = lijkweg (spookweg) = weg waarlangs lijkkist wordt vervoerd; WA liekweg
lycwaegn = lijkwagen; TW likwage; WA liekwage
lycwat = lijkwade, lijkkleed
lydan (hludan, ludan, loddan) = ww luiden, schreeuwen, lawaai maken; KA ludan; TW luden
lydherlic = liederlijk, gemeen, slecht
lydhre = bn slecht, gemeen, verdorven
lyft = lucht, klimaat
lyne (leni) = leuning, stut, schoor; ON lenie
lyre = lier (# muziekinstrument)
lyre = verlies
lys = welig, sappig; WA leus
NB ME: lush field = welig begroeid veld
NB Leusveld/Brummen
lys = lisse (# plant)
lys = AH leus = eendekroos
lys = sterke drank
lysan = ww lessen, blussen, stillen, drinken, zuipen
lysdodde (dodde, dodder) = lisdodde (# waterplant)
lyshus = drankhuis, slijterij
lysig = lijzig, dronken
lystan (hlystan, listan) = luisteren; KA listan; DR lustern; TW luustern; ME listen
lysterlic = luisterlijk, slecht
lystian = luisteren; WA luusteren
lyt (lot) = leut, pret, bedrog
lyt =A lytel
lytel (littel, luttel, lid) = bn luttel, klein, heel klein, gering; KA littel; ON littel, lettel; ME little
lytel = beetje; ME litle
lyteran (cleppan) = ww leuteren, kleppen
lytherlic =A lydherlic
lythre =A lydhre
lytlum = beetje bij beetje
lytwisard = wijsneus
lywta (luwa) = luwte; TW leeuwte
NB Leeuwte: dorp bij Jansklooster in NW Overijssel
NB Leeuwte: weg tussen Pesse en Ruinen.
 
m::
ma = ma, moeder; GD ma
ma (mar) = maar; KA mar; TW ma, mer; AG mair
ma (mara) = bw meer; ON mere
maca (macca, meoca) = maaksel; KA maca; TW meuk; GD mac, meyk; ME make
macan (meocan) = ww maken; KA macan; TW meuken; GD mac, meyk
macca = dikke laag, snee, plak; AH makke
macca =A maca
Maccel = mansnaam AVA Maegla > PgAng/Mekkelenberg
macer = aparteling, excentriekeling; GD mazer
macere (macre) = maker, makelaar, iemand die iets maakt; KA macere; ON makere, makre; ME maker
macerel = makreel; ON makereel
macian (KA makan) = maken
makan, makt, makad; Ic mak, ye/he/se/we/ye/se makt; Ic hev makad, etc
Macla = AVA Maccel; >A Maccel, mecla; > PgAng/Mekkelenberg
macla = plek, gat
macopin (popaeg) = papaver; ON macopijn
macre (macere) = maker, makelaar, iemand die iets maakt; KA macre; ON makre; ME maker
made (maed, maedwe, mathe, med) = nat wei- en hooiland; KA maedwe; GR made, maide, meede; ME meadow
NB Peizermade
madere = maaier; ON madere
maecca =A maeccere
maeccer (maecca, gemaecca) = makker, maat, genoot; KA maeccer; ON macker; GD macker; ME macker
maecle = bn gevlekt
maect (maegth, miht) = macht; ME might
maecti = machten; > metudaes maecti
maed (gemaedd, gemad) = gek, dwaas; ON mede; ME mad
maed (maedwe, mathe) = made, maat, weide, grasland
maed = maat = laag gelegen grasland bestemd om te hooien
maedan (gemaedan) = gek maken
maede (maedeland) = weiland, grasland, hooiland, uiterwaarde; ME meadow
maedeland = weiland, hooiland; ON maedelant
maedere = maaier; ON madere
maedere = meekrap = plant waarvan verfstoffen worden gemaakt
maedke (meadeke) = klein weiland
maedland = weiland, hooiland; ON madelant
maedwe (maed, made, mathe) = weide, grasland, hooiland; KA maedwe; ON made, mede, mate, maat; ME meadow
maeg = maag, bloedverwant
maegan {maeg, maegth, maegth} = ww mogen
maege (meage) = veld; KA meage; ON maege, mage; NW magen
NB Nijmegen = nieuwe veld
maegen = kracht; ME main
maeger = bn mager
maegester (maester) = meester
maeget = maagd; ON maget; OD magt
maegh = bloedverwant; ON maegh
maeghdom (bloedverwantschap; ON maeghedom)
Maegla = mansnaam; >A Maccel; > PgAng/Mekkelenberg
maegth (maect, miht) = macht
maegthan {vt maegan = mogen} = mochten, vermochten
maegthum {ev maegth} = zn machten
maegthum Germanie = Germaanse machten
mael (mal) = teken, merk, grens; ON mael, male
mael (mal) = tijdstip, moment; ON mael, male
mael (mal) = afstand, maat, lengte; ON mael, male
mael (mal) = maal, maaltijd, tijdstip; ON mael, male
mael (mal) = jaagpad (# jacht)
mael (mal) = grasland; ME mall
mael (mal) = promenade; ME mall
maelan (malan, grindan) = ww malen, fijn maken; KA malan; OE male
maelan (malen) = vergaderen
maelan (malan) = malen, dwaze taal spreken
maelberie = moerbei
maelbroc = drassige grensstrook; ON maelbrouc
maellus = raad, bestuur, stamvergadering; ON mallus; WAoud mallus
maeltid = maaltijd
maen (mon) = maan; ON maen
NB AL bal = bal, bol; GD baal; ML bulan = maan; AU bahloo = maan; OT* balo; ME moon
maen (mayne, maende, mande, maent, gemaene, fronland) = meen, meente = onverdeelde gemeenschappelijk grond; KA mayne; ON meen, mein; WA meen, mien, men > gemaene
NB Bathmen = meen van Batho (mansnaam).
maen (maende, mande, maene) = meen = gemeenschappelijke weide; WAoud meehn
maenan = ww manen, waarschuwen
maendaeg (monandaeg) = maandag; gnoemd naar de maan
maende (mande) =A maen, mayne
maene =A maen, mayne
maening = maning, waarschuwing
maenland (folcland, maen, gemaene, etc) = meenland, meen
maenliht = maanlicht
maensaed = maanzaad
maenscine = maneschijn; ON maenschijn
maenston = maansteen (# halfedelsteen)
maendh (mond, mand) = maand; KA maendh; ME month
maer = weiland; ON mair, maar
maer (mar, ma) = bw maar; WA mar, moar; LB mar > mar, buta
maer = bn vermaard, beroemd
maeral = marel = grutto (# strandvogel)
maeran = meren (van boot); ON maren
maerc = merk, mark, stuk afgegrensd land, gebied
maercan = ww merken > merce
maerce = weiland, grasland, veenland; ON maerze
maercet (maerct) = markt; ON market
maercpal = grenspaal; WA markepaal
maercnot = markegenoot
maercrihter = markerichter
maercsten = merksteen, grenssteen
maerct = markt; ON market, marct
maercwaerd = markgenoot; ON markghewaarde
maerct (maercet) = markt; ON maerct, marct
maerctcraem = marktkraam
maerctcraemere = marktkramer
maerctdaeg = marktdag; ON maercktdag
maerctpleats = marktplaats
maere (mare) = mare, tijding, gerucht
maerels = meertouw voor aanleggen boot
maerle (marle) = mergel
maers = mars, korf; WA mars; WAoud marsch
maersan (marasan) = ww meerderen, vermeerderen; ON maersenen, meersenen
maerscraemere = marskramer, ventende koopman
maes (mase) = modder, slijk, troep, ellende; ON mase, maes
NB Maasdijk in Aalten.
maesse = mes; WA messe
maesse = mis (Heilige Mis); ON messa; WA messe; ME mass
maest (rae) = mast; ME mast
maest = eikels, geoogste eikels
maest = varkensvoer, eikels; TWoud mast
maest = mest; TW mast; AH mes
maest = bn meest; SW meerst = meest; AR masd*; ME most > PgAng/AmazdeÔsme
cynerica maest = meeste (grootste deel) van het koninkrijk
maestan = ww mesten, bemesten
maestbour = boer die eikels raapt voor varkens; WA mastboer
NB Mastboerweg in Almelo
maester (maegester) = meester; ON maistre
maesthus = mesthok = hok voor tijdelijke opslag van mest
maestling = mesling, brons
maestlingsmidh = meslingsmid, bronssmid
maet =A maete
maet = maat (# meten)
maetan (mawan) = ww maaien
maetbiker = maatbeker
maete = maet = laag gelegen natte weide of hooiland; SL maet; WA mate; WAoud maete
maeth =A maete
maeth = maai, maaisel
maethe =A maete
maetig = matig
maew = meeuw (# vogel); ON mewe
maga = maag
magan = mogen; SW meugen
WA he mait = hij mag, kan; ME he might [mait]
Magon = lid van de Anglische stam der Magons wonend in Magonsaete in ZW Mercia.
Magonsaete = woonoord van de Magons, een Anglische stam in ZW Mercia
magu = jongen, zoon; AH maoge = kameraad, kwajongen; WA maoge = jongen
maica = meisje; AH maeken; WA maiken
maid = meid; GR maid
mal =A mael
mal (mael) = grens
mal = vlek, huidvlek
mal = bn mal, raar, fout
malan (maelan, grindan) = ww malen, fijn maken; KA malan; OE male
malan (maelan) = malen = drammen, gek doen, doordraaien
mam = mam, mamma; GD mam
mamorian = ww mijmeren over, zinnen op
Man (Mann) = Man = mansnaam > PgAng/Mansnamen
man {mv manna, menn} (mon, ceorl) = man, mens; ON man; WA man; GD man; ME man; CH nan; AU atwa
Het woord "man" wordt gebruikt zoals in gewoon Nederlands. Dwz: niet sexgebonden, maar mbt zowel man, vrouw, jongen of meisje.
man = bw maar; WAoud man
-man = -man, -werker, -boer, iemand van, e.d.; VB reodman = rietman = rietboer = boer die riet oogst en verkoopt
manapal (godpal) = manapaal, totempaal
manadh = meineed
manc = mank = gerecht van aardappels met saus van karnemelk en olie
mancs (moncs, sumtid) = soms; WA manks, monks
mancsaed = gemengd graanzaad; WAoud manksaedt
maende =A maen (gemeenschappelijke grond)
manian (monian) = manen, vermanen, herinneren; KA manian
mand (mond) = mand; AH mende
mand (mond, maendh) = maand; KA maendh; ME month
mande =A maende, meant
maneare = manier, wijze; WA maneer
mangan = ww mengen, mixen
mangere = handelaar; ME monger
mangian = ww handelen
mangol = mangel (# persmachine)
mangol = gemangelde bietstronken (# veevoer); EA mangol
mangolan = ww mangelen; WA mongelen
manhus = landhuis, landgoed
manian = manen, voor gerecht dagen
manig (monig, mennig) = menig; KA mennig; ON menich; DR mennig; WA mennig, menneg; EZ manchi; ME many
manigfald (manigfeald) = menigvoud; ON manichfalde
manigfeald =A manigfald
manigly = meniglei
manleod = mannen; WA manleu
manlic = bn manlijk; AU malie; ME male, man
Mann >A Man
manna (menn) = mannen
mannu = mensheid, mannen; ML manusia = mensheid, allemaal; ME men
manpaedh = voetpad; ON manpat
manraed = trouw, eed van trouw
manriht = loon, salaris; ON manrecht
-mans = -mans; in familienamen: = (buitenechtelijke) zoon van -man
manslagt = manslag, doodslag, moord; ME mansloughter
manu = manen (van een paard)
manupleanc = manoeplank, keursneeplank = plank om linnen stoffen te bewerken
maota = maat, grasland
mapel (meple) = esdoorn; KA mapel; ME maple
mapeltreow (mapel) = esdoorn
mar (mare, mere, mear) = meer, poel, plas
mar (mer, mor, maer, ma) = bw maar; WA mar, moar, ma; SW mar; LB mar > mar, buta
EZ awwer >A bot
mara = meer, meer dan; ON mere; GD mair
ne mara = niet meer
maram = bw meer
maram fultum = meer troepen
maran = meer (dan)
marasan (maersan) = vermeerderen; ON maersenen
maratid = meertijds, meestal, vaker; AH meertieds
marc =A maerc
marclow (marcol) = vlaamse gaai; AH markolle; WA marklaow
marcol =A marclow
mare (mar) = meer, poel, plas
mare (mere) = merrie; KA mare; ON mare; ME mare
mare (mere) = mare, boze geest, nachtelijke kwelgeest, nachtmerrie; ON mare
mare (mere) = slechte tijding; ON mare
mare (sae) = zee
Maresdeop = zeegat tusse Texel en Noord-Holland
maretaec (misteltan) = maretak = soort parasietplant die op bomen groeit; gebruikt in stallen om maren (boze geesten) te verdijven
marescaelc = maarschalk; oorspr.: paardeknecht; later: legerleider
margel (marle, maerle) = mergel = mengsel van klei een aarde gebruikt als meststof
margelgrove = mergelgroeve
mariz = bn vermaard
marjor = marjoraan (# oregano, kruid)
marle (maerle, margel) = mergel; ON marle, maerle
marlow = laagland bij een meer
marra = vriend, werkmaat; GD marra
mars (mors, mersc) = mars = laag grasland dat vaak overstroomt; moeras; ON marsch
mars = moerassig land aan water
martle = hamer; NV martel
marwic = meerwijk = wijk (buurt) gelegen aan een meer
NB Meerwijck aan het Zuidlaardermeer bij Kropswolde, Goningen.
masagtig = onrustig, ongedurig; AH masachteg
mase = mees (# vogel)
mase (maes) = modder, slijk, troep, ellende; ON mase, maes; ME mess
NB Maasdijk in Aalten.
maser = knoest
masse = mand
masse = mis (kerkdienst)
masser = hogepriester
masspreost = hogepriester
mastic = mastic = welgeurige hars; ON mastic
matar = machtig*
mate (gemate) = maat, kameraad; WA maot; NH [meet]; ME mate
mate (met, med, maota) = maat, nat gelegen grasland > PgAng/Oxe
mathe (maed, maedwe) = made, maat, weide, grasland; VW mathe
mathe = mate, wijze, manier
matholadan = mateloos spreken, oreren, malen
matt = mat, kleed, vloerkleed
mattuc = soort pikhouweel met een ets- en een beitelkop; ME mattock >A -ock
mawa (mowa, mywa) = maaiveld
mawan (mowan, mywan) = ww maaien; WA meuwen; AH meaien
mawere (mowere) = maaier; NB Mawer: familienaam in Engeland
May = mei; ON may, mey
mayan {mayt, mayet, mayt} = ww maaien; WA meien, mejen; WAoud meyen
mayans = 400x400 roeden; WAoud meyens, dach meyens
mayere = meier, pachtboer; WAoud meyer
Maymaent = mei; ON maymaent = maaimaand
mayne [meen] (maen, maene, gemaene, fronland) = meen, meente = onverdeelde gemeenschappelijk grond; WA meen, mien, men; > gemaene
mayne (gemayne) = gemeente, verbond > redmayne
maypal = meipaal, meiboom = versierde paal op 1e zondag van mei
mays = mais
me = me, mij; KA mi; AH mie; ON+WA mi; GD me; ME me [mi]
meace = stok, staf, scepter
mead (med, meada) = weiland; WA mede
mead (maed, gemaede, gemad) = gek, dwaas, door, krankzinnig; KA mead; ON mede; ME mad
meada (mead, med) = weiland; AH medde
meadan (gemaedan) = gek doen, gek maken; KA meadan
meadcaeppe = dollehoed, gek
meadeke (maedeke) = klein weiland; WA medeke
meadhal (meodhal) = drankhal, zuiptent
meadhus = gekkenhuis, sanatorium
meadman = gek, dolleman, gekke man
meadnis = gekte, dwaasheid
meadu (meodu) = mede = honingwijn = wijn gemaakt van honing; KA meadu
meadwif = gekke vrouw
meaga = pis, plas; WA miege
meagan (migan, miegan) = pissen, plassen; KA meagan; AH miegn; WA miegen
meage (maege) = veld; KA meage; WA miege
NB Nijmegen = nieuwe veld
meahan {meah, meahet, meahet} = mogen; ME may
meahte = mocht (AVA maehan = mogen)
mealt = mout
Mout wordt gemaakt uit gerst en gebruikt bij het maken van bier. > PgAng/Bier
mealtere = moutmaker
mealtery = moutmakerij
mealwe = maluwe (plantensoor; Lat: malva)
meanan = ww menen, betekenen; GD mean
meaning = mening, betekenis
maende =A meant
meant (maende, mayne) = meent, mient, meen
mear (mere, mar) = zn meer
mearc (merce) = merk, grens, grensgebied
mearce (mierce) = grens, grensvolk
mearcere = grensbewoner, iemand die bij een grens woont
mearcfolc = grensvolk
mearcgerefa = markgraaf = graaf van een grensgewest; ON mercgrave
mearcweard = grenswacht
mearcweardig = bn merkwaardig, opvallend
mearcwunnere = grensbewoner
meardh = marter
mearg = merg
mearh = merrie; WA meerke
mearle =A mearul
mearsc = weidestreek
mearul (mearle) = merel (# zangvogel); KA mearul
meatan = ww meten >A maet
meate = hoop of berg hooi, hout, etc; AH miete
meatte = mat
meccel =A Mecla =A Macla
Mecla =A Macla
mecla =A micla = groot; ON mekel; TW mekkel; NV mekel
med (mead, meada) = weiland; TW mede
med (met, mate, maota) = maat, nat gelegen grasland; > PgAng/Oxe
med = met; ZW med [meed]
medhe = moede, moe
medlere = mispelboom
medmicel = klein, kort
meduseld = metgezel
megid = meid
Meginhardeswich = Meynerswijk/Arnhem > PgAng/Meynerswijk
melc (milc) = melk; ON melic
melcan = ww melken
melcstol = melkstoel, melkkruk = kruk met drie poten waarop de melker zit om de koe te melken
melcwit = melkwit (# distel); ON melcwit
meldan = ww melden
meldian = verklappen, aanklagen
melde = melde (# plant)
meldeaw = meeldauw (# moerasplant, schimmel); ME meldew
melig = van meel, melig, saai, flauw
mella (mylen) = molen; ON mell, melle; AH mŲlle; WA mul, mulle
mellan (grindan) = ww malen
melo (meolo) = zn meel; AH mel; ON mele
melo = melig, zacht, sappig, rijp, vol, zuiver
melt = vet, smeer, reuzel, olie; ON smolt, smout
meltan (mieltan, smeltan) = ww smelten; ON smouten
memm = tepel; AH memme
mengan = ww mengen
menigu = menig, veel
menn (manna) = mannen
menna = menweg, landweg, dreef; NV menne
mennan = ww mennen
mennere = menner
mennig (manig) = menig, groot, fors, flink; KA mennig; TW mennig; AH menneg; ME many
mennisc = menslijk
mensc = mens; WA mensk
mentan = melden; WAoud menten
mentel = mantel (# kleding), omhulsel (# bouwsel)
menting = melding; WAoud mentie
meo (tior, tiorig) = moe, vermoeid; KA meo; TW meu
meoc (daefte) = meegaand, zachtmoedig, gedwee; ME meek
meoca = de zachtmoedige, zachtmoedig persoon
meoca (maca, macca, meoca) = maaksel; KA maca; TW meuk; GD mac, meyk
meocan (macan) = ww maken; KA macan; TW meuken; GD mac, meyk
meoce = moeke, moedertje, oud vrouwtje; TW+AH meuke
meoce = kleine wei; AH meuke
meocnis = zachtmoedigheid
meodhal = drankhal, zuiptent
meodo (meadu) = mede (# drank) = honingwijn = wijn gmaakt van honing; KA meadu
meohod = moeheid, vermoeidheid; WA meuhood
meolc (meoloc, etc) = melk
meolo =A melo
meoloc (milc) = melk; PN mellek; ON melic
meoran = meuren = pitten, slapen
meoring =A moring (veenderij)
meot = blokkade
meotan = belemmeren, tegenhouden; TW meutn
meotpal = hindernis, belmmering; TW meotpaol
meox = mest
meoxen = mesthoop
meple (mapel) = esdoorn; KA meple; OE mapple; ME maple
NB Meppel/Drente, Mapplethorpe fn Engeland
meppan = meppen, slaan
meppe = slag, stuk, stuk land > PgAng/Meppel
NB Meppen/Drente, Meppen/NederSaxen
mer (mar, mor, maer) = bw maar; TW moar, mar; SW mar; EZ awwer >A bot
mer = vermaard, beroemd
meran = meren, vastbinden
Mercas = Anglisch volk wonend in Noord Mercia
merce (mearc) = merk, grens, grenspaal
Mercel = Markelo
Mercum = Mark = munteenheid
mere {mv meres} (mar) = meer, plas, poel, zee, moeras; VW mer; ME mere [mier]
mere (mare) = merrie; KA mare; ON mare; ME mare
mere = slechts, alleen maar
meregrota = parel
mereswin = bruinvis
mergen (morgen) = morn, morgen; KA morgen; WA morn; OE morn; ME morning
merian = zuiveren, reinigen
Merna {1233nC} = Merne/N.Gro
meroure = spiegel; AG meroure; ME mirror
merran = hinderen, ruÔneren, dodelijk verwonden; ON merren = hinderen; ME mar
merre =A mirre
merric = merik (# kruid)
merricwyrtal = merikwortel (# medicijn)
mersc (mors, mars) = moeras; ON marisk, mars
-mes = ON -messe > cermes, scirmes
meselfa [miself] = mezelf; ON meselve; WA miself; EF [miself]
meslic (mislic) = mislijk
met (mate) = mate, maat; GD met
meta (mete) = vlees
metan = ww meten, vinden, ontmoeten; ME to meet
metcealf = vleeskalf
mete = voedsel
mete (meta) = vlees; TW/oud met
metfeld =A mette
NB Metteveld in Hengelo/Achterhoek
methofe = vleesboerderij; TW methoeve
NB Methoeve in Weerselo
metseax = vleesmes, mes, dolk
mettan = vetmesten
mette (metfeld) = weide voor mestkoeien
metwyrst = metworst
metuda = methode, manier
metudaes maecti = maker van macht; > PgLng/Caedmon
meynan = ww mennen, drijven; ON meinen
mynelicne = ontembaar, mateloos
meynere = paardenmenner, paardendrijver; ON meinere
mi (me) = me, mij; KA mi; ON+WA mi; GD me; ME me [mi]
micel =A micla
micelnis = omvang
micla (micel, micle, mecla) = groot, veel; TW mekkel; GD mickle
micla ege = grote vrees
micle =A micla
miclum = veel, groots
mid (mith, hwid, with) = met, door middel van; KA with; WA mid; SW mit; EZ met; ME with
mid micla ege = met grote vrees
midan = ww mijden, verbergen; ON miden; WA mieden
midd (middan, middel) = midden, centrum; KA middan; ON mid, midden
midd (middan, middel) = bn midden, centraal; KA middan
middaeg = middag
middan (midd, middel) = midden, centrum, centraal; KA middan; ON mid, midden
middangaerd (middungaerd, midgard) = middentuin, de wereld
middel (mille) = midden; ON middel; ME middle
middelbaer = middelbaar, middelmatig, gemiddeld; WAoud middelbar
Middel-Angle = Midden-Angle, Midden-Angelland
Middel-Engle = Midden-Engle, Midden-Engeland
middelfinger = middelvinger
Middelsae = Middelzee = vrml noordelijk deel van Zuiderzee
middelwaeg = middenweg
midden = mesthoop; GD midden
middthorp = dorpscentrum; WA middendorp
middun = midden
middungaerd >A midgaerd
midgaerd (middangaerd, midgard) = middengaard, middentuin = de wereld (#Mythologie); KA midgaerd
midwif = vroedvrouw
midwifery = vroedhulp
Midwinter = Midwinter (22 december); ON Middewintere
miegan (meagan) = plassen, urineren; TW miegen
mieltan =A meltan
mierce (mearce)= grens, grensvolk
Mierce = Mercia (GB)
miere = merrie; KA mare; WA mere, meerke; ME mare
miga (orine) = urine, pis
migan (miegan, meagan) = miegen, plassen, pissen, urineren; KA miegan; TW+AH miegen
migga = druilregen
miggan = druilen, zeiken, licht regenen; ON miggelen
migh =A mighla
mighla = wolk, mist
miht [mait] (maegth) = macht, kracht, deugd; KA miht; ME might
mihtig = machtig, sterk
mil = mijl; ON mile; 1 mil = 1.6 Km
milc (melc, meoloc) = melk; ON melic
milcbour = melkboer
milcepp = melkeppe (# moerasplant)
milcman = melkboer
milcrec = melkrek = rek voor melkgereedschap; VW melkrikke
milde = bn mild, barmhartig, genadig
mildheort = barmhartig, genadig
mildheortig = barmhartig, genadig
Millinegen {1331 AD} = Millingen bij Dalfsen in Overijssel
mille (middel) = midden
milstan = mijlpaal
milte = zn milt
min = min, minnaar, voedster; ON min
min = liefde; ON min
min = min (minder)
min = bz mijn; ON min; WA mien
minbow (mynbow) = mijnbouw
mine (myne) = zn mijn; WA miene
mine = bv mijn; ON mine; DR mien
minere (minwercere) = mijnwerker
minnan = minnen, beminnen
minte = mint, munt (# kruid)
minttay = mintthee = thee getrokken van mint
minwercere (mynwercere) = mijwerker
mirce (myrg) = duister, donker, nat; KA myrg; ZW mork [murk]; ME murky
mircig = donker, somber; ME murky
mire = mier (# insect); WA miere
mirre (myrra, merre) = mirre, gomhars
mis- = mis-; ivm mislukken etc
misdaed = misdaad; OE misdead
miseare = misŤre; SH miseere
misgield = misoogst
misgihwaes = misgewas, misoogst; WA miswas
mislecgan = ww misleiden
mislic = mislijk
misliched = mislijkheid
mismodig = mismoedig; WA mismoodig
mismodnis = mismoedigheid
miss (joffre) = jongedame, juffrouw
missan = ww missen
misselgyr {mv -s} = boodschapper; ON misselgier
missenlic = diverse, verschillende
missive = bericht, brief
misslan = ww miezelen, miezeren, dun regenen; GR miezeln; GD mizzle
missle = miezelweer; GD mizzle
mist = mist
mistel = mistel (# struik)
misteltan (maretaec) = maretak = soort parasietplant die op bomen groeit; gebruikt in stallen om maren (boze geesten) te verdijven
misthorn = misthoorn (# scheepvaart)
mistig = mistig
mite = mijt (# insect); WA miete
mith (mid) = vz met
moanan = klagen, rouwen; AG moaning
moc = mok, beker; ME mock
mocc = stalmest; EA mock
mocc = vuil, afval, smeerboel; ME mock
mocg = lust; WA mog
mocgan = ww mogen, lusten, willen
mod = moed, gemoed; DR moud; TW mood; WA mood; ME mood
AL to mod = te moede
mod = hart, geest, ziel, stemming; ME mood
modan = ww turf maken; WA modn
modde [mod] (mudde) = modder, drasland; MC [mod]; ME mud
modder (modor, modra, mutha) = moeder; KA modder; ON modder, moder; TW+AH moder, mooder; SW mowder; NH [moeder]; ME mother
NB AU mamma = vader; babaneek = moeder
moddig = modderig, besmeurd, vuil, vaal
moddwaeg = modderweg, modderige weg
modgidanc {LT moed(ge)dank} = dankzij moed; > PgLng/Caedmon
modig = moedig, trots; WA moodig
modig = humeurig; ME moody
modigast = moedigst, meest moedig
modigast ealra = allermoedigst = moedigste van allen
modignis = trots
modor (modder, modra, mutha) = moeder; KA moder; TW+AH moder, mooder; ON modder, moder; SW mowder; NH [moeder]; ME mother
Modor Acca = Moeder Aarde > PgAng/Moeder Aarde
modra =A modor
modracorn = moederkoren > PgAng/Roggemoeder
modraest = gemoedrust
modranect = Moedernacht = 24 december > PgAng/Modrenect
modwill = moedwil, opzet; WA moodwil
modwillig = moedwillig, opzettelijk; WA moodwillig
mol = molen; AH mol, mul
mold (molde) = mal, template
molder (mulder) = molenaar
molder = korenmaat (1 molder = 4 schepel)
VB 1 molder raapzaad = hoeveelheid raapzaad afkomstig van 0.53 Ha akkergrond
moldery (muldery) = maalderij
molde =A mold
molde = aarde
mole =A molle
molle (mole, mulle) = mol; ON molle; WA molle
molt =A molder
momba (momme, grima) = masker; ON mombakkes
momlan = ww mompelen; DR mommeln
momme =A momba
mommere = gemaskerd persoon; ON mommaert
mon (man) = man
mon (mona, monna, maen) = maan, maand
mona (mon) = maan
monadh = maand; KA monadh; ME month
Monan = Monan = Anglische Maangod
monandaeg (maendaeg) = maandag
monath (monadh) = maand, maan; KA monadh; ME month
moncan = ww mokken; ON muncken
moncs =A mancs
moncynnaes = mokkenaars > PgLng/Caedmon
mond (mand) = mand
mond (muth) = mond, monding, uitwatering; ON mond, mont
mond (monadh, mand, maent, etc) = maand; KA monadh; ME month
mond =A munt
mondmakere = mandenmaker
mondmakery = mandenmakerij
mone = duivel; ON moene; ML momok
monig =A manig; WA meunig
monna (mon, maen) = maan
moo = moe, vermoeid; WA moo
moot (mot, gemot) = vergadering, bijeenkomst; KA moot
mor (myr) = moer, moor = woeste grond, heide; ON mor = moer, drasland; TW mor, moor, meur; ME moor
mor = moerbei; ON mour, moer
mor = bn week, zacht, teer, murw
mor (mar) = bw maar; WA mor, moar
mor = moer, moeras, drasland; KA mour; ON moer; WA mor
mor (mour) = moer, drasland, veengrond, moeras; KA mour; ON moer
mor = modder; TW mor
mor (cwenbeo) = bijenkoningin; WA mor
moraet = moerbeiwijn; ON moraet
moran = ww meren, vastbinden; ON moren
moras = moeras; TWoud moras
morassig = moerassig; TWoud moraschich
morbeam = moerbeiboom; ON moerboem, mourboem
morclocc = moerasklok = vat waarmee moerasgas (morgas) wordt opgevangen
mordh = moord; ON moerd
mordhor = moord; ON moerd
morgas = moerasgas
morhenn = waterhoen (# watervogel)
morig = bn wild, verwilderd
moriga = woest land; WA morige
morgen (morn, mergen) = morgen, morn, ochtend; KA morgen; WA morn; OE morn; ME morning
morgen (morrow, morwen) = morgen, ochtend; KA morgen; ZW morgon [morron]
morgen = morgen = landmaat: 1 morgen = hoeveelheid land dat een boer in 1 morgen (ochtend) kan bewerken = 0.86-1.3 Ha grond
morgen morgens gelic = morgen morgens gelijk = naar evenredigheid
moring (meoring, myring) = veenderij; KA moring; ON moerinc
morland (wystland) = woest land, veenland, moerasland
morman = veenwerker; ON moerman
mormaed = veengrond; ON moermade, -maat
morn (morgen, mergen) >A morgen
morran = ww morren, tegenstribbelen
morrow (morwen, morgen) = morgen; KA morgen; ZW morgon [morron]
mors (mars, mersc, myrs) = moeras; TW mors, mars, meurs
morsman = veenwerker
moru = wortel
morwaeg = veenweg; ON moerweg
morwen (morwening) = morgen, ochtend; WA morren; ZW morgon [morron]
morwen (morrow, morgen) = morgen
morwengief = morgengave = bruidschat
morwening =A morwen
mos [moos] = moes, spijs, eten, warme maal, brij; AH moos; ON moes; ZW mos [moes]
mos = mos (# vegetatie)
mos (mus) = drasland, veengrond, moeras; ON mos; ME moss
mos (mus) = lage, drassige weide; WA mos
mos (mus) = poel, plas
mosbourne = stroom/beek in moerasgebied
NB Mossbourne Academy London
mosbusk = moerasbos
moscat = muskaat (# specerij); ON moscaet
mose = boerekool; WA moos
mosiser (goriser, iserur) = moerasijzer, ijzeroer
mospot = moespot = groentepot
mosream = eetbare paddestoel
mossel = klein veengebied; WA mussel
mossig = mossig, mosachtig, bemost
most = wv moest (v moeten); TW most
most = most = wijndrank
mosthun (mosthyn) = moestuin
mosthyn (mosthun) = moestuin
mot = moet (AVA motan)
mot = afval; AH mot
mot (moot, gemot) = ontmoeting, vergadering, bijeenkomst; KA moot
motan {mot, most, motan, muttan} = moeten; KA muttan; WA mutten; WAoud moten; EF most [most, moest]; ME must
motand = weshalve, omwelk; WAoud motan
mote = gracht, dijk, heuvel, hoogte; ON mote
moththe = mot (# insect); WA motte
mott = zeug, moedervarken; AH motte; ON motte
motta = motte = omwald en omgracht huis, burcht; ON mothe
mough = macht, vermogen, bevoegdheid, lust; ON moghe
mour (mor) = drasland, veengrond, moeras; KA mour; ON moer
mouring = veenderij; ON moerinc
mowa (mawa, mywa) = maailand, grasland; ON meiland; WAoud meyland; WAoud/Emmen mouwe
mowan (mawan, mywan) = ww maaien; KA mowan; WA/Emmen mouwen; ME to mow
mowgudh = maailand; WAoud/Emmen mouwengoed
moy = tante = zuster van vader of moeder; ON moy, moey, moei
moysunu = neef = zoon van tante; ON moyensoon
mucc = vuil, mest; GD muck
muccig = smerig
mud (ulc) = bunzing (# stinkdier)
mudde [mud] (modde) = modder; ON mudde; WA modde; MC [mod]; ME mud
mudh (muth, mond) = mond, monding; ON mude, muyde; WA mud, modde, mouth; ME mouth
NB Angelmodde (Munster). Wichmond staat op kaart KGH1593 als Wichmouth.
mudhig = mondig, meerderjarig
mudston = mergelsteen; # beige bouwsteen
mudtraec = modderweg
muf = muf
muga (muha) = hooiberg, hooizolder, hoop koren
muggig = drukkend, benauwd
muha =A muga
mul = muil, mond, bek; WA mul; ON mule
mul (myl) = molen; WA mul
mul = halfbloed
mul (myl) = losse grond, zandgrond), mulder (molder) = molenaar, korenmaat (1 molder = 4 schepel)
muldery (moldery) = maalderij; AH mulderie
mulle =A molle
munan = ww herinneren
munc (munuc, munnec, munnic) = monnik; KA munnic; ON munnik; ME monk
munchofe = monnikhof, monnikhoeve
mund = mond, monding
mund = mondig
munda = beschutting
mundbora = voogd, gemachtigde; ON montbore, manbore, momber, momboor
munnec >A munc
munnic (munuc, munnec, munnic, munc) = monnik; KA munnic; ON munnik; ME monk
munt (mond) = berg, heuvel, toren; KA munt; ME mount
munuc (munc) = monnik; ON moenac; VW munnich
munuclif = monnikleven
murcnian = morren, klagen
mure = muur; ON+WA mure
murhoc = muurhaak
murnan = ww treuren, rouwen
murne = lijkenhuisje
mus =A mos
mus (musc) = muis (# dier, ongedierte); ON mus; WA moes, moeze; ME mouse
musc (mus) = muis
musc = muskus (# kruid)
muscet = sperwer (# roofvogel); ON muscet
muscle =A mussel
musge = mus (# vogel)
musice = muziek; ON musike
mussel = moerassig land; GR mussel
mussel (muscle) = mossel; WA mussel; ME mussel
musselman = mosselman, mosselboer; raapt mossels op strand of uit beken en verkoopt ze
musspicer = muizensilo; WA moezenspieker
= silo op palen tegen muizen; > PgAng/Spieker
mussy = musse (# insect); ON mussie
mustart = mosterd
mustartmakere = mosterdmaker
mustartmakery = mosterdmakery
mustartsaed = mosterdzaad, zaad van de mosterdplant
mutce = muts; ON mutse
muth (mudh, mond) = mond, monding
mutha = mond, monding
mutha (modor) = moeder; GD mutha
mutsard = takkenbos, houtstapel; ON mutsaert
muttan {mot, most, motan} = moeten; KA muttan; WA mutten; WAoud moten; EF most [most, moest]; ME must
TW he mut = hij moet
myce = bn klein >A micla
mycen = meek, kleine wei; WA meuke, meeke; WAoud mecken
NB Isidorushoeve (Twente): 't Meuken (veldnaam).
mycge (mygge) = mug; WA migge, mugge
mydda = mudde = 4 schepel = 0.5 Ha; WA mudde
mygan = ww mogen
myge = meug, smaak, zin
myge (lad) = jongeman; WA meuge
mygge =A mycge = mug; WA migge, mugge
myl = bn mul, los; VB mul zand
myl (mul) = stof, losse grond
myl = mul, meul (# vis)
myl (mul) = molen; TW mul
mylan (grindan) = ww malen
mylbece = molenbeek = beek langs een molen
mylbeorg = molenberg = heuvel waarop een molen staat
mylbroc = molenbroek = drasland bij een molen
myldam = molendam = dam waarop een watermolen staat
mylen (mella) = molen; ON melle; WA meulen, mul
mylenere (molder) = molenaar
mylenery = maalderij
mylgrafe (leada) = molengraaf = kanaal voor aanvoer van water voor molen
mylraed = molenrad
mylsten = molensteen, maalsteen
mylwearf = molenwerf = terrein rond de molen
mylweol = molenrad
mylwic = molenwiek
mylwinc = molenwiek
mynbow = mijnbouw
myndig = attent
myne (mine) = mijn; GR main
myne (winde) = meune (# zoetwatervis)
mynet = munt; GRoud monet
mynetere = muntmaker, geldmaker
mynster = klooster
mynsterman = monnik
myntan = van plan zijn, besluiten; NL munten = doelen op
mynwercere (minwercere) = mijwerker
myr (mor) = woest land, wildernis, moeras; WAoud meur
myrdhrere = moordenaar; ON moerdenere
myrdhrian = ww moorden, vermoorden; ON moerden
myrg (mirce) = duister, donker, nat; KA myrg; ZW mork [murk]; ME murky
Myrginga = Myrgingum
Myrgingas = Myrgings > PgAng/Myrgingum
Myrgingum = Myrgingum =* Merum/N.Gro > PgAng/Myrgingum
Myrgum = Merum/Lopersum > Myrgingum
myrgynne = moerasland, wildernis, woest land; ME wasteland
myring =A moring
myrra (mirre, merre) = mirre, gomhars; KA myrra
myrs =A mors
Mysse [meusse, musse] = rivier de Maas in Zuid Nederland; ST Musze
mywa (mowa, mywa) = maaiveld
mywan (mowan, mywan) = ww maaien; WA meuwen
mywere (mowere) = maaier
 
n::
n- ze -
n- soms: n- = niet ...; soms: n... = an ... = een ...;
NB WA: soms: n... = ne ... = een ...; VB neik = ne eik = een eik
n- = niet-, een
Vele Anglische woorden beginnend met n zijn afgeleid van ne = niet of een. VB naefre = ne aefre = nooit; nolde = ne wolde = wilde niet; naca = naa aca = een aak; etc
na (nat) = nee, niet; KA nat; GR nait; VL nie; EF na; YK [nee]; NH [neei]; MD n‚; ZW nŰ; Georgia: njŤ; BD na; IR na; ME no
na (naer) = na, naar, voorbij; TWoud na; AH nao
na = desondanks
-na = -ne, -en
VB: Merna (1233nC) = Merne/N.Gro; OsnabrŁck = Ossenbrug/Dtl; Risnen (1188nC) = Rijssen/Twente; Ubbena/Drente = voorbij Ubbe (mansnaam)
-na = vz naar; VB Aladna =A ael (heiligdom) + lad (weg) + na (naar) = weg naar Aalten
naa (noa, nay) = nee; KA nay; AG nae; GD naa, nee, nah; NH [nay]; NR no; HD nai; BD na; ME no
naa = lw een; TW ne
nabban =A ne habban = niet hebben
naca =A naa aca = een aak = aak (# boot)
nacan (neacan) = ww naken, naderen, beroeren; KA neacan; ON naken, neken
nacod (naecad) = naakt; ON naket; ME naked
naecad =A nacod
naecs = kwiek, vlug, snel, handig; WA naks
naedle = naald; TW naol; ZW nal [nool]; ME needle
naedran (nearan) = ww naderen
naedre = vz nader
naedre (addre, naga) =A an aedre = adder, slang; KA adder; ON nadre, nater; ME adder
naef = naaf; ON naef, naf, nave
naefde =A ne haefde = had niet
naefre = nooit; AVA naht aefre; ME never > aefre
naegel = nagel, spijker; ME nail
naeglan = nagelen, spijkeren, vastnagelen, vastspijkeren; ME nail
naeld = naald, haarspeld; ON naelde
naeldmakere = naaldenmaker; ON naeldmakere
naenig =A ne aenig = niet enig = niets, niemand
naep (hnaep) = nap; KA naep
naep (raep) = raap, knol (# gewas); ME turnip
naer = vz naar
naes = landtong
naes =A ne waes = was niet
nafola = navel; TW+AH naffel
nafu = naaf
nafugar =A an afugar = avegaar = grote houtboor
naga (naedre) = naga = slang
nah =A ne ah
naht = nood
naht [nait] {=A nan with} (nat, nawuth, nit) = niet; KA nat; SL+TW+AH neet; GR nait; NR [nait], LB nit; OD niht; AF net; ME not
nahtnis = nood, rampspoed
nahwaether =A ahwaedher =A nawther
nam = nam (v nemen)
nama = naam; GD nyem; ON name; ME name; ML nama
namian = ww noemen
nan (gin) =A ne ane = niet een = geen; GD nan
nan with (naht) = niet; WA neet; SL neet
nappian (hnappian) = doezelen, dutten, een dutje doen; KA nappian
narc [nargg] = kooi, eendekooi; ON nark; EF spion, lokeend
NB Narkveld en Narkveldweg in Beltrum.
narcere (coycer) = kooiker
narcery (coycery) = kooikerij
Narding = Naarden
narg =A narc
nat (naht, nit) =A ne wat = niet; KA nat; GR nait; DR nait, neit, nit; TW neet, nich; AH neet; LB nit; ME not; USA/Trump [nat]/#CNN c 29.8.2016
natt = bn nat
nattelt (sappelt) = nat land; VW nattelt, natelt >A -elt
naw (now, nu) = nou, nu; KA now; DR now; TW noe; GS+AH now; GD naw; ME now
naw = bn nauw; TW now
nawc =A nawlic
nawlic (nawc) = nauwelijks, ternauwernood; WA nawkes
nawther (nahwaether, nother) =A ne ahwaedher = noch; ME neither
nawuth (naht, neat) = niet; KA neat
nawuhtig (nowihtig) = ondeugdend, stout
nay [nee] (nea, naa, nay) = nee; KA nea; GR nai; GD noa; YK [nee]; HD nai
nayan = ww ontkennen
nayan (siwian) = ww naaien; KA siwian; ON nayen
ne (no, ni, nit) = niet, geen; WA neet, nit, nich
VB Ic ne wiste = ik wist niet
ne = tw een, ene; WA ne
ne alaeg = niet vaak, soms
ne waes (naes) = was niet
ne ... ne = noch ... noch; ME neither ... nor
-ne = -ne, -en
nea (nea, naa, nay, noa) = nee; KA nea; GD noa; HD nai; ME no
nea =A near (nabij); ME near
neab = snavel, bek; AH nebbe
neacan =A nacan (naken, neken)
neadan = ww noden, nodig hebben, behoeven; ON niden
neadra = neder (vz), laag, omlaag
neafens = nevens, benevens; VW neffens
neaglholt = soort rookvlees; AH nšgelholt
neah = na, nabij, voorbij; ON na, nae, naer, nare; GD nigh; ME near, nigh
neahgebur = buurman, buur; DR+TW naober; WA naobur; ME neighbour
neahgrove = koffie na begrafenis; AH naogrove
neaht (niht) = nacht; ON nagt; GD neet; LW naktis
neahst = naast, volgend
nean = nooit; ON nien, niene
neapan = nijpen, knijpen, plukken
near = ijver, ongeduld
near (nea) = naar (vz), nabij, laag, bijna, spoedig; ON naer; ME near
nearan (naedran) = ww naderen; ME near
nearbroc = neerbroek = laagst gelegen broekland (veen)
Nearbroc = Neerbroek = Nijbroek/Terwolde
nearig = bn naarstig, ijverig, gedurig; WA nerig
nearlig = bijna; ME nearly
nearolice = meest dichtbij
nearu = naar, eng, smal, nauw; ME narrow
neast = naast; WA neost, naost
neast = vuil, vies
neastig = vies, vuil, onplezierig; ON nestig
neat = rund, koe, vee
neat (naht, nawuth) = niet; KA neat; ME not
neat = bn net, netjes, keurig, handig
neath = vz neder
neath = laagte; > PgAng/Laagland
neatha = laagland; > PgAng/Neede
neatheord = veehoeder
neather = neder, beneden, laag gelegen
neather =A ne eather = niet ieder = niemand
neatnis = netheid
neaw (hneaw) = nauw, karig, schriel; KA neaw
neawist = buurtschap
AVA nea (nabij) + wist (gewest, streek)
nebb = sneb, neus, snavel; ON neb, nebbe
necca (hnecca) = nek; KA necca; WA nekke; ME neck
nece =A necenama
necenama {AVA ne ecenama} (ecenama) = roepnaam, bijnaam; ME nickname
nect (neaht, niht) = nacht; ON nagt; LW naktis
nefa = neef = man met dezelfde voorvaders langs vaderlijn; ON neve = neef, kleinzoon, vriend, bekende; WA neve, neffe >A moysunu
nefas = mannen met dezelfde voorvaders
neffen =A neffens
neffens (neffen) = nevens, benevens; ON neffens
neigh = nabij, nabijheid; WA neeg
neighbour {mv neighbours} = buurman; WA naboar, naobers {mv noboars}
neighbourscip = nabuurschap; WA naboarschap
nemdon = noemden
nemman {nemt, naem, nomman} = nemen; WA nemmen
nemnan {nemt, nemdet, nemdet} = noemen, roepen
nendore = niendeur, achterdeur; WA niendoor, niendure
nene = vz achter; WA nien
nenewaeg = achterweg, buitenweg
nenhus = achterhuis = schuur met stal staat; WA achterhoes; WAoud nienhoes
nenne = oude vrouw; ML nŤnŤ; ME nanny
neod (nied) = nood, behoefte, nijd, drift, hartstocht, woede; KA nied; WAoud noet; ON nide; PD nied; ZE nod [neud]; ME need
neoddryft = nooddruft; WAoud noetdrofft
neodian = ww noden, behoeven, nodig hebben
neodig = nodig; WA neudig; NS neidig
neodlice = voorzichtig, zorgvuldig
neodwif = vroedvrouw; WA noodwief
neogan = nodigen, uitnodigen; WA neugen
neok = hoekje, gezellig hoekje; GD neuk; ME nook
neotan = ww nutten, gebruiken, genieten, bezitten
neothan = bn laag
neothera = bn neder
neowel =A nihol
nepflod = doodtij (# waterstand)
nerian = neren, voeden, redden
nese = nee
ness = nes = gors, uitham, aangeslibt land, landtong
ness = landtong; ON nes, nesse
-ness (-nis, -hyde) = -nes, -heid; KA -nis; ON -nes, -nesse, -nis, -nisse
nest [mv nestas} = nest; DR nust; TW+AH nus; ME nest
nestan (nistian, nestlan) = nesten, nestelen; KA nestan
nestas = zn nesten
nestlan (nestan) = ww nestelen
net = zn net
netelcorn (nettelcorn) = brandnetel; KA nettelcorn; WA nettelkŲrn
netelcyning = winterkoning (# vogel); KA nettelcyning; WA nettelkonnik
netele = netel; KA nettel; WA nettel; WAoud nethel; ME nettle
nett = bn nat
nettan = nat maken, benatten, plassen; ON netten
nettelcorn (netelcorn) = brandnetel; KA nettelcorn; WA nettelkŲrn
nettig = wc; GD netty
new (niw) = nieuw; ON niwe, nuwe; DR new, nai, nei; WAoud new >A niw
newman = nieuwling = iemand die pas ergens is gekomen
newmood = modern; AH nieumoods
news = nieuws; AH niejs
ni (ne, nit) = niet
nic = water, plas, kolk
nic (wic) = aan water gelegen wijk, wijkplaats
nic = gevangenis; ME nick
-nic (-wic) = -nik = -wijk; i.b. in locatienamen
nicc = knik; ON nick
niccan = knikken, knakken, schelden, belazeren, verraden; ON nickan; AH nikn; WA nikken; EF nick
nicnome = bijnaam, scheldnaam
Nicor = ON Nicer, Nicker = een kwaadaardige watergod > PgAng/Nicor
nide >A nied
nied (nide, neod) = nood, nijd, behoefte, drift, hartstocht, woede; KA nied; ON nied, nide; PD nied; ZE nod [neud]; OE nied; ME need
niede =A nied
niedig = nijdig, afgunstig, driftig, nodig; ON nidich
niedunga = uit noodzaak
niehst = meest nabij
nierwan = ww vervelen, lastig vallen
nieten = dier, beest
niffig = bn nuffig
nift = nicht
nigan (hnigan) = nijgen, buigen; KA nigan; ON nighen
nigon = negen; TW hegn, neen; GD neen
nigonteotha = negentien
nigontig = negentig
nigotha = negende
nihol (niwel, neowel) = voorover, stijl
niht [nait] (nect, neaht) = nacht; ON nagt; ME night
nihtegale = nachtegaal
nihtgenga = nachtzwerver
nihtmare = nachtmerrie (vreselijke angstdroom); ME nightmare
nihtscada = nachtschade (# kruid)
nihtwacere = nachtwaker
nis =A ne is
niman = nemen, veroveren, plukke
Nimwaeg (Niumaga) = Nijmegen
nip = bn nipt; zn nevel
nipan = nijpen, donker worden
nipel = tepel
-nis =A -nes
niss = nis, holte, inham, uitholling; ON nisse
nistian (nestan) = ww nesten; KA nestan
nit (ne, ni) = niet; GR nait; WAoud nit; EZ nit; OD niht
nits = niets
nitwaerdig = nietswaardig, waardeloos; WAoud nichtwerdich
niow =A niwe
nitu (hnitu) = neet (# insect); KA nitu
niu = bn nieuw >A niw
Niumage (Nimwaeg) = Nijmegen
niw (niwe, niu, new, ny) = nieuw; KA niw; ON niwe, niew; DR new; WAoud new, ny; ME new
niwan = nieuw, onlangs
niwe =A niw
niwel =A nihol
niwes = nieuws; ON niwes; DR nais, neis
niwland = pas ontgonnen, bedijkt of bebouwd land; ON niwelant; WAoud nylandt
NB Nyland = kustplaats in Cornwal, ZW Engeland
niwstaet = nieuwe plaats; WAoud nienstat
no (ne, ni, nit) = niet, geen; KA no, nit; WA neet, nit, nich; ME no
noa (nea, naa, nay) = nee; KA nea; GD noa; HD nai
nocc (first, fyrst) = nok, daknok
noce (nuce) = naad, smalle strook (o.a. grond); WA noke
nocer = notenboom; ON nokere
nocter = nuchter; WA nochter
nocternis = nuchterheid
nol (noll) = hoogte, bult, heuvel, duin, zandberg
nolda = heuvelland, heuvelig of glooiend gebied > PgAng/Nolde
nolde =A ne wolde = wilde niet
noll (nol, hnoll) = nol, duin, zandheuvel, bult, kruin; KA noll
nolle =A nol
noman = ww noemen; WA noamen
nome = naam; ON name; WA noam; ME name
non = 12 uur middag; ON non, noen
nonhus = lunchhuis, restaurant; ON noenhuis
NB Genoenhuis in Noord Brabant
nonmael = noenmaal, lunch
nonny = meisje (# Black Adder); ML noni
noos = noest; AH noos
noppa (hnoppa) = wolvlok; KA noppa; ON noppe
Nordic (Nortic) = Noorddijk
norf = ventje; AH norf
north = noord, noordelijk; ON nort, noert
north-dael = noordelijk deel, noorden
North-Humbre = Northumbria
North-Hymbre = Norhhumbria
North-Welas = Welshmen
northlic = noordelijk
northweard = noordwaards; ON nortwaerd
Nortic (Nordic) = Noorddijk
nos (nosu) = neus; KA nos; ON nose; WA nosse; PD nees; ME nose
nosream = neusriem (voor paarden)
nosu =A nos (neus)
nother (nawther) = noch; ME neither
nott = noot (# vrucht); TW notte
nottere =* notenraper, notenverzamelaar, notenverkoper, notenhandelaar
novembre = november; ON novembre
now (naw, nu) = nou, nu; KA now; DR now; TW noe; AH+GS now; ME now
nowiht = nul, niets
nowihtig (nawuhtig) = ondeugdend, stout
noys = lawaai, geweld, strijd, schade, ramp, wond, etc.; ON noyse; ME noise
nu (naw, now) = nu, nou; KA now; ON nuwe; WA noe; ME now
nu giet = nog steeds > giet
nuccan = ww neuken; WA nukken
nuce =A noce
nucer = noteboom, okkenoot; ON nueker
nudh (nyde) = waterloop, geul; VWoud noed, neude
nul = bn nietig, waardeloos
nulan = ww zeuren; WA neulen
nulic = boos, kwaad; WA neulik
nulicnis = boosheid, kwaadheid
null = waardeloze grond
numen >A niman
nunne = non = vrouwlijke kloosterling; ON nunne
nut = noot (# vrucht); WA nut
nutcracere = notekraker (# vogel)
Nutspete = mogelijk de oude naam van Midlaren in Groningen. #Quedam/p117
nutu (hnutu) = zn noten; KA nutu
nuwe = nu, nou; ON nuwe; WA noe
ny = nieuw >A niw
nyde (nudh) = waterloop, geul; VWoud neude, noed
nyland (niwland) = nijland = nieuw land; ON niwelant
NB AL niwland = pas ontgonnen, bedijkt of bebouwd land; ON niwelant; WAoud nylandt
NB Nyland = kustplaats in Cornwal, ZW Engeland
nyle =A nylle
nyllan {nyllet, nyllad, nyllad} = AVA ne willan = niet willen
nylle =A ne wille = wil(len) niet
nys-nes = nut, voordeel
nyste =A ne wiste
nythsum = overvloedig
nyton =A ne witon = niet weten
nytt = nut, voordeel
nyttig = nuttig, voordelig
 
o::
o = een, ene (onb.lidwoord)
o (a) = ooit, altijd
oag (aeg, eage) = oog (# lichaam); KA oag; TW aoge, oag; DR oge
-oc [-uk] (-ock, -uc, -ec, -ic) = -achtig, -tje (klein). Deze uitgang komt o.a. voor in Anglisch cranoc (kraanvogel) en hummock (hoogte in drasland). Naast cranoc kent het Anglisch ook crane voor kraanvogel. De term -oc of -ock is dus een toeving. Vrij zeker betekent -oc(k) = -achtig = lijkend op. Hummock is dan een heuvelachtig terrein. En cranoc een kraanachtige vogel, mogelijk dus een reiger. Een mattuc (ME mattock) is een soort pikhouweel met ets- en beitelkop.
ock (auck) = bw ook; WA ok
ock (ac) = eik (# boom); WAoud ok
NB Okhorstweg in Delden/Achterhoek
NB Okkenbroek (Salland) = Eikenbroek = broekland waar eiken staan.
NB In Derby (HAG, GB) ligt de plaats Ockbrook.
ock (ack) = eik, eikeboom
-ock =A -oc
ockbast (acbast) = eikebast > ZA/PgAng
octobre = oktober; ON octobere
od = tot, te; ME ad
oe (ey) = eiland; VB Beveroe (Angeln) = Bevereiland
Oel = Oel = knecht van Wodan > PgAng/Wodan
oerta (orta) = oert = oude munt van 1/4 stuiver; WAoud oert
oew (aew) = wet, huwelijk
of (aef, fan) = af, van (afkomstig van); KA of; DR of; WA af, of; EZ vun
of = tegen; WA of
of-draedd = bang, angstig; ME afraid
ofen (ufan*) = oven; > ufan
ofer (afer) = vz over, voorbij; KA afer; WAoud aver; TW ouwer; AH auver; GD ower; AF oor
oferal (ahwaer) = vz overal
overeand = overend, overeind, rechtop
of = op, aan, van; ON of; ME of
ofer = over, aan, na
ofer = oever
ofereode = overvloed
thaes ofereode, thisses swa maeg = dat ten overvloede, dit mag zo
oferest = overigens, alweer, maar; WAoud overst
oferhergian = ravage
oferig = overig; WA auwerig; EZ awwerig
oferganc = overgang
Oferganc = overgang naar hiernamaals > PgAng/Herrijzenis
ofergewiht = overgewicht; ON overwigt
ofergrownet = verwilderd; ME overgrown
oferhauwlan = afbreken, neerhalen, demonteren, onderzoeken
oferlocere (locere) = opzichter, opziener
oferlocian = ww overzien
oferman = hoofdman, aanvoerder, bemiddelaar, scheidsrechter; ON overman
ofersawan = overnaaien
oferscyrte = overrok, overhemd (# kleding)
oferslop = oversloop (# kussen), overkleed (# kleding)
oferwiht = overgewicht; ON overwigt
ofet = ooft
offre = offer
offredeor = offerdier
offremaesse = offermes
offreman = offerman = Angale priester belast met beheer van een offerplaats; ON offerman = koster = kerkbeheerder
offresten = offersteen
offrethan = afrasteren; DR ofvreden
offrian = ww offeren; WA offern
offring = offeren, opofferen
ofgang = afgang, ontlasting; AH ofgank
ofgoan = weggaan, verminderen; AH ofgaon
ofor = oever; ON over
ofslean = afslaan, doden, vernietigen
ofslogan = afslachten
ofsnithan = afsnijden
ofspring = kinderen, nazaten, resultaat
oft = vaak
ofta = of, ofwel; ON ofte
ofteon = ontkennen, onthouden
ofthyrst = dorstig
oftraen = afpassen; AH oftraen
ofwundrod = verbaasd
ogest (oust) = oogst, oogstmaand, Augustus; ON oghest
ol (al) = al, alle
olaecing = behagen
old (eald, ald, aeld, etc) = oud; KA eald; ON old, olt, out; WA old; AH old, ow; SW oold; MD owd; YK owld >A eald
Old Landscip = Olde Landschap = Drente
older = leeftijd; AH older
olderman =A ealderman; WA ealderman, olderman
olders (ealdars, ealdors) = ouders; WA olders; AH owleu, owluu
ole =A old; WA ole
olla =A aelda
oltar (outar, ael) = altaar, tempel, offerplaats
on (an) = aan, op; WA oan; ME on
on efn = nevens, naast
on flette thahan = op 't schild dragen (# eerbetoon)
on fote (afote) = in actie, in beweging, op gang, aan de gang
on gemang = tussen, tussenin; GD amang; ME amongst
on middan = temidden; ME amid, amidst
on orette = op aarde
on ther = daarzo, daarginds
on- (un-) = on- = niet ...
onaelan = aansteken, aanvuren; drachtig
onbiergan = proeven, eten
onblidhe = verdrietig, droefig; ON onblide
onbut (KA abut) = ongeveer, buitendien, bijna; GD aabut; ME about
onbutan (abutan) = buitendien, zonder, ongeveer, over; KA abutan; ME about
oncnawan = begrijpen, herkennen, ontvangen
ond = en; KA and
ondraedan = vrezen, bang zijn
onfengon = ontvangen
onfon = ontvangen
onfilti (ambilt) = aambeeld; ON aembelt
Ong- =KA Eng-
onga (anga) = stekel; KA anga
ongaegn =A ongean
ongean = naar, ontmoeten; tegenovergesteld; vijandigheid
ongean (ongaegn) = alweer, weer, daarentegen; KA ongean
ongeand (ongend) = aangaande, betreffend; KA ongeand
ongeand (ongend) = vz tegen, bij, nabij; KA ongeand
ongeaton =A ongieton
ongel (angel, angul, hoc) = haak, vishaak
Ongel (Angel) = Angel; WA Angel, Ongel
NB Ongelnkamp in Harreveld > PgAng/Angelheem
NB ML ongol = klein gebogen stukje deeg
ongen >A ongean
ongend >A ongeand
ongietan = ontvangen, zien
onginnan = ontginnen, beginnen
Ongle (Angle, Engle, Ingle) = Engeland, Angelen (volk)
ongon = toen
Ongull = Angel > PgAng/Ongel
ongunnon >A onginnan
onhagian = behagen
onix = onix, onyx (halfedelsteen)
onleacan (unleacan) = uitlekken, uitstromen; KA unleacan
onlucan = ontsluiten; ME unlock
onmiddan = temidden
onmonig = heel veel; AH onmundeg
onstyrian = sturen, bewegen
onsundra = afzonderlijk, apart
ontendan = ontsteken, aansteken > tynder
onuppan = bovenop
onwaeg (ewaeg, onweg) = bw onderweg, op weg, weg; KA ewaeg; ON ewech, onwech, onweach; ME away
onweg =A onwaeg
onwocan = ww ontwaken, geboren worden
onwocan = bn ontwoken, ontwaakt, geboren
oor = onze; GD wor; ME our
ooy (oy, uterweard, utsleag) = uiterwaarde, waard; ON ooy
op (up) = vz op; ON up; WA up; EZ uff; EF op; > on
op (sop) = heuvel, top, hoogte, berg
Komt voor o.a. in de namen Esop (bij Elst/Bemmel), Pakop (Didam), Pasop (Aalten), Brogteropslage, Spekopsweg (Dedemsvaart), Oosterop (famnaam), etc
open = open; ON open; DR lŲs; TW oop; ME open
openlice = openlijk
opennis = openheid
or =A ar = eer, ...
or (oreth) = landpunt; VW oor, oord, or
ora = oever
ora = oer, ijzeroer; ON ore; HZ/Orvelte orre; ME ore
ora = haven
ord = oord
ord =A ort
orda (ordine) = orde, leefregel, verordening, rangorde; KA orde; ON orde; ME order
ordal = oordeel, vonnis; ME ordeal
ordinan = ww ordenen, regelen; ON ordinen
ordine =A orda
ordine = gewoon; >A geordine
ordinlic = ordelijk, ordentlijk, volgens de regels; ON ordinlijc; GR ordinik
ore = bn oer
ore = uur; ON ore, ure; ME hour
orego = marjolein (# kruid), oreth (or) = oord, landpunt
orette (eard, eorthe) = aarde
orfeth = opgeven van strijd; ON orvede
orgellice = trots
orinan (migan) = ww plassen, pissen
orine (miga) = urine, pis; ON orine
orison = gebed, bede; ON orisoen
orlegan = oorlog voeren, strijden; ON orloghen
orlege = oorlog; ON orloghe
orleglic = betwistbaar, bestrijdbaar; ON orloghelijc
ormaete = immens, grenzeloos
orranny = oranje (# kleur); WA orannie
orsaeke = oorzaak; WAoud orsake, oersaeke
orsate = vergoeding; ON orsate
orsorg = zorgeloos, ongeÔnteresseerd
ort = bw vreemd, eigenaardig, oneven, resterend; ME odd
ort (ord, hort) = punt, hoek, rand, grens; KA ord; ON ort, ord
ort = spitsvormig stuk land
orta =A oerta; WAoud ort
ortgeard = boomgaard, fruitgaard
orthanc = oordeel, gedachte, idee
os =A ox
ose = soort vogel
osgood =A osgudh
osgudh = ossenfarm; OE osgood
osig = vies, vuil, verderfelijk, verpestend; TW oozig
osignis = vuilnis
osle = soort kleine vogel
oslig >A ouslig
Ossel = Usselo bij Enschede
ost = knoest
ostre (ustar) = oester; ON ostre
Ostrice = Oostenrijk, Duitsland; ON Ostrike
Oswine = Oswin
oswold = taai, hard, onverzettelijk; TW oozwolt
oth = tot, zover als
oth = erfgoed
othan = ww erven
other = ander, anders; TW aens; ME other
otherwaeg = elders; TWoud aensweg
othmod = ootmoed, vriendelijke gezindheid
othnis = erfenis
oththe (aef) = of; WAoud ader, edder, eder; ME or
otter = otter
otterspear = otterspeer = speer om otters te vangen
ottor = otter
oust (ogest) = oogst, oogstmaand, Augustus
Oustmaent = Oogstmaand, Augustus
ould (ald, eald, auld) = oud; ON old; WA ald, old, ould; ME old
oule (ule) = uil; ON ule; WA ule, oele
oulflyht (twileoht) = schemering; WA oelevlucht
ouslig = rommelig; TW oezelig >A osig
outa = oudje, grootmoeder; WA oote
outar (oltar, ael) = altaar, tempel, offerplaats
owa = ouwe, oude
ox =A oxa
oxa {mv oxna, oxas} (ox, os) = os, stier; KA ox; ON ox, osse; WA oxe, osse; ZW oxe [oekse]; ME ox
oxa = 1 morgen = 0.9 Ha = de omvang van land, dat een boer met een span ossen in 1 morgen kan ploegen.
oxblod = ossebloed; werd gebruikt als soort menie om muren te verfen
oxbour = ossenboer, ossenfokker
Oxbrigge = Osnabruck; AH Ossebrugge
oxcaemp = ossenveld; ON oskamp
oxcarre (oxcraet) = ossekar
oxcermes = ossekermis; VW ossekarmis > PgAng/Ossekermis
oxceapa = ossenhandel
oxcraet (oxcarre, oxwaegn) = ossekar
oxcyle = ossenkuil = laagte waar ossen weiden; DR ossekoel
oxdrifere (oxman) = ossendrijver; ME oxdriver
oxeagth = osseneg; WA ossenegge
oxenere =A oxbour
oxgealla = ossegal (# zeep)
oxhide = ossehuid; >A hide
oxhorn = ossehoorn (# blaasmuziek)
oxig = goedmoedig, traag
oxjuc = ossenjuk = juk voor twee ossen bij ploegen
oxland = ossenwei
oxmaerct = ossenmarkt
oxman = ossendrijver, ossenboer
oxmod =A oxmodig
oxmodig = kalm, rustig, eenvoudig, degelijk; WA ossemoodig
oxna {mv ox} = ossen (mv os)
oxpenn = kleine ossenweide
oxtunge = ossetong (# gerecht)
oxtunge = ossetong (# bitterkruid)
oxwa (oxwaen, oxwaegn) = ossewagen; KA oxwa; AF ossewa
oxwaeg = ossenweg = weg waarlangs ossen werden gevoerd naar ossenmarkt; > PgAng/Ossenweg
oxwaegn (oxwa, oxwaen) = ossewagen; AF ossewa
oxwaen =A oxwaegn
oxweard = ossenwaarde = uiterwaarde waar ossen grazen; ON oxwearde
ow! = au!
owa = bn+zn ouwe
oy (ooy, oye) = ooy = nat en laag weiland in bocht van rivier
oye =A oy
oyl (oly, ele) = olie; ON oly, oli; WA ollie
oylfleasc = oliefles
oylleamp = olilamp
oylmylen = oliemolen
oylmylens = oliemolens
oylsaed = zaad waaruit olie geperst wordt
oylsaedan = oliezaden
oyr = hun; WAoud oir
oys = bn nat, drassig; VW oyse
NB Oyseweg in Wilp aan de Yssel,
oyt = onbeduidend, beroofd; WAoud oit
 
p::
pa (pappa) = pa, vader; WA pao; ML pah; ME pa
pac = pak, bundel, stapel; ON pac; ME pack
paccan = pakken, grijpen
pace = pas, gang, vaart; ON pace
pacesol = pakezel = ezel die pakken op de rug draagt
pachors = pakpaard = bepakt paard, paard dat pakken op de rug draagt
pachus = pakhuis = pand waar goederen worden opgeslagen
packe = pak, net pak (# kleding)
pacwaegn = pakwagen, goederenwagen; WA pakwaag
Pad = mansnaam > PgAng/Padinghem
pad =A pod
pade (pud) = pad (# kikker); ON padde; WA pedde
pae = pad, smal wegje; AH pae = paden
paedh = pad, smal wegje; ME path
paega (worchors) = paard, werkpaard; VW page
paega = page, dienaar
paega = page (# kleine dagvlinder)
paegart = gebied waar veel pages (# vlinders) voorkomen; ON pagert
paegman = dienstman
paell = pelle (# linnen stof)
paell = pelle = schil, vacht, bont; ON pelle
paell = rouwkleed = zwart kleed over doodskist
paellan = pellen, schillen
paellbour = schillenboer; ON pelleboer
paellweafere = pellewever
paep (pape, pappe) = steile hoogte, heuveltop
paep (pape) = puntmuts
paep (pape) = priester, pastoor, monnik; ON/1200 pape, paap; GT papa
paep (paeppel, peappel, poppel) = peppel, populieer (# boom); ON pappele; TW peppel; VL pappel; SL poppe; OE popple
paep > PgAng/Papen
paepegay = papegaai; ON papegay
paeppel (paep, peappel) = peppel, populier, els, ratelaar >A peappel
paerroc (parrock, pearroc) = park; ON pearc; NB > pearroc
paes (peas, pas, pes) = paas, pas = heide, heideveld; SL peeze; WA pees, pes; VL pies
NB Larxen Pasch op Gorselse Heide (kaart GHG/1900 > PgAng/Kaarten)
paes = beemd, weide, weidegebied; ON pasch; VW pas, pes; VL pies
paes (peas, pas, pes) = vrede, rust, veilige zone, omheind gebied; ON paes; VL pies
paes (pas, pes) = Pasen; ON paes
paesbeace (lentefyr) = paasbake, paasvuur, lentevuur; WA paosboake
paesbeorg = paasberg, vredeberg; NB Paasberg in Lochem
paesce (pasce, pesce) = klein heideveld
paesfeld (fridhufeld) = vredeveld = heideveld waar de as van gecremeerde mensen wordt uitgestrooid
paesgood (peasgudh) = heidegoed = landgoed op de heide; KA paesgood
paesgudh =A paesgood
paeslic = vredig, rustig
paesmacere = bemiddelaar, vredestichter; ON paesmakere
paesman =A heddeman
paesman (pasman, heddeman) = heideman = heidewerker, heidebewoner
NB de naam Pasman komt erg veel voor als wegnaam in buitengebieden van NO Nederland. De betekenis is vooralsnog niet bekend. In Engeland komt de familienaam Paxman voor. Ook in NO Nederland kwam die naam voor. Paxman lijkt een variant van pasman. Verder is er de variant Paasman.
paesman =A paesmakere
paesmakere (paesman) = vredestichter, bemiddelaar
paesop (paesbeorg) = heideheuvel, paasberg
paeste = heideveld
paesternaec (passenip) = pasternaak (# eetbare wortel)
paet (strunt) = mest, gier, aalt; WA patte; LM paet
paeth (pad, pot) = pad, voetpad; ME path
paetstede (struntstede) = mestvaalt
pag... >A paeg...
page >A paega
pail (arwe, earh, pail) = pijl; KA arwe; DR paail; ME arrow
pain = pijn; ON paine; TW pien; ME pain
pal = paal, grenspaal, grens; ON pael; TW poal; AH paol; ME pole
palaes (palas) = paleis; ON palaes, palas
palan = ww palen, afpalen, begrenzen; ON palen
palan = ww palen aan, grenzen aan; ON palen
palas =A palaes (paleis)
pallyamalle = paljebaan (# cricketbaan); ON paljemalje
pallyan = soort balspel; ON paljen
palmestry = palmistrie = handleeskunde
palscead = grenspaal, grensafscheiding; ON palscede
palsgerefa = palsgraaf (hoftitel); ON palsgraeve; ME palsgrave
palstead = plek waar de grenspaal staat; ON paelstede
palstre = stok, wandelstok, staf, stut; ON palster
paltere = reiziger, zwerver, landloper; ON paltenier
pan = pan, bakpan; ON panne; WA pen
pan = pan = groot gat of kuil in de grond
panc >A ponc
pancoce = pannekoek; KA pancoce; ON pancoke; GR pankouk; DR pankook; TW pankooke AH pannekoke; ZW pannkaka; ME pancake
pancocery = pannekoekrestaurant; TW pannekoekerie
panhus = bierbrouwerij; WA panhuus
panna =A pan
panne =A pan
panofen = panoven = steenbakkerij die dakpannen maakt
pansig = pensee (# viooltje, kruid)
papa (pa) = papa, vader; GR pappa; ML bapa; ME pa
NB AU mamma = vader; babaneek = moeder
papa (paws) = paus
pape =A paep
papoeg =A popaeg
pappe (pape, paep) = steile hoogte, heuveltop
NB Papworth in Engeland. Deze stad is gebouwd op twee steile heuvels.
pappe (porrige) = pap; WA pappe
pappclocc = papklok = klok (bel) geluid tegen schemrtijd om werkers op het land naar huis te roepen voor eten; vaak was dat pap.
papyr = papier; ON papir
pargan = ww brommen, knorren, zeuren, kankeren; WA pargen
pargcop = zeurpiet, kankeraar, knorpot; WA pargkop
pargetere =A pargcop
parruc = park, erf, omheining
parlour = vergaderzaal, spreekkamer; ON parloer
parrock (paerroc) = park
part = deel; VWoud part
pas (paes) = heide, heideveld
pas (beamt) = beemd, weiland; ON pasch
pas = pas, smalle doorgang; ON pas, passe
NB Wilgenpas in buitengebied Azewijn (Montferland) is een nauw weggetje met aan weerskanten oude wilgen. (#2010)
NB Holtpasweg Loerbeek
pasan = ww passeren, voorbij gaan
pasbeorg (paasberg) = paasberg; berg waar geofferd werd > PgAng/Paasberg
Pasce (Eostre) = Pasen
pasce (paesce, peasce) = klein heideveld
De veldnaam Paske komt voor in NO Nederland. O.a. als Peeske bij Beek in Montferland.
pasce = zeer smalle doorgang
pascoe = paaskoe > PgAng/Pascoe
pasman (paesman, heddeman) = heideman = heidewerker, heidebewoner
NB de naam Pasman komt veel voor als wegnaam in buitengebieden van NO Nederland. De betekenis is vooralsnog niet bekend. In Engeland komt de familienaam Paxman voor. Ook in NO Nederland kwam die naam voor. Paxman lijkt een variant van pasman. Verder is er de variant Paasman.
pasop (pasbeorg) = paasheuvel, paasberg = hoogte waar geofferd werd > PgAng/Pasop
passenip (paesternaec) = pastinaak (# knol), pasternaak
pastore = pastoor
pasture (pe) = weiland; ON pasture
pad =A paeth, pod
pat =A paeth, pod
pather = pater, priester
pavement (plafaisal) = plaveisel, bestrating; ON pavement
paveran = plaveien, bestraten, bestenen, bevloeren; ON paveren
pavere (calsidere) = stratenmaker
paverte = stenen vloer of plein
paw (pea) = pauw (# vogel); KA paw; ON pau, pauwe; ME peacock
pawal = pavillioen, tent; ON paweloen
pawan = ww verpanden
pawna = onderpand
paws (papa) = paus
paxman >A pasman
payan = ww paaien, tevreden stellen, betalen, voldoen; ON paeyen; ME pay
payl (peal) = pelle = zandhoogte in moerasgebied; DR payle; WA palle; OE pail; > PgAng/Paylen
NB Pailthorpe in Engeland
paylgaerd = pellegaard = veentuin; WA pallegart
pe >A pee
pea = pad, wegje; WA peake = paadje
pea = wortel, biet; NV pee
pea =A paw (pauw)
peadlan = ww peddelen, roeien
peadle = peddel, roeispaan
peal (pedel) = peel = nat veengebied; ON pel
peal (payl, pelle) = peel = zandhoogte in moerasgebied; WA payl; > PgAng/Paylen
pealgaersta = gersteveld op zandhoogte; KA pealgaersta; WA pellegarste
peand = pand; WAoud pend, pand
peandan = panden = beslag leggen op een pand; WAoud penden
peanding = panding, beslaglegging op pand; WAoud pending; NB AN pending
peandscip = bepand, met pand belast; WAoud pantschap
peandwering = verzet tegen panding
peapan = ww gluren
peaphol (windaog) = piepgat, gluurgat
peappel (poppe, poppele, paep) = peppel, populier, els, ratelaar (# boom); ON pappel; DR peppel, peupel, poppel; TW peppel; AH peppel > PgAng/Papen
peappelman = peppelman = priester*
pear (per) = gelijke, weerga, edelman; KA pear; ME peer
pear (per) = peer = kerel, goede vent; KA pear
pear (per) = peer = NV hoofd, vader; KA pear
peard (horse, ros) = paard; ON pert, paerd; TW+AH peerd
peardcopere = paardekoper; ON paerdecooper
peardcopery = paardekoperij, paardehandel
pearroc = perk (# tuin); ON pearc; NB >A paerroc
pears = bn paars
peas >A paes
peasan = pezen, hard werken, hard lopen; AH peezn
peasce >A paesce
peasgudh =A paesgudh
peasmars = waterrijk moeras. Ofwel: een moeras waar men veilig kan wonen. Voorbeelden: Peasmarsh in East Sussex, Surrey en Somerset in Engeland. > PgAng/Moerasvolk, Veiligheid; PgBrit/Peasmarsh
peastan = ww bakken
peastere = bakker; ON pestman
pec (pic) = pek, taaie veengrond; ON pec, pic; VW pik, pek, peck
pece = pek; ON pece, peke; WA pekkel
peccan = ww pakken
pecce = pak, pakje; WA pekke
peccreat (ysop) = pekkeriet = hysop (# riet); WA pekkereet
NB Pekkenrietweg in Exel/Lochem.
pecsticc = toorts, fakkel; ON pekestok
pede = sponsige (turf)laag aan de oppervlakte van een veengebied; WA pedde > pet
pedel =A peal
pee (pe, pasture) = weiland; KA pee
peeman = jager; NV weidman
peg (pog) = houten pen of wig in gebinte; VW pegge; WA peg, pog
pegan = ww vastmaken of -zetten (met pennen); ME to peg
pegel = peil
pegge (pigge, pogge, etc) = varken
pegholt = varkensbos = bos waar vakrens weiden
pegta = varkensveld = veld waar varkens weiden
pegtel = klein vakrensveld
pellican = pelikaan; ON pellecaen
Penceras = Anglisch volk in Engeland > PgBrit
pending =A penning; NB AL peanding
pene = bn klein, gering
pene = straf, boete; ON pene, paine
penig =A penning
pening =A penning
penn = pan; WA pen
penn = omheind stukje grond (weide, etc); GD cree; ME pen
penn = hok, stal; ME pen
penne = pen, veer, schrijfpen; ON penne
pennig =A penning
penning (penig, pennig, pening, pending) = penning; KA penning; ON penninghe, penninck; ME penny
pension = opbrengst, rente
pensionan = ww opbrengen, renderen
Penter (Pincster, Singsene) = Pinksteren; KA Singsene; ON Singsene
pentercrod = pinksterkruid (# plant)
Peothas = Picten
per >A pear (gelijke, weerga, edelman, etc)
per (pere) = peer (# vrucht)
perbeam (pertreo) = pereboom; ON perboom
pere = peer; ON pere; ME pear
pere = pier, strekdam; ME pier
NB AU pirri = speer met stenen punt
pergamon = perkament
peristearan = persisteren
perle = parel; WAoud perle; ME pearl
perscrod = perzikkruid (# akkerkruid)
perse = perzik; ON perse
persin = peterselie; ON persin
persistan = standhouden, vasthouden
perssan = ww persen, drukken, dringen
persse = pers, drukpers, druk, drang, angst; ON persse
Persum = Perzen
Persy = PerziŽ
pertreo (perbeam) = pereboom
pertrich = patrijs (# gevogelte)
pes =A paes
pesman =A heddeman
pestan = pesten, plagen
peste (blac dead) = pest (# ziekte)
pestcruc = pestkruis = kruis om pest te voorkomen
pesthus = ziekenhuis voor pestlijders
pet (pete, pith, tarf) = turf, turfveld, laagveen; TW peet; HZ pet; ME peat > pede
NB Norger Petgaten in Groningen. Petgaten zijn langgerekte veenputten ontstaan door turfafgraving in natte veengebieden. Ze werden verwaarloosd, waardoor de natuur vrij spel kreeg en de gaten dichtgroeiden met waterplanten.
pet = pet (# hoed); GD pet; ME pet
petbogga = drassig turfveld
pete =A pet
petgate (petgate, petgeat, fenpyt) = petgat, veenput; KA petgate
petgeat =A petage
peth = heuvelweg; GD peth
petwerc = turfbedrijf, turfstekerij
pewit (cifwit, ciwit, hleapwince) = kievit, kapmeeuw
pibgorn = hoornschalmei (# blaasinstrument); ON pibgorn
pic = pik, piek, top, snoek; ON pic, pijc; ME peak
pic (pec, pece) = pek, taaie veengrond; ON pic, pec; VW pik, pek
piccaex (hacce) = pikbijl, pikhaak, houweel (# wapen)
piccan (pician, piccian, piken, pikken) = ww pikken, pekken, pakken, bikken, hakken, plukken, maaien, stelen; KA piccan
piccere = bikker, maaier, plukker, stroper, dief
piccforc (geaffel) = pikvork, hooivork = lange stok met twee punten
picchoc (ungol) = pikhaak
korte: korte stok met haak; o.a. gebruikt door vissers en maaiers
lange: lange stok met haak; soort enterhaak
piccian =A piccan
piccstric = wetsteen om zeis te scherpen; WA pikstrik
pice (pic) = piek, steekwapen; ON pike
pician =A piccan
pidha (pitha) = pit, merg van bomen
pigardy (swincoye) = zwijnenstal, varkensstal
pigbenc (poggbenc) = piggebank = houten bank waarop varkens worden geslacht
pigge {mv pigges} (pogge) = big, varken; WA pog; OE pigge; ME pig > PgAng/Poggen
NB Piggen (familienaam), Piggenhuys/Brede, Piggenlaan/Deurne-Pijnakker, Piggenweg/Hertme-Zenderen, Piggenweg/Steinfurt/WD, Poggeheide en Poggebelt in Nieuw Heeten (Twente).
pigge (bigge, pogge) = bn groot
pigges = varkens
piggsceadd = varkenshok
pike = piek, lans; ON pike, pijke
piken =A piccan
pikken = pikken
pil = piel, pijl, pijler, pilaar, paal, hoop, stapel; ON pile; AU pilar = speer; ME pile = stapel
pilow = pilo = half linnen half katoenen stof; ON peluw; WA pilow
pilows = pilobroek; WA pilowske
pilowtaw = pilogetouw = weefstoel om pilo te maken; WA pilowgetouw
pinc = pink (# vinger)
pinc = pink = 1-jarige koe; ON pincke
pinca = punt
pinck = smalle zeilboot; ON pincke
Pincster (Penter, Singsene) = Pinksteren; KA Singsene; ON Singsene
pinan = pijnigen, straffen; ON pinen
pine = zn+bn pijn; ON paine, pine; WA pien; GR pain; DN pine; OE payne; EF [peen]; ME pain
pinlic = pijnlijk; ON pinelic; WA pienlik
pinn = pin, pen, gierigaard, vinnig persoon
pinn = smal en gepunt strook grond; ON pinne
pinn = bn smal, nauw, puntig
pinnig = pinnig, gierig, afgemeten, puntig
pinson = wimpel, vaantje; ON pinsoen
pinsor = pincet (# gereedschap); bestaat al 650vC > PgAng/LACA
pint (pyntel) = pint (inhoudsmaat) = 6dL; ON pinte > PgAng/Pint
pint = beker, glas, kan of pot van 6dL
pipan = ww pijpen, fluitspelen, doedelzakspelen, trompetten; WA piepen
pipe = pijp, buis, koker; ON+WA pipe, piep; GD pipe
pipe = pijp = vat voor wijn of olie; geen vaste maat; WAoud pipe
pipede = pip, vogelziekte; ON pipeide
piper (pipor) = peper (# kruid); ON piper; LA piper; ME pepper
piper (pipor) =* bn duur > PgAng/Peper
pipere = fluitspeler, doedelzakspeler, trompetter
pipor (piper) = peper (# kruid)
pir = pier, worm; ON pir
pirral = vuurvliegje; ON piralle
pirstecere = pierensteker = iemand die pieren (wormen) opgraaft met een stok waarna ze worden gebruikt om te vissen
pise = stuk, hoeveelheid, gewicht; ON pise
pise {mv pisas} = erwt (# peulvrucht)
Erwten worden al geteeld en gegeten sinds circa 1000vC. Sommigen menen al sinds 7000vC.
pise = stuk, deel of onderdeel (van iets); ON pise
pise = erwt (# gewas)
pisesopp = erwtensoep > PgAng/Gerechten
pisewaegh (waegh) = weegschaal
pissan = ww pissen, urineren
pisse (orine) = pis, urine; ON pisse
pistol = brief
pith =A pet
pitha =A pidha
Pithelo = Peelo, wijk in Assen. > PgAng/Peelo
pitte (put, putte) = put, groeve, kuil, poel, waterbak
placaet = placaat = munt van 1/2 stuiver; bericht van de overheid
plackan = plakken, plakken maken
placke = plak, plat vlak, plat gebied of veld
NB Plakkenweg/Heerde
placke =A placaet = munt van 1/2 stuiver; WAoud placke
plackery = plakkerij = bedrijf dat plakken maakt; o.a. turf
plaegan (raccan) = ww plagen
plaege = plaag, onheil, ramp; ON plaghe
plaesc = plas
plaese (pleats) = plaats, open ruimte, veld, plein; TW plaesse; ME place
plaet (pleat) = bn plat
plaet (pleat) = plaat
plaetfot = bn platgelopen, vlak; WA platfot
plaetfotwaeg = platgelopen weg
NB Platvoetsdijk/Beltrum, Platvoetsdijk/Borculo, Platvoetdijk/Deventer
plafan = plaveien; ON plaven
plafaisal (pavement) = plaveisel, bestrating
plagian =A plegan
plain (pley) = plein; ON plain
plait = pleit, pleidooi; ON pleite, plaite
plaita = pleite, weg, kwijt; AH pleite
plaitan = ww pleiten
plance (pleance) = plank; KA plance; ME plank
planta (plante) = plant
plantan = ww planten
plantan = zn planten
plante (planta) = plant
plaster = pleister = leemkalk
plasteran = pleisteren, stucaderen
plastere = stucadoor
plasterwerc = pleisterwerk, stucwerk
plat = plat, vlak
plat = plat, volkstaal; WA plat
platane = plataan (# boom); ON plataene
plate = plaat, plank, vlakte, pan, bord; AH plate; ON plate; ME plate
platin (trippa) = soort klomp
playderan = pleiten, pleidooi voeren, rechtszaak voeren; ON plaideren
playdere = pleiter
playt = platte vrachtboot; ON plait
plea (plega, pley) = WC; NV plee; KA plea; AVA pleagan = ww plegen
Tot in de 20e eeuw is een plee vaak een houten hut buiten op het erf.
pleac = plek; WA plak; PL plac
plead = voet; AH pladde
pleadan = op blote voeten lopen; AH pladdeken
pleag (sudda) = plag = afgestoken zode gras of heide; ON pleeg; WA plach
NB Pleegdijk in Lochem
pleagan = plaggen = plaggen maaien; AH plaggen; VW plakken
pleagan = plegen, gewoon zijn; WA plaghen
pleagast = gort, gepelde gerst; WA plegast
pleagbour = turfboer; WA plaggeboer
pleaghac = plaggehak = hak om turf te steken; WA plaggehakke
pleaghut = plaggehut = hut gebouwd van plaggen
pleagman = plaggesteker; ON plaggeman
pleagmawere = plaggemaaier; WA plaggemeier
pleagsta = plaggeveld; WA pleegste
NB De Pleegste en Pleegsterdijk bij Raalte aan de weg naar Holten.
pleagta = plaggeveld; WA pleegte
pleagth = gewoonte, in rechte
pleamp = grote hoeveelheid; AH plempe
pleancbrigge = plankenbrug = veenbrug gemaakt van ruwe planken
pleance (plance) = plank; KA plance; ON plancke; ZW planka; ME plank
plear = oppervlakte; WA pleer
plear = slag, klap
plear = uitgestrekt; AH plaer
plearan = slaan, smijten, schieten, gooien; TW pleren; AH plaern
plearan = neersmijten, wegsmijten; TW pleren
pleas = gelaat; AH plesse
pleasant = pleziering; AG pleasant
pleat (plaet) = bn plat
pleat (plaet) = plaat; PL/oud pleath
pleath = vouw, vlecht; ME plait
pleathan = ww vouwen, vlechten; ME plait
pleats (plaese) = plaats; KA plaese; TW plaesse; SL+LM pleats
pleatsce = kleine boerderdij; WA plaetske
pleatse = boerderij, hofstede; VW plaetse
pleatt = voorhoofd; WA plette
pleattan = ww pletten, plat maken
pleay = plein, vlakte
pleay = pleit, pleidooi; ON pley; ME plea
pleay = plaats waar gepleit en recht gesproken wordt; ON pley
NB Pley: Pley in 's-Gravenvoeren (BelgiŽ): plaats waar eertijds recht gesproken werd. (# appelwijn.be 21.10.2010)
pleay = strand, landhoek, uiterwaarde; ON pley
NB Pleyweg (N325) tussen Arnhem en Westervoort. De Pley, Hondsbroekse Pley en Kleine Pley in Westervoort: grote uiterwaarde langs de Rijn en Yssel.
pleay = plei, katrol; ON pley
pleayan = ww pleiten; ON pleyen; ME to plea
pleayhus = pleithuis = huis waar gepleit en recht gesproken wordt; ON pleyhus
NB Pleyhuse: oude familienaam in Twente.
pleche = vlecht
plechian = ww vlechten, verstrengelen, omheinen
plechta = vlechtwerk, omheining, afrastering; WA pleagte
pled = bagger; WA pledde
pledclun = baggerturf; WA pleddekluun
pleddan = ww pletten, baggeren; WA pledden
plega (pley) = daad, spel, toneel
plega (plea) = plee, wc; KA plea
plegan (plegian, plagian, pleyan) = plegen, spelen, acteren; ME play
plegian =A plegan
pleoh = risico, verantwoordelijkheid
NB pleuris = ellende
pleolic = gevaarlijk
pleor = pleuris, ellende, gevaar
pleoric = gevaarlijk
pley (plega) = daad, spel, toneel
pley >A plea (wc)
pleyan (plegan, plegian) = plegen, spelen, acteren
pleyhus = theater; ON pleyhus; OE playhouse
pliht [plait] = plicht, taak, dienstplicht; ON plecht, plicht; WA pleegt; ME plight, duty
pliht = zorg, verdriet, ellende, leed; ON plecht, plicht
pliht = plecht, voorsteven van schip
pliht = pleit, pleidooi, rechtszaak; ON plait
plihtan = verplichten
plihtan = ww pleiten; ON plaiten
plihtere = onderstuurman
ploatan = ww veren plukken; GD ploat
ploccian =A pluccian
plodd (fodd, lump) = vod, lomp; TW plodde
plodda = rommel, lompert; TW plodde
ploddan = ploeteren
ploddig = versleten, lomp
ploh (plow, eardh) = ploeg; KA plough; ON plough; GR+DR ploug; TW ploog; TWoud plach; ME plough
WAoud under de plach = bebouwd land
plohan (plowan, eardhan) = ww ploegen; KA ploughan; ON ploughen; GR+DR plougen; WA plogen; ME to plough
plohmakere = ploegenmaker; ON ploegmakere
plohmakery = ploegenmakerij
plohman (plowman) = ploeger
plohwinninge = landbouwbedrijf; ON ploechwinninghe
plonc = bot, stomp, afgesleten; ON plonc
plonc = bocht, slecht spul
ploncan = ww afstompen, stomp/afgesleten worden; ON plonken
ploncig = waardeloos, slecht
plonderan = verwarren, rommelen; AH plondern
plough (ploh, plow, eardh) = ploeg; KA plough; ON plough; GR+DR ploug; TW ploog; TWoud plach; ME plough
WAoud under de plach = bebouwd land
ploughan (plohan, plowan, eardhan) = ww ploegen; KA ploughan; ON ploughen; GR+DR plougen; WA plogen; ME to plough
plow (ploh) = ploeg; KA plow; AH ploog; ME plow
plowman (plohman) = ploeger; KA plowman
plowan (plohan) = ww ploegen; KA plowan
pluccar = plukker
pluccian (ploccian) = plukken; ON plucken, plocken; WA plokken
pluccere = plukker (# ambacht); NB hoypluccere
plufere = pluvier (# vogel); ON pluviere, plovier
pluman = plukken, plunderen
plume = veer, schrijfpen
plume (prume) = pruim (# vrucht); KA prume; AH proeme; WA pruum, proem
plumere = verenplukker; ON+AH plumer
plump = plomp = poel, vijver, gracht; WA plump
plumpan = ww plompen = in water duwen of vallen; TW plumpen
plundaran = ww plunderen
plunsan = plonzen, in water vallen; TW plunsen
plunse = zn plons; TW pluns
pluran = ww smijten
plurc = plurk = boef, schurk, onbehouwen vent; WA plork
pluse (flufe) = zn pluis
pocc = pok, puist
poccere = lijder aan pokken
pod (pad, pat, paet) = dop, peul, cocon, fuik, troep, afval, smeerboel, mest; KA pod; ON podde; VW podde; WA podde, padde, patte
podder = poeder, vuilnis, buskruit; ME powder
podderig = vies, smerig; WA podderig
poddersticc = geweer
podding = pudding; GD pudden
podel (puddel) = smerige poel, moddergat
pog (peg) = houten pen in gebinte; WA pog, peg
poggan = pochen, groot doen, opscheppen
pogbenc = pogbank = houten bank waarop varkens worden geslacht
pogbylt = varkensbult, varkensweide; WA poggebult
pogfeld = varkensveld
poggan = ww poggen, opscheppen
poggard = opschepper; WA poggert
pogge (pigge, pegge, etc) = varken, wild zwijn; WA pog; EF pog
pogge (pigge, bigge) = bn groot
poghe = buidel, zak
pokan (prodan, porgan) = ww poken, steken, prikken
poke = pook, dolk
pol (pyll, pull) = pol, poel, rivier; AH polle = pol, pul; WA pol; ME pool [pou:l]
poldre (polre) = polder
poley = polei (# mint, kruid)
polfar (podder) = poeder, kruit; WA pulver
poll = paal, grenspaal, hoogte, heuvel; AH paol = paal; VW poll, pol
poll = pluk gras; AH polle
poll (dufepoll) = rond eiland met een duiventoren erop; AH poll
polre (poldre) = polder
polredic = polderdijk; WA polderdiek
polrehus = polderhuid
polreland = polderland
polrewaeter = polderwater
pols = ?; NB Pols (famnaam), Polsvoort (Lochem), Polsbeek (Twente/Berkelland), Poelsbroek (DeBilt/Utrecht)
ponc = vuistslag, dreun
ponc = spaarpot; NV ponk
ponc >A pong
poncan (boncan) = ww stevig slaan met vuist
pong (pongel) = zak, buidel, tas, bos aren; DR pong; WA pungel
pong (panc, ponc) =* plas, kolk, poel, moeras
NB AL bonc = dearre, dearg = bonk, modder, moeras; DR bonk; >A bonc
-- Pankhurst = Engelse familienaam; vrij zeker genoemd naar een locatie met die naam
-- Pankeren = oude naam Spankeren; de regio is heuvelig en drassig; > PgAng/Spankeren
-- Pongeweg Hall/ZO Veluwe
-- Pongbourne/Reading in Engeland; de regio ligt vlak aan de Theems
pongart = pongert, pikhaak
pongel (pong) = zakje, geldzakje; DR pongel
pongere = ponger, pikanier (# soldaat)
pons = punch; DR+TW pons
popaeg (papoeg, macopin) = papaver; ME poppy
poppe =A poppel
poppel (poppe, peappel) = peppel, populier; ON poppe, poppele
porc = klein dier; AH pork = ventje; WA pork
porciser = pook; AH porkiezer
porcspin = stekelvarken; ON porkespijn
porgan (prodan, pocan) = boren, poken; WA porgen
porr = por, duw, trek
porran = ww porren, duwen, trekken, opkloppen
porride = prei; ON porreide
porrige (pappe) = pap (# voedsel)
porsa = gagelstruik; WAoud porsse
porslin = porcelein
portu = haven
porwaegn = wagenduwer; ON porrewaghen
pos = paal, gagel; KA pos; WA pos, posse
NB Janszienen pos: veldnaam in Harreveld/Achterhoek
NB Posseweg in Tubbergen*.
pos = puist, bult; AH poes
posa (pusa) = buidel
posse =A pos (gagel, paal)
possidan = bezitten; WAoud possiden
post = post
post = plank over sloot, paal; VW post
post = grenspaal
posta (imposta) = belasting; WAoud poste
postel = apostel; ON postel
postrig = onverzorgd; AH postereg
pot = pot, kan, spaarpot, urn
pot = poot (# planten)
pot =A pote
pot > PgAng/Pot
potan = ww poten, planten
potbrinc = stuk grond waarop stekjes gepoot worden; WA potbrink
potbrinc = pootbrink = grond waarop poten (stekken) van werfhout of eiken telgen worden uitgezet. Werfhout wordt gebruikt voor vlechten van manden.
NB Pootbrink in Noord Empe (Voorst/Gld)
pote (pot) = poot = jonge aanplant van bomen
pote (pot) = poot, klauw (# lichaam); ON pote
potere = boomkweker
potery = boomkwekerij; VW poterie
potgeard = pootgaarde = veld voor pootgoed; ON poetaert
potgut = pootgoed (# planten)
pothave = perceel land met jonge aanplant; WAoud pothof
pothool = afvoerput
pothus = pothuis = hut aan een huis, half in de grond
pothus = bierhuis
potian (putian, pytan, pottan) = ww poten, plaatsen, leggen, zetten, stellen; KA pytan; ME put
potic = potig, krachtig, sterk; ON potyk
potlote = looderts, potlood, penis; ON potloot
pots = poets, klucht, grap; ON pots; TW potse
potsemakere = potsenmaker = soort rondreizend grappenmaker
potsere = grappenmaker, grapjas
potsig = grappig
potsteall = potstal = stal met dikke mestlaag, ontstaan door oppotten van de mest in de winter
pott = pot, vat, kan; VWoud poth
pott (puntere) = pot = # punter = smalle platbodem gebruikt op smalle waters, voortgeduwd met lange stok
pottan = ww potten, oppotten, sparen
pottan (potian) = ww poten, planten
pottere (pottmakere) = pottebakker
pottery (pottmakery) = pottebakkerij; ON potterie, pottery
pottetan = eenpansgerecht; ON poteten
potthoc (fyrhoc) = pothaak = haak om pot of ketel boven vuur te hangen
pottmakere (pottere) = pottenmaker; ON potmacere
pottmakery (pottery) = pottenmakery; ON potterie
pottman = schipper; >A pott (punter)
potwede = pootveld = veld waarop planten worden gepoot
NB Pootweide in Voorst/Gld
pou (poup) = poep
poup (pou) = poep; KA poup; ME poop
poup = pop, marskramer; WA poep
poupan (dreatan, drytan) = ww poepen
poupcott = poepkot, poepkeet; staat vroeger op het achtererf
poupdecc = poepdek (# schepen)
pouphus (boghus) = poephuis, wc; EF pouphus
pour = scheut, guts, hoos
pouran = ww poeren (van vissen), stropen (van wild)
pouran = ww roeren, schenken
povre = pover, arm, armoedig
pow (pea) = pouw (poot van dier); KA pow; ON pau
prad (prod) = prat, trots; KA prod; NV fier, ijdel, trots; ME proud
praecan = preken, oreren; AH praekn
praem = eigenwijs; AH prame
praest = kleine knuppel met harde kop; ME priest
praest (preost, proyst, prist, prister, prestere, priestman) = priester; KA prister; ON preust, pruyst, prister, preester, priester; VW praest; WA preester, praester; ME priest
praet = weide, weiland, grasland; ON praet, preet
NB Praets bij Malburgen/Arnhem
praetan (pratan, preotan) = praten; KA praetan; WA proaten; SW praoten
praetbul = kletskous; AH praekebreur; WA praotbuul
praete (prate) = praatje, gesprek, taal; WA proate
praetendiran = pretenderen, beweren; WAoud praetendieren
praetere (preotere) = controleur, veldwachter, boswachter, opzichter; KA preatere; ON praetere; WA preuter
praetery = controledienst, boswachterij, etc
praethus = praathuis, kroeg, cafť; WA proathoes
praett = list
praettig = prachtig, aardig; ME pretty
prat (prad, prod, prut) = prat, trots; KA prod; ME proud
pratan =A praetan
prate =A praete
prathus =A praethus
prawlan = pruilen, mopperen, tegenstribbelen
prawle = pruilerig, mopperig, kribbig, korzelig; WA prawwel
preat (praet, preyt) = grasland, weide; KA preat; ON praet, preet
preian = bidden, vragen, smeken, aanroepen; ON praaien
prencan = pronken; ON
prence = prins, vorst, voorman; ON prence
preofest =A preost; WAoud provest
preofesty = proosdij; WAoud provestie, pravestie
preon = priem
preos = moedig, dapper, trots; ON preus, proys, prues
preos = preuts, ingetogen, braaf, zedig; ON preus, proys, prues; WA preus
preost (proyst, presta, prestere, praest, prist, prister) = proost (kerkambt), priester; KA preost; ON preust, pruyst, prister, preester, priester; WA preester
preostdom = het priesterdom = de wereld van de priesters
preostere (preost, praest) = priester; KA priester; ON preuster
preosteric = lief, aardig kind; WA preusterik
preostman = priester
preotan = praten; TW preuten
preotere =A praetere
presta = priester
prestere = priester; ON priestre, preestre, preuster; OE prester > PgAng/T1385
preyt >A preat (grasland)
prica = punt
priccan = ww prikken
pricel = scherpe punt
priestman =A prister (priester)
prime (primtid) = vroege ochtend van 6-9 uur; ON priem, prime
primtid =A prime; ON primetijt
prisan = prijzen, waarderen, loven; TW priezen
prise = prijs; ON prise; WA pries
prisig = prijzig, duur; WA priezig
prist =A prister
prister (praest, preost, proyst, prist, prister, prestere, priestman) = priester; KA preost; ON prister, preester, preust, pruyst, prister, preester, priester; VW praest; WA preester, praester; ME priest
prisune = gevangenis; WA prisuun; ME prison
procer = betweter; AH prokereur
prod (prad) = trots; KA prod; ME proud
prod = prut
prod = bn slecht
prodan = ww prikken, porren, poken, steken; TWoud proden
prode (proke) = pin, pen, staak, stok, pook; TWoud prood
NB Deldenerbroek: Proodsweg = weg met staken of stokken
prodig = verkwistend, bluffend, pralerig
prodigan = verkwisten, bluffen, pralen
prodinge = verkwisting, bluf, praal
prokan =A prodan
proke =A prode
prollan = rondzwerven, rondhangen, spioneren, inbreken, stelen
prollere = insluiper, inbreker, dief
prond = buit
prondan = buit maken; ON pronden
pronn = mopperaar; AH prŲnne
pronnan = mopperen; AH prŲnn
prott = rommel; AH prŲttel
prottan = praten, mopperen; AH prŲtteln = mopperen; WA proaten = praten
prouf = prop, kwak; AH profn
proufan = ww proppen, kwakken
provise = proviant
prow = prauw (# boot); ML prahu
proy = prooi; ON proye, proie
proyan = ww stropen, jagen; ON proyen, proien
proyere = stroper, jager
proys =A preos
proyst (preost) = priester; ON pruyst
prud (prat, prad) = prat, trots
prumblan = mompelen, murmelen, onduidelijk spreken; WA prummelen
prume (plume) = pruim (# vrucht); KA prume; WA pruum, proem
prut =A prat
prysel = laag stro; AH preisel
pryto (prytu) = trots; ME pride
puclan = zwoegen, hard werken; AH pokkeln
pucle = pukkel, bult, hoge rug; AH pokkel
pud (pade) = pad, kikker, kikvors; ON pude, puut
pudd (put) = sloot, greppel
puddel (podel) = smerige poel, moddergat
pudding = pudding, ingewanden, worst
puddlan = poedelen, spartelen (in water)
puer = puur; WAoud puyr
puerlic = puur; WAoud puyrlyck
puf = zn puf
puffan = ww puffen
pukan =A pokan
pull = pul = beker, vat, vaas; NV pul; DR pulle = melkbus
pull =A pyll
pulle = pul = jong eendje of gansje
pullian = slepen, trekken, rukken, scheuren; ME pull
pullman = sleper, vervoerder, transporter
pump = pomp; WA pump
pumpan = ww pompen; WA pumpen
pund = pond; ME pound, Pound
punder = lange winterjas; AH punder
punderan = gewicht schatten; AH pundern
pungle = reserve, bewaarde hoeveelheid; AH pungel
punt = punt = platte boot met rechte voor- en achterkant, voortgeduwd met boom (lange stok); ME punt; #BBC4tv 15.4.2015
puntan = ww punteren = varen met een punter; ME punting
puntere (pot) = punter = platte boot met puntige boeg en steven, gebruikt in ondiep water mbv een lange stok waarmee de boot wordt voort geduwd; ME punter
purs = beurs, portemonee
pursere = administrateur op schip
purstan = poersteen = stenen voetstuk van stutbalk van huis
pusa =A posa
puse = poes; EF [pus]
pust = puist
pustrig = opgeblazen gevoel; AH pustereg
put (pytt) = put, plas, meer; KA put
put (putte, pitte) = put, groeve, kuil, poel, waterbak; KA put
putcupe = kuip, tobbe; ON putkupe
pute = puit, opgezwollen dier
Putham = Putten/Veluwe; ON Puthem
puthoc = puthaak; ON puthake
putian =A potian
puttan = ww putten, scheppen, inkuilen
putte (put, pitte) = put, groeve, kuil, poel, waterbak
pyle =A pylu
pyll (pol, pull) = poel, vijver, rivier
NB Blackpool is afgeleid van Anglisch pull = pyll = pol, wat aldaar een rivier is in een moerasgebied. Deze situatie doet zich ook voor in de locatie Bleckenpoel aan de Slinge te Winterswijk. > PgAng (Bleckenpoel)
pylu = peluw, kussen
pyntel (pint) =A pint (inhoudsmaat)
pyntel = penis; WA pinzel
pyrcrod = knopenkruid; WA pierekroed
pytemaent = september
pytan =A potian
pytt (put) = put; ME pit
 
q::
quab = kwab = homp vet
quabbe = kikvors, moeras
NB Quabbenburgerweg in Nijbroek/Twello
quack = kwak = bn slap; zn sukkel, palmwijn
quaerne = handmolen; ON quaerne
quaet = bn slecht, ondeugdelijk; TWoud quaet
quaet = slechtheid, ellende
quala = kwartel (# vogel)
quart = kwart = 1/4 deel; WAoud quart
quartear = kwartier; WAoud quartier
quec =A quic
quearn (cweorn) = kweern = handmolen voor malen van graan; KA quearn; ON queerne; ME quern
quearn >A cweorn (kweern = handmolen)
quene =A cwen, cwene (oude vrouw); ZW kvinna [kwiena] = vrouw
questy = kwestie; WAoud questie
questyous = kwestieus, onzeker; WAoud questieus
quic = rap, vlug, levendig
quic = dier, beest, vee
quyt = vrij, onbelemmerd; WAoud quydt
quytan = vrijstellen; WAoud quyten
 
r::
ra (raw, etc) = rauw, ruig, ruw > raw
ra = raar, eigenaardig, duizelig; AH ra
ra =A rade (ontginning)
ra = ra, re, stang, lat, roede, mast; ON ra, re
ra {mv rana} = ree (# dier); ME roe
raa >A rea, roo
raa (raw) = rij; GD ra
rabattan = ww verminderen; ON rabateren
rabatte = geul, herrie, korting; ON rabat
rabba = landloper, zwerver
rabban = ww landlopen, zwerver
rabblan = ww rebbelen, kletsen, wartaal spreken; DR rabbeln
rabblan = ww rammelen; DR rabbeln
rac = strook drasland langs een water; ON rack
NB Langerak! Locatie aan de Oude Yssel tussen Keppel en Drempt in de Achterhoek.
raca = raak, reek (# hooivork); TW riek; ME rake
racca = rak = touw voor scheepsmast
racca = rakker, speurhond
raccan (plaegan) = ww plagen
race = kuil, vuurkuil; WA rake
racente = keten, boei
racenteag = ketting, keten
racian = raken, komen tot, besturen, reiken
racin = wortel, geneeskrachtig kruid; ON racine
racu = hark
rad = aanval, plundering; ME raid
rad (rodda, rot, rode) = weg, straat, buurt, wijk; KA rode; TW/Holten rodde; AH+GS rot; LM roed, rood; VWoud rood; NHoud rood; ME road = weg >A rood
radan (rodan) = rooien, ontginnen
rade (rodde, rot, rode, etc) = straat, weg
rade (ra, rha, re, hrydhing, roda) = rode = ontginning, gerooide plek, ontgonnen land
NB > PgAng/Mulra
radeland (radland, rodaland, ra, rha, rade) = gerooid land, ontgonnen land, ontginning; KA rodaland; ON rodelant
radhus = raadhuis
radian = aanvallen, plunderen
rae = ra, stok, mast
rae (raer) = raar, zeldzaam; KA raer; TW raa; NV raar; ME rare
rae* (rea*, roo) = bn rood
raec = rek, asgat in haard, leemgat (om leem te malen); TW raake
raecan = ww reiken; ME reach
raecean =A raecan
raed (weol) = rad, wiel, wagenwiel; NV rad
raed (hraeda) = raad, stadsraad, raadgever, adviseur, overleg, vergadering; KA raeda; ON raet
raeda =A raed (raad, etc)
raedan {raed, reord, reord} (readan) = raden, vergaderen, besluiten, lezen, voorspellen; KA readan; AH raon; ME to read
raedan = haasten, spoeden
raedbora = raadgever, adviseur
raedboran = adviseren
raede (geraede) = gereed
raedel = raadsel; ME riddle
raedhus = raadhuis, stadhuis
raeding (hraeding) = haast, gehaast; KA raeding
raedlic (hraedlic) = snel, vlug; KA raedlic
raedmakere = radmaker (raed = rad, wiel)
raedmakery = radmakerij
raedman (readman) = raadsman, adviseur, raadslid; ON raedsman
raedsels = raadsels
raedstaec = radstaak (martelwerktuig); ON radstake
NB Locatie De Radstake aan de A18 bij Varsseveld
raefe = balk, plank; ON rave
raefe (rafe, raefn) = raaf (# vogel); KA raefe
raeflan = ww rafelen
raefle = rafel, afgescheurde strook
raeflig = rafelig
raefn (rafe, raefe) = raaf (# vogel); KA raefe
raefsan = berispen
raefter (bartel, tengel) = houtschroot, brandhout
raefter = raster = gevlochten hekwerk
raegan = reiken, uitsteken
raegel (raegl) = kleed, gewaad; KA raegel
raegl (hraegl) =A raegel
raemakere = ramaker, mastenmaker
raemakery = ramakerij, mastenmakerij
raem (mv raems) = raam; ON raem, rame; TW raam
raems = ramen; TW raams
raen = rand; TW/Ryssen raene
raep (naep, ryfe, rube) = raap, knol, knolraap (# gewas); ME rape
raep = raap (# koolzaad); ME rape
raepan = ww rapen, pakken, verzamelen; ON rapen
raepan = ww ontnemen, plunderen; ON rapen
raepcouc = raapkoek = afvalproduct van oliemolen. Bevat veel vitamines en mineralen. Wordt o.a. gebruikt als veevoer
raepoyl = raapolie = olie gemaakt uit raapzaad
raepsaed = raapzaad; VWoud raepsaet
raepstic = raapveld, knollenveld
raer (rear, butanof) = achter, buitenaf; WAoud reer
raer (rear) = vz achteraf, afgelegen; WAoud reer
raer (ra) = bn raar, vreemd, zeldzaam, achter; KA raer; NV bizonder, ongewoon, zeldazaam; ME rare
raer = achterkant, achterhoede
raeran (araeran, rearan) = bouwen, oprichten, heffen
raeran (araeran, rearan) = kweken, fokken, maken, produceren
raeran = schreeuwen, gillen; AH raern
raesan = razen, tieren; AH raozn
Raessia = Rusland
raest (hyrst) = rust
raestan (hyrstan) = ww rusten; KA raestan; ME rest
raestig = rustig
raet = rat (# knaagdier); AH rotte; ME rat
rafe = balk, plank; ON rave
rafe (hraefn) = raaf (# kraaiachtige vogel)
rafel (reafal, rawel) = ravel, lange smalle strook
rafelan = ravelen, in smalle stroken scheuren; ME ravel
rafeld = reeveld = veld waar veel reeŽn grazen
rafescot = stuk land waar raven nestelen; ON ravenscoet
rag = rag, spinneweb
ragbal = ragebol
raghan = reinigen, schoonmaken; ON raghen
ragra = reiger
ragu = rag, mos (# plant)
raha = ree (# dier); ME roe
raha (rha) =* droge plek, hoogte, vluchtheuvel > PgAng/Rha
raile = raile = geneeskundige plant
raisin {mv raisins} = rozijn; WAoud resine
rake = hark; ME rake
rall = ral (# moerasvogel), meerkoet, waterhoen; ON ralle
ram = ram (mnl schaap), stormram; ME ram
rames (remis, remmes) = bn gebogen; ON ram, raem; > PgAng/Raams
rames = bocht; ON ram, raem
ramesnosu = gebogen neus; GR ramsnus
ramm =A ram
ramman = ww rammen; ME to ram
ran (regn, ren = regen) >A ren
ran (rhan, wael) = walvis; KA wael
rana {ev ra} = zn reŽen
ranan = rennen, lopen, rijden; ME run
ranboda = renbode, ijlbode
ranc = hoogmoedig, ijdel
rand = rand, schild
ranfeall = regenval
ranhors = renpaard
rap (reap) = reep, touw; ME rope
rap = rap, vlug, snel; AH rap
rapan = ww rapen
rape (raepsaed) = raapzaad (# koolzaad)
raphed = rapheid, vlugheid, snelheid; WA rappigheed
rapig =A rap
rapignis = rapheid, vlugheid, snelheid
raple = reppel = paal
ras >A risan
rascal = raaskal, schreeuwert
rascallan = raaskallen, schreeuwen, tieren, schelden
raspal = rapaille, troep, bende, schurk; ON raspalge
raspan = ww raspen
raspberie (acreberie) = framboos (# vrucht)
rathe (hrathe) = snel; KA rathe; NB NL rete snel
ratian = vallen, wankelen, haasten; NB NL rete snel
raw (raa) = zn rij; GD raa; ME row
raw (reaw, hreaw) = bn rauw; KA raw; ON rau; ME raw
raw (ra, row, roug, ruh) = bn ruig, ruw; KA roug; DR roeg; ME rough
rawbully = ruzie; AH rauwbullie
rawel (rafel, reafal) = ravel, lange smalle strook; KA rafel; AH rauwel
NB Rauwelderveld/Zelhem; AL der = heer > veld bij de ravel van de heer
raye = raai = soort voedergras; LM raey
rayll = raille = crassula (Lat.) = medicinaal kruid; ON raille
re =A rade, roda; zt -re
-re = -er; VB AL leofre = liever
rea = ree, rede, kade = ligplaats voor schepen
rea = spriet, grenssteen, kade; ON ree; VWoud rea
rea* (raa*, roo) = bn rood
reabbal = rebbel, mond
reablan = rebbelen, kletsen; AH rebbeln
reac = perzikblad (# onkruid); WA reek
reac = reuk, geur
reac (hreac, rec) = rook; ME reek
reac (hreac, rec) = rek, hoostapel
reac (reoc) = rook, geur
reacan = reiken; AH reekn
reacan (reocan) = roken, ruiken, geuren; TW rieken
reacoyl = reukolie, parfum
read (red, raed, geraed) = gereed
read (red, rudd) = rood; EZ rot
read (red, rudd) = rood zand
read (red) =A roda (gerooid land)
read (red) = rede, redevoering; KA read >A lycred
read leap = rode loop (dysenterie)
readman =A raedman
reaf = officier
reaf = vlakte
NB De Reeven in Azewijn is een groot plat grasland.
reaf = zandvlakte; WA reve
reaf = inkomen; WA rieve
reafa = sherif, baljuw; OA gereafa
ON bajuw = baljuw = rechter, ambtenaar die in een bepaald gebied namens de landsheer recht spreekt
reafal = reifel = draad van een boon; VW reifel
reafal >A rafel
reafalan = reifelen = bonen van hun reifel ontdoen; VW reifelen
reafan = reven = glad strijken, effen maken, harken
reafar (gerefa) = rever, ordebewaker, rechter
Reafhus = Reefhuis = het huis bij de zandvlakte (FRI)
NB1 Reefhuisweg in Egede (Hellendoorn) en in Neede.
NB2 De Stille Reef (huis), Reefweg en erven Grote en Kleine Reeven in buitengebied Azewijn (Montferland). > PgAng Azewijn
reafel (laedder) = ladder; DR refel
reafian = roven
reafiar = rover
reag = recht, helemaal; AH rech
reagfort = tegenwoordig; AH rechtevoort
reaghar = reiger (# vogel); ON regher
reahaga = grenshaag = haag aan de grens; ON reehagen
reahte >A reccan
real = royaal, prachtig, weelderig, mild, edel
realme = overvloed, paradijs, rijk, koninkrijk
ream = room, volle melk
ream = smalle strook bewerkt of geploegd land; VW riem
ream (reoma, rim) = riem, gordel, band, rand; KA ream; DR+AH reem; ME rim
reammakere = riemenmaker, riemensnijder; ON riemeslaghere
reammakery = riemenmakerij
rean [reen] (regan, regn, ren, ran) = regen; KA rean; ON reen; AF reŽn; TW reen, reagn, regn; ME rain [reen] > PgAng/Ranstrup
reap (rap) = touw; TW riep
reapan (ripan) = vastbinden, oogsten, maaien
reapan = neuken, verkrachten; DR repen
reapere (ripere) = maaier, oogster
reaphoc (riphoc) = sikkel
reappel = paal in stal om koeien vast te binden; WA reppel
reappel = repel = plank met 15-25 ijzeren tanden om zaden van vlas te trekken; TW reppel
reapplan = klimmen, klauteren; AH reppeln
reapplan = repelen = zaad van vlas scheiden met een repel
reapple = standje, uitbrander; AH rappelement
rear (raer) = vz achter; TW reer
rear (raer) = bn achteraf, afgelegen; TW reer
rear = achterland, afgelegen land; TW reer
rearfeld (butafeld) = achterveld, achteraf gelegen veld
rearan (raeran, araeran) = ww werken, produceren, kweken, fokken
rearan = loeien, brullen, schreewen; TW reern
rease = veldtocht; ON reese
reaspan (hrespan) = ww rukken, plukken, rapen, bijeen schrapen; KA reaspan
reaspe = omheining, hindernis; DR rasp = rasp, rief
reaspere = plukker, raper, schraper; o.a. ivm hout en bos
NB Respersweg in De Wijk (ZW Drente).
reaspere = hoge en zware hindernis; ME rasper
reat (hreod) = riet, rietveld, rietland; KA reat; WA reet; ME reed
reat = weefkam; ME reed
reata = rete, erg, erg veel; VB rete snel; GD reet
reatbour (reatman) = rietboer = boer die riet oogst en verkoopt
reatcoman =A reatcopere
reatcopere = rietkoopman = handelaar die riet opkoopt en verkoopt
reatcopery = riethandel
reatdic = rietdijk
reatfince = rietvink, karekiet (# moerasvogel)
reatland (reatte) = rietland
reatman =A reatbour
reatta = rietveld, rietland; WA riete, reete
reattel = ratel, rammelaar
reattelan = ww ratelen, lang en snel praten
reatthaecere = rietdekker
reatthaecery = rietdekkerij; WA rietdekkerie
reava =A refa
reavan >A refan
reaw (ra, raw) = bn rouw, ruig
rec (hreac, reac, smoca) = rook
rec = rek; ON rec; ME rack [rek]
rec (hreac, reac, rieth) = rek, hooistapel; VW rikke
rec (hreac, reac) = pijnbank
reccan = vertellen
reccan = zorgen
reccean = rekken, strekken, geven, verhalen
recceleas = roekeloos
recednes = vertelling, verhaal
recenian (ariman, rekanan) = rekenen, berekenen, ramen; AH reknn
Reccla (Regda) =* Regge > PgAng/Regge
recfeld = rookveld = veld waar vis, vlees e.d. wordt gerookt
recgeat = rookgat, schoorsteen
red = aantal
red = bn recht; TW redde
red =A read
red (read) = bn+bw gereed
red (read, roda) = rode = gerooid land = stuk land gereed voor bebouwing
red = rode = ontgonnen gebied
red = rode = 80 Ha (landmaat)
red (read) = rede, redevoering >A lycred
reddan = ww redden, opruimen, schonen, opschonen, organiseren, settelen, samenstellen; ME redd
Redese {1347 AD} = Rheeze bij Hardenberg
redga = gerecht (# rechtspraak)
redgar (redgaer) = rode puntmuts
AVA red (read) + gar (puntmuts). Dus: rode puntmuts. Kennelijk 't attribuut van een rechter.
redgar (reafar, rihter, deman) = rechter; KA redgar; GR redger
Redinchem {c 1450 AD} = Renkum/Veluwe
Oorspronklijk Readingham. > PgAng/Renkum
redmayne = rode band, bond, broederschap, verbond > PgAng/X-Kruis
redmayne = symbool: rood X-kruis op wit veld > PgAng/Redmayne
redwaeg = redeweg = kortse weg naar grafveld; WA reeweg
reevan = ww reven, glad strijken, besturen, toezien
reeve = bestuurder, opzichter, toezichthouder; WAoud reeve
NB Reevedijk in Harfsen.
refa (reeve) = bestuurder, opzichter >A gerefa
refa = vrede
refa = rijf, hark; ON rive; DR rieve
refa = reef, reve = vlak land, veld
refa = reef, reve = smalle strook land, streep, snede, groef
refa = reef = strook akkerland; VW reef
refa = smal, vlak
refa = mild, ruim, royaal, overvloedig; ON rive
refal = mond, kolk; GR revel; TW rewwel
refal = revel = vlak open land; WA revel; > PgAng/Revel
Refal = Reval = vlak open kuststrook in Estland > PgAng/Reval
refalan = ww revelen = bazelen, raaskallen
refan = ww reven = effenen, glad maken, tot orde brengen, tot rust brengen
refan = ww reven = kletsen, zwetsen, raaskallen; ON reeven; DR reveln
refan = ww harken, glad maken (vegen, strijken) met een refa (rijf); GR rieven
refan = tot vrede brengen, rechtspreken
refar = veger, strijker, gladmaker met de rive (rijf); GR riever
refar = vredestichter, rechter
refe = reve, groef, vore, snede, streep
regan (regen, regn, ren = regen) >A ren
Regda {LT: veel regen} (Reccla) =* Regge > PgAng/Regge
regen (regan) = regen, bui
regeth = nieuw gewonnen land; ON reget
regn =A regan
regnian (ren, etc) = regenen; KA ren; DN regne [raine] = regenen, rekenen
regolan = regelen
regolad = geregeld
rehte = fel, wreed
reith (hreac, rec) = rek
rekanan (recenian, ariman) = rekenen, berekenen; AH reknn
rekanscip = rekenschap; WAoud rekenschap
up rekanscip = ter nadere afrekening; TWoud up rekenschap
reke = reek, riek, hooivork, mestvork, hark; ON rieke; TW riek
rekian = ww reken, harken
rekning = rekening; ON rekeninghe; TW rekning
remis =A rames
remittan = teruggeven; TWoud remitteren
remman = ww remmen
remmes =A rames
ren =A regn; WA rein
renboge = regenboog; ON reghenboge
renbrec = erfbreuk = ongeoorloofde erfbetreding; ON reinbrec
rendan = ww scheuren, rukken
rendreap = regendrup, regendruppel
renian = ww ruiken
rent = huur
rentan = huren
reoc (reac) = rook, geur
reocan (reacan) = roken, ruiken; TW roeken
reod (reat) = riet; TW reet; GR rait; ME reed
reod (rood*) = rood >A rood
reodan = rood kleuren
reodan = versieren
reof = ruif
reof = knol; TW reuve
reoma (ream, rim) = riem, gordel, band, rand; KA ream; DR reem; ME rim
reop = ruif, krib, voederbak; TW+AH reupe
reopan = afstropen, aftrekken; TW reupen; AH reupm
reoran (roran) = roeren, bewegen, laten horen, uiten; KA roran; TW reuren; AH reurn
reord (gereord) = taal; KA reord >A raedan
reorge = ruÔne
reoring = reuring, beweging, roersel, emotie, uiting, uitdrukking; TW+AH reuring
reosan (hreosan) = rijsen, opstaan; KA reosan
reostar = druilerig; AH ruustereg
reota = kuil om vlas in te rotten; TW reute
reotan = ww rotten; TW reuten; AH rotn = stinken; ME rot
reow = rouw
reowan (hreowan) = ww rouwen; KA reowan
reowe = deken, kleed
requiran = verzoeken; TWoud requireren
rer (rear) = zelden, zeldzaam
reran (reoran, roran) = ww roeren; KA roran; ME stirr
rese (ryse, hris) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; TW rese, reise
rijshout = takken van taai hout, i.b. wilgen
residan = wonen; WAoud resideren
resortan = resorteren; WAoud resorteren
respondan = responderen, antwoorden; TWoud respondiren
Resta = Reest (rivier in Overijssel) > PgAng/Resta
resuma = samenvatting; TWoud resumptie
resuman = resumeren, samenvatten; TWoud resumiren
Reurle = Ruurlo
rewa = reeuwe = doodslucht
rewan = reeuwen = afleggen van een lijk
rewe = bw rijkelijk, overvloedig, spilziek, verkwistend; TW riewe
rey = sloot, greppel; NV rei
rey = rei, reidans, danslied; ON rei
rey = strijdgewoel; ON rei
rha >A ra, raa
rha =A rade (ontginning)
rha =* droge plek, hoogte >A rana
rhan =A ran (walvis)
rhieman (hrieman) = schreeuwen, uitschreeuwen; KA rhieman
rhither (hrither) = ossekop
ribb = rib (# lichaam); ON ribbe
ric = recht, kort; AH rich
ric = weiland, weide; AH rik, rikke
ric (ricghe) =A ricghe
ric =A rice
-ric = machtig, krachtig
ricdaeg = rijksdag
ricdom = rijkdom, macht; TW riekdom
rice = rijk, machtig, belangrijk; ON rike; WA riek; SW riek
rice {mv rices} (rike) = rijk, koninkrijk, land, gebied, macht
feng to rike = kwam aan de macht
ricetere = macht, arrogantie
ricgeard (bartun) = gerstakker; ME rickyeard
ricghe (rycg, ric) = rug, bergrug; KA ricghe; ON ricghe; ME ridge
richofe = aanzienlijk landgoed; TWoud rikhof
rick =A rice
ricman = rijkaard, aanzienlijk persoon; ON riceman
ricsian = regeren
ricsodon = regeren
rict = recht, juist
ricthig = juist; AH richteg
rictmael = feestmaal na leggen van dakspanten; AH richtmaol
ridan (rydan) = rijden, paard rijden; TW rieden; ME to ride
ridh = rijt, stroom, beek; ON ride = beek, greppel; VWoud ridt
ridh = doorgang, pad; AH rit
ridhere = ridder; ON riddere
ridhergamen = ridderspelen
ridhergudh = riddergoed
ridherhus = kasteel; ON ridderhus
ridherscip = ridderschap; ON ridderscap
rif = rif, buik; ON href = onderbuik
rif = fors, flink, fel
rifan = maaien, oogsten
rifel (rifod) = rimpel
rifelan = rimpelen, verschrompelen; ME rivel
rifele =A rifelan
rifelede (gerifod) = gerimpeld
rifere = maaier, oogster
rifod (rifel) = rimpel
riftere = oogster
rig (rugg) = rug; ZL rik; ON rig; ZW rygg [ruug]
rig = rij; AH riege
rigan = in de rij staan; AH riegn
rigban (bacban) = ruggegraad; ON rigbeen
righer = reiger (# vogel); ON regher; TW rigger, rieger
riht [rait] = zn recht; bw goed, ok; ON reht, regt; ZW rat [ret]; GD reet; ME right
riht [rait] = rechts, juist
riht (hot) = rechts
rihtan = richten, rechtzetten, berechten
-rihte = -waards; VB eastrihte = oostwaards
rihter = voorzitter van vergadering; TW rigter
rihter (redgar) = richter, rechter; TW rigter, TWoud richter
rihtig = gerechtigd, juist, rechtrvaardig
rihtignis = gerechtigheid, juistheid, rechtvaardigheid
rihting = richting
rihtwis = rechtschapen
rihtwisnis = rechtschapenheid
rike =A rice
rilla = smalle stroom, beek; VW rel, ril
rilla = waterloop, geul, rug; VW rel, ril; TW rille; ME rill
rilla = zandrug; TW/Ryssen rille
rim = rijm; ON rime; WA riem; ME rime
rim = rijp, vorst, dunne sneeuwlaag
rim = aantal
rim = richel; DR rim, rimme
rima (reoma, ream) = riem, velg; KA ream; DR reim; TW reem
rima (cim) = kim, rand, horizon
riman = rijmen, rijpen; ON rimen; TW riemen
rin (ren, etc) = regen; KA ren
rinan = regenen; KA ren
rinan (hrinan) = aanraken; KA rinan
rinc = kring, omheinde ruimte, perk; ON rinc
rind = schors, schorsstrook
Rine = Rijn (rivier)
ring (hring) = ring; KA ring
ringan (hring) = rinkelen; ON ringen; ME to ring
ringfinger = ringvinger
ringbeard (hringbeard) = ringbaard
Rinland = Rijnland in Zuid-Holland
rinnan (irnan, aernan) = lopen, rennen; ON rinnen
ripan (reapan) = rijpen, maaien, oogsten; KA reapan; TW riepen; ME reap
ripe = bn rijp; ON ripe; GR [raip]; DR+TW riep; ME ripe
ripe = reep, strook land; WA riep
ripere (reapere) = oogster
riphoc (reaphoc) = sikkel
ripp = rip, rib, reep, strook, strip; ON repe; WA riep
rippan = rippen = in rippen scheuren, splijten, afscheuren
rippel = rimpel; WAoud rippel
rippelda = door wind gerimpelde grond; WAoud rippele
rippere = iemand die iets ript
riptima = oogst
ris (rese, ryse) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; KA rese; TW rese, reise, riese
risallit = risaliet = uitspringende delen van een voorgevel
risan = rijzen; AH riezn
risan = ruisen
risbusk = rijsebos = bos met veel rijshout; WA riesebos
risc (rysc) = riet, bies; KA risc; ON risch
rise (rus) = ruis, geruis; ON rus, rise
risholt = rijshout = takken en twijgen van wilgen en andere taaie houtsoorten
Risnen {1188nC} = Rijssen in Twente > PgAng/Rijssen
rissan = rissen, afscheuren, schudden
rist = rijst
risthi = ritsen, rissen, kerfen, rijten > writan
rit =A ridh
riw = gereedschap; DR riw
riwwan = rillen, huiveren; DR riwwern
riwwig = huiverig, rillerig; DR riwwerig
road (rea) = rede, ree = ligplaats voor schepen
roastar (rystar, hana) = haan; TW+AH reuster; ME rooster
rob = maag; ON rob
robb = ondeugd, stout kind; GR robb, robbe
robban = roven, beroven; DT rauben
robbere = rover; DT rauben
robe (jork) = jurk; ON robbe
robone = rode verf gemaakt van ijzeroer; TW robonje
robows = robuust, grof, ruw
roc (roce) = rots, hooimijt (# veeteelt); KA roc; ON rok, roke; ME rock
roc (rouc) = roek (# vogel); ON rouk; ME rook
rocan = opletten, aandacht geven; ON roken
rocc = rok, bovenkleed (# kleding); ON roc, rock; TW rokke
rocc = rots, rotsblok, steenklomp; ON roche
rocc = toren, kasteel; ON roc, roch
roccian = rukken, schudden
roce (rouc) = aandacht, attentie; ON roke, rouke
roce =A roc (hooimijt); ON roke
rocge (row) = rogge (# gewas); ON roghe; WA row
rocgfeld = roggeveld
rod = kruis, kruispunt
roda (rade, reade, re, rothe, ryde) = rode = gerooide plek, ontgonnen land
roda (rood) =* rode weg = weg van rode aarde (= yzerhoudende grond) >A rood
rodaland (radland, rodaland) = gerooid land, ontgonnen land, ontginning; KA rodaland; ON rodelant
rodan (radan, royan) = rooien, ontginnen
rodd (sticc, stocc) = roede, stok, twijg, paal, stang; WA rodde; ME rod
rodda (rotta, etc) = straat, weg, buurt, wijk; KA rode; ON rot, rote; DR rot; TW rodde, rot; AH rod, rood; ON rote; ME road
NB Steenroddeweg in Holten
rodde = roede, roe
roddere (wicroddere, wiglroddere) = roedeloper, wichelroedeloper
rode =A rade
rode (rad, rodda, rot) = weg, straat, buurt, wijk; KA rode; TW/Holten rodde; GS+AH rot; LM roed, rood; VWoud rod, rood; NHoud rood; ME road >A rood
Roderlo = Ruurlo
rodery = gerooide plek, rode; VW rorije
rodheafd = buurthoofd; WA rotmeester
rodland (radland, rodaland) = rodeland = ontgonnen land, ontginning; KA rodland
rodolfusgyldan = redolfusgulden = 13 stuiver; WAoud redolphusgulden
roec =A rouc
roed (rood, roda, read) = rode weg = weg van rode aarde (= yzerhoudende grond). Komt in hele wereld voor. NB AH+LM+VL+NHL roed, rood
rof = bn sterk, edel
rof >A rouf
rofe >A rouf
roffe (hrof) = roef, dak; EF roff
roffle = spade, schop; ON roffel
rohte >A reccan
rolan (trendan) = ww rollen
roldeoc = roldoek = doek gewikkeld om een stok
role = rol, wiel, katrol; ON rol, rolle
rolla = soort kraai
rolpal = rollepaal = paal in bocht van vaarwater om boten midden op het water te houden en door de bocht te trekken
Roma = Rome
Romane (Romien) = Romein
Romanisc (Romiens) = Romeins; KA Romanisc
Romayn =KA Romien
romblan = rommelen, lawaai of herrie maken; ON rombelen
romble = rommel, lawaai, herrie; ON rombel; MD rammel
romblecrod = rommelkruid (# kruid) = pigment; WA rommelkroed
NB Werd gebruikt in balkenbrij en als pigment.
romblig = bn rommelig, lawaaierig
romentic = romantiek; TW romentiek
Romine (Romane, Romayn) = Romein; KA Romane; ON Romeyn; TW+AH Romien
NB Romienendiek in Aalten.
Rominisc (Romanisc) = Romeins; KA Romanisc
Romish = KA Rominisc
rond = bn rond
rondhoran = navragen, informeren; WA rondhoren
rondhus (bolhus) = rondhuis = rond huis met puntdak; ME roundhouse
rondhus = rosmolen = rond huis met molen gedraid door ros (paard)
rondwaeg (bolwaeg) = rondweg
roo = roe, paal; AH roo = paal van hooiberg
roo (rae*) = rood
NB Roobrugge = landgoed bij Rande/Yssel. Later genaamd De Rode Brug.
rood (roda) =* rode weg = weg van rode aarde (= yzerhoudende grond). Komt in hele wereld voor. NB AH+LM+VL+NHL roed, rood
rop = roep, schreeuw
ropan (hropan) = roepen, schreeuwen; KA ropan; AH roopm
rope = roep, schreeuw
ropp = scheur, ruk
roppan = scheuren, rukken, werken; DR roppen
roppig = woest, nijdig; DR roppig
ropple = uitbrander; AH rŲppel
roran (rouran, reoran) = ww roeren; KA rouran
roran = ruÔneren, vernietigen
ros (hors) = ros, hors, paard; ON ros; WA ros
roscomb = roskam
rosdeoc = rosdoek = zak voor paardevoer
rose = roos (# bloem); ON rose; WA rose
rose = bn roze (ON rose)
rosig = bn rosig
rosmaesse (cawtar) = rosmes = scherp puntmes in ploegbalk
rosmyl = rosmolen = molen (ronde ruimte) gedraaid door een paard
rost = hoenderhok, hoenderstok; WA roest
rostar (russal) = rooster, luik
rostir = roosteren
rot (rad, rodda) = weg, straat, buurt, wijk; KA rot; ON rote; DR rot; TW/Holten rodde; AH+GS rot; ME road
NB Rotbrink/Ommen, Lindrot/DenHam/TW
rot = wortel; ME root
rota = troep, bende, kudde, zwerm; ON rote
rote = roet; AH root
rothe =A roda
rother (ruther, rudder) = roer (# schip); KA rother; ON roeder; ME rudder
rotian = ww rotten; AH rotn = stinken; ME rot
rotta (rot, rodda) = straat, weg, buurt; ON rot, rote; WAoud rot, rotte
rottan = ww rotten
rottha = gracht
rouc (hroc, roec) = roek, kraai, raaf (# vogels)
rouc = zorg, bekommernis; ON roec
rouc (roce) = aandacht; ON roke, rouke
roucan (rocan) = opletten, aandacht geven; ON rouken
roud = onkruid; TW roed
rouf (hrof, hrove, rof, thaec) = dak; KA rouf; EF [rof]; ME roof
rouf (hrof, hrove, rof, thaec) = roof; KA rouf; ON roef, rouf, roof
rouf = korst (van wond); WA roef, rof
rouf [rof] (ruh) = bn ruw, ruig, ruw, grof, lomp; KA rouf; TW raw, rouw; ME rough
roufal = wasbord; WA roefel
roufalan = hard wrijven, strijken; WA roefelen
roufland = ruig begroeid land
roug (ruh) = rauw, ruig; KA roug; DR+TW roeg; ME rough
roug = rauw, ruw, onbewerkt; ON ro, roe; DR roeg; ME rough
rouran (roran, reoran) = roeren, bewegen; KA rouran
rourig = roerig, onrustig, ziek; TW roerig
rouring = beweging
wit and hroering = fitheid en beweging (Woluspa)
rout = rot, afdeling, rij, groep, troep, leger; ON roet
rout = ruit; WA roet
routbroc = geruite broek, bakkersbroek
routman = soldaat, militair; WAoud rotman
rove (OA hrof; thaec, KA rofe) = dak, daken*
row = rouw, ruw, grof; WA row
row = afval, vuil; WA row
row (rocge) = rogge (# gewas); ON roghe; WA row
rowa = rouw, spijt, rust; ON rowe, ruowa
rowan (rowian) = rouwen, berouwen; ON rowen
rowan = roeien; ON ruowen; ME to row
rowbot = roeiboot
rowian (rowan) = rouwen; ON rouwen, rauwen
rowland = rogge-akker; WA rowland
roya = rooilijn; ON roye
royan (rodan, radan) = rooien, ontginnen
rubarbar = rabarber (# groente); ON roubarbar
rubarbarwin = rabarberwijn
rube (raep, naep, ryfe) = raap, knol, knolraap (# gewas); VW rube; WA rube
rubin = robijn; ON rubin
rucan = ruiken
rucc = reuk, geur; AH rŲkke
rucsacc (bacpac) = rugzak
rudd =A read (rood)
rudder (ruther, rother) = roer (# schip); KA rudder; ON roeder; ME rudder
rude = ruw, niet ontgonnen; ON rude; ME rude
rudig = roodig, roodachtig; ME ruddy
rufa (ryfe) = raap; WAoud roeve
rufa (ryfe) = raap; WAoud roeve
ruge =A ruh; WA ruge
rugg = rug, rugvel, kleed, mat, vloerkleed, bezit, biljet, geld; WA rugge
ruh (rouf) = ruw, ruig; ON ru; DR roug; WA roew, raw; ME rough
rull = beekje; VW rul
rum (rym, tir) = roem, eer
rum = ruimte, kamer; ON rume; WA roem, rume; ML rumah (huis); ME room
rum = bn ruim; WA ruum, roem; ME room
rum = roet
rumbel =A rummel
rummel = bn waardeloos
rummel = rommel; WA rummel, rammel
rummelan = rommelen, slingeren
rummelbece = slingerbeek; WA rummelbeke
rummelwaeg = slingerweg; WA rummelweg
rump = romp, stuitbeen, achterste
run = geheim, geheime beraadslaging
runa = rune, runeteken
runcan = ronken, hinneken; AH rŲnneken = hinniken
rund = rund; WAoud rond (mv ronder)
rundcaemp = runderkamp, runderwei
rundmaerct = rundermarkt
rune [roen] = ruin = gesneden hengst; WA rune, roen; GRoud raun
rung = rung = stang, trede, sport van ladder
rungeat = gesloten, afgesloten
runsan = ww ruziŽn
runsing = ruzie
runsten = runensteen
runstofa = platte kachel
rupp = rups; ON rup, rupse; AH roepe; WA roeppe
ruran (roran, reuran) = ww roeren; KA roran
rus (beas) = bies = smalle strook overgewas; VW rus
rus (rise) = ruis; WA ruse; > rise
rusan = ww ruisen; WA rusen
rusan = lawaai maken; ON rusen
rusan = schatten, waarderen; AH roezn
rusc = bies, rus; AH rŲsken
ruse = graspol; ON ruse
ruse = oog; AH roeze
rusle = reuzel; AH russels
russal (hrostar) = rooster in kachel
russalstocc = pook
russe (byse) = biezen; WA ruis; WAoud rus; WA/Harreveld Russenland (veldnaam) = biezenland
rust = roest; ON rost; TW rost
ruster = druilregen
rusterig = druilerig; AH ruustereg
rut (weod, fuyle) = onkruid; AH roet; WA rute, roete
ruta = ruw, grof, bot, wild, sterk; ON rute; ME rude
rutan = snorken, gonzen
rutar = ruiter, knecht; WA ruter
rutar (rydar) = ruiter, soldaat, struikrover; KA rutar; ON ruter
ruther (rudder) = roer (# schip); ON roeder
rutig (furutig) = wild, verward; KA rutig; WA rutig (wild, verward)
rutland (smeorland) = land met veel onkruid
rutlegge = veld met veel onkruid
ruw = ruzie, herrie; ME row
ruw = ruuw, grof
ruwan = ruzie maken, ruziŽn, herrie maken
ruwan = plukken, rooien; AH roewn
rycg (hrycg) =A ricghe
rydan (ridan) = rijden
rydar (rutar) = ruiter; KA rutar; WAoud ryder
rydargyldan = ruitergulden, munt met ruiter erop
ryde =A roda
rydhdha = reu
rydher = rund
rydhing (rade) = rode = gerooide plek, ontgonnen land
ryfe (rufa) = reve (gewas) = raap, biet, knol; WA reuve; WAoud roeve; >A reava
ryfencaemp = reuvenkamp = kamp (stuk land) met reuven (rapen)
NB1 Reuvenkamp/Gorssel, Reuvenkamp/Harreveld, Reverdijk/Gorssel/Eefde, Reverweg/Harfsen.
NB2 Reuven = dorp in Brabant; familienaam in Overijssel.
NB3 Reuvecamp: familienaam
ryfesaed = reuvezaad
rygan = ww rijgen
ryge = rogge; WA row
rygebread = roggebrood
Rygemodra = Roggemoeder; ZA/PgAng
rygepappe = roggepap
rym =A rum
rympel = rimpel
ryna = nat, natte grond; WAoud reuna > PgAng/Oxe
rysc >A risc
ryse (rese, hris) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; KA rese; WA rese, reise
rysel = reuzel, vet
ryssa = biezen (# gras in drasland); AH russen; TW rusken
ryssaland = land waar veel biezen groeien
rystar (roastar, hana) = haan; WA reuster
 
s::
-s = volk van, iemand van
VB Hustings = volk van de hoogte (heuveltop); Meadows = volk/iemand van de weide
-s =A -is
sa (swa) = zo, dus; EF sa; ME so
sa hwat? = zo wat?, wat dan nog?
sa =A sae
sacan = twisten, aanklagen
sacc = zak, ruime mantel; ME sack = zak
saccan = zakken, doen zakken, de bons geven, plunderen; ME sack
saccleas = dom, hopeloos; GD sackless
saccpipan = doedelzak spelen; ON sackpipen
sacu (suk, sok) = zaak, rechtszaak, misdrijf, strijd, vervolging, schuld; ON saec, sake; WA saok
sacweald = zaakwaarnemer, gevolmachtigde, gedaagde; ON saecwelde
sacwealdig = gevolmachtigd
sadol = zadel; ME sadle
In de Romeinse Tijd (12vC-450nC) kennen de Germanen het zadel nog niet. Pas in 350-450nC leren ze die kennen van de Hunnen.
sadolbagge = zadeltas
sadolgudh = leengoed waarvoor leenman een zadel moet schenken als tegenprestatie
sadolmakere = zadelmaker
sadolpine = zadelpijn
sae (sa, mare) = zee, meer; KA sae; ON se, see; VL sa
saed = droef, droefig, verdrietig; ME sad
saed = zaad; TWoud saeth, saet; ME seed
saed = bedroefd, triest; ME sad
saedan = zaaien; AH zaedn
seadere = zaaier; ME seeder
saedhuve = zaaivat aan riem om nek; AH zaedhuve
saedic = zeedijk
saedling = zaailing = jong plantje dat uitgezet wordt; ME seedling
saednis = droefenis, droefheid, verdriet
saefisc = zeevis
saefiscan = ww zeevissen
saefte (softe) = bn zacht; ON saefte
saegd, -e, -on >A secgan
saeke = zaak, kwestie; ON saeke
saele = woonplaats
saele = stroom, rivier, waterloop
NB Bron KUOZ/p79: Saale = stroom; Oldenzaal = Olde Saale; Upsala/Zweden = aan de stroom; Brussel = Broeksele = moersasstroom.
saelge = salie (# kruid); ON saelge, sailge
saelig = zalig
saelig (gesaellig) = gezellig, happy, blij; KA saelig; ON ghesellig; ME cosy
saelighed (gesaelighed; selighed) = gezelligheid; KA saelighed
saeliglice = happy, gezegend
saeman (saman) = zeeman
saeman = schijnen, lijken
saena = langzaam, traag
saenan = talmen, zeuren
saencal = droefig, naar, triest, moedeloos, lusteloos; WA saenkel
saencal = schommel; DR sankel
saeng = paars; DR sang, sangel; GR sangn
saengal = buikriem van paard; WA sangel
saengal =A saencal
saengalan = slingeren, kronkelen
saengaldic = sangeldijk, slingerdijk
NB Sangeldijk in Holten en HofVanTwente
saengalwaeg = slingerweg
saep = sap; ME sap
saespic = zeespek = spek van dolfijn of zeehond; WAoud seespeck
saewith = zeedier
saet =A saete
saete (sahta, saet, sate) = sathe, zate, woonstede, nederzetting, plek*, zitting, vrede; KA saete; WAoud sate = woning; ME seat
Saeter = Saturnus = god van de landbouw; WA Sueter
NB Sueterweg in Bentelo.
saete = iemand van, burger van
saeterndaeg = zaterdag; genoemde naar planeet Saturnus; ON saturdag; ME saturday
saewiht [siewait] = zeedier
saga (sagu) = zaag; ON saghe; ME saw
sagan (wiggan) = zagen; WA saegen
sagere = zager, houtzager
sagmyl = zaagmolen; WA saegmul
sagmylen = zaagmolen
sagol = stok, staf
sagu (saga) = zaag
sahta (saet) = zate, havezate, verzoening
sahtlian = settelen, vestigen, verzoenen
saippu = rode haarverf; o.a. gebruikt door strijders in oorlog
saiseran = in beslag nemen; ON saiseren
sake (sacu) = zaak; ON saek, sake; ME sake
sal (sale) = adellijk huis
salaet (slaet) = salade; ON salaet, slaett
sale = zaal, huis zonder kamers, woonkamer, woonstee; ON sele
sale = zaal, ontvangsthal, gasthuis
sale (sal) = landhuis, adellijk huis
salm = zalm (# vis); ON salm
salmere = zalmvisser
salo = bn bleek, grijs, vaal; ME sallow
salta = zout; TW saalte
salta (sawta) = soldij, loon > PgAng/Zout
saltig = zultig, zoutig; AU yulti; ME salty
sam = bn zacht, mals, week; DR+TW sam
sam = sappig; TW sam
sam = drasland, veen
sam (saman) = samen, gezamelijk; TW sam; AF saam; ML sama-sama
sama = zelfde, gelijk; ML sama; ME same
saman (saeman) = zeeman
saman (sam) = samen, gezamelijk; ON samen
saman = zamelen, verzamelen, verenigen, bundelen
samnian = verzamelen
samod = samen, ook
samscip = gezamelijkheid, verbond, vereniging
sanct = heilig
sand (sond) = zand; KA sand; ON sand, sant; ME sand
sand = gerecht
sandceosol = zandkiezel
sandcop = zandkop, zandheuvel
sandford = zandvoorde = zandige voorde in rivier of beek, zandhoogte in veengebied; ON santforde; WA sandfoord > PgAng/Zandvoort
sandfurdere = zandvervoerder; ON santvoerder
sandgeat = zandgat = gat in zandgrond gevuld met water
sandgeat = zandgroeve
sandgerefa = zandgraaf = ambtenaar die zandgronden beheert, i.c. verstuiving inperkt en voor begroeiing zorgt
sandgudh = zandgoed = landgoed op zandgrond; ON santegoed
sandhone = zandhoender = hoender die in zandgebieden leeft
sandig = zandig, zanderig
sandkyl = zandkuil, zandgroeve; WA sandkoele
sandston = zandsteen = steen gemaakt van zand met veel kiezels en steentjes
sandwaeg = zandweg
sang = zang, gezang, lied; ON sang; GD sang
sang = paars; DR sang
sangel = schommel; DR sangel
sangere = zanger, zinger; ON sanghere
sap =A sape
sap >A saep (sap)
sapan = zepen, inzepen
sape (sap) = hars, zeep; ON sepe; ML sapu
sappe = schrale grond; ON sape
sappelt (nattelt) = nat, drassig land
sar = pijn
sar = bn zeer, pijnlijk
saran = zeer doen; ME sore
sarc = hemd; GD sark
sarcot = overkleed; ON sorcote
sarg (sorg, sorwa) = zorg
sargian = zorgen, bekommeren
sargfealdignis (sorgfealdignis) = zorgvuldigheid
sarig = verdrietig, bekommerd, bedroefd
sarig! = sorry, pardon, het spijt me!; ME sorry
sarignis = verdriet, spijt; ME sorry
sarp >A searp
sarran = sarren, bezeren, kwetsen
sartere =A chaertre
Sarum = Salisbury in Zuid Engeland
sat = gezet; WAoud sat
WAoud my sat to pande = mij als pand gegeven; borge sat = borg gesteld
sate =A saet
Satter = Sater - Anglische god; > PgAng/Sater
satu = zaten (vt zitten), gezeten
satu (havesatu) = zate, havezate
satyre = satiere; AGoud satyre
sawan (sayan) = zaaien; ON sayen; TW zeien; TWoud seyen; KA sawan; ME sow
sawel (sawol, sawul) = ziel; ON siel, siele; EM sjua; ME soal
sawland = zaailand; WAoud sayelandt, seyland
sawol =A sawel
sawon = zagen (vt zien)
sawt (sealt) = zout; ON solt, salt; DR zolt; TW solt; ME salt
sawta = soldij, loondienst; ON sauwte
sawtan (sealtan) = zouten, inzouten, insmeren met zout tegen bederf; # vis, vlees; WA insolten
sawul =A sawel
say = saai
say (seolc) = zijde (weefsel, stof); ME silk
sayan (sawan) = zaaien; ON sayen; WA zeien; WAoud seyen; KA sawan
sayan (seyen, secgan) = zeggen; GR seien; WA seyen, zeien; EZ sayen; > PgAng/Elzas
sayl = zeil; ON seil; ME sail
saylan = ww zeilen; ON seilen
saylbot = zeilboot
saylere = zeiler
saymaent = zaaimaand, maart
sayn (segan) = zegen; ON sein, seghen
saynan (segnian) = ww zegenen; ON seinen, seghenen
saynis = saaiheid
sca (scadu) = schaduw; AH scha
sca (scada) = schade; KA scada
scabig >A scaebig
scacan = schaken, roven, schudden, snel bewegen; WA skaken; ME shake
scacol = schakel, boei; WA skakel
scada (sca) = schade; KA scada
scadan (scathan) = schaden
scadan = ww scheiden; WA skaden > scid
scadd =A sceadd
scaddan =A sceaddan
scadd (tarf) = veen, turf, dikke heideplag; AH schadde; WA skadde
scadlic = bn schadelijk
scadu (sca) = schaduw; KA scadu; TW skaduw; ME shade
scaeb =A scaebb
scaebb (scaeb) = rommel
scaebbig (scaebig) = kaal, versleten, schamel, sjofel, haveloos, gemeen, vunzig; NV schabbig; ME shabby
scaef = schaaf; WA skaaf
scaef = schaap; DT Schaf
scaefan = ww schaven; WA skaven
scael (scalu) = bn laag, ondiep; OE schaluwe
scael (scalu) = schaal (# consumptie); WA skaal; WAoud scael; AH schaole; OE shal
scael (scalu) = kom, laagte; OE shal
scaelc = 1: schalk, schelm, ondeugende jongen, schurk; 2: dienaar, knecht, bediende; ON scalc; WA skalk
scaelc = bn 1: onderhorig, onderworpen, onvrij; 2: streng, wreed, slecht, gemeen, boos, verkeerd; ON scalc
scaeman = ww schamen; ON scamen; TW skamen
scaemu (scamu) = schaamte; ON scame; ME shame
scaer (scara, sceara) = schaar; KA scaer; TW skaar, skere; VW schaer; ME shears
NB Scarborough/NH, Scharmer/Gro. > PgAng/Scharmer
scaer (scear) = (afgesneden) stuk land; KA scaer
NB Scarborough/N, Scharmer/Gronigen. > PgAng/Scharmer
scaer = schare, kudde, groep, menigte
scaer = lidteken; ME scar
scaerde =A scearde (gescheurd, afgebroken, omlaag gehaald)
scaerfa = sjaal, sjerp
scaerfel = klein gescheurd (omgeploegd) veld; OE sharvel
scaerfeld = gescheurd (omgeploegd) veld; ON scharveld
scaers = schaars; WA skaars
scaeth = schede (van mes, dolk, zwaard, etc)
scafan = schaven, scheren; WA skaven; ME shave
scaflan = schaffelen, rondhangen, loeren; WA skaffelen
scafot = schavot; WA skavot
scaftan = schaften, eten; WA skaften
Scalda = Schelde (rivier in Vlaanderen)
scallan =A scullan
scalu (scael) = bn laag, ondiep; OE schaluwe
scalu (scael) = schaal, schil, dop
scaluwe =A scalu
scaga (scawa, thiccet, holt, hot) = bosje, kreupelhout, struikgewas; KA scawa; ME shaw
scam = scham = ven-eilandje
scama (scamu, sceamu) = schaamte, schande; KA scama; ON scame; WA skaamte, skeamte; ME shame
scaman (sceaman, sceomian) = ww schamen; KA scaman; WA skamen, skeamen; ME shame
scamar = klaver drie (# plant)
scaman (scaeman) = ww schamen
scambors = schaambuidel = soort gulp
scamhaer = schaamhaar; WA skaamhoar
scamlan = ww schommelen
scamlum = vlinder; TW schammlum
scamlumta = veld waar veel vlinders komen = vlinderveld
NB Schammeldeweg Ommen
scammel = schamel, arm, behoeftig; ON scamel; WAoud schammel
scammelhus = armenhuis; ON scamelhuys
scamu (scaemu) = schaamte
scan = schande; TW schaan; SL schane; LC shan
NB Schanebroek in Lemele.
scap (sceap, scip) = schap, plank; WA skap
-scap (scype) = -schap; KA -scype; ME -ship
scar = schar = plag, turf
scar (scor) = schar = stuk grond; VW schar
scar (scor) = buitendijks land
scar (sceard, scyr) = schor, schoor = snede, inkeping, inham, geul > PgAng/Scharmer
scar = losplaats voor boten; WA schar, schaar
NB Doesburg (Resto Zwarte Schaar, Yssel, 2010) > PgAng/Scharmer
NB Sceargeat (= Scharpoort*) aan de Severn > PgBrit (Ethelflaed van Wessex)
scar = schare = stuk grond, vergaderplek > PgAng/Scharlebelt
scara = menigte, afdeling, troep
scara (scaer, sceara) = schaar, tang; KA scaer; WA skaar, skere; VW schaer; ON schare, schere; ME shears
scara (scaer, sceara) = deel, aandeel; KA scaer; TW skaar, skere; VW schaer; ON schare, schere; ME share
scara (scaer, scerra) = schare, menigte; NV schaar
scaran (sceran) = delen, verdelen; ON scharen; ME share
scaran (scaeran) = opdelen, indelen, verdelen; KA scaeran; ON scharen; ME share
scarc = bok, ezel = driepoot om iets op te leggen of zetten (hooi, e.d.); EA shark
scare =A scara
scare = schaar; ON schare; WA skaar
scare = deel, aandeel; ME share
scare = landsdeel, gewest; ME shire
scare = troep, bende, leger; ON schare
scare = schare, groep, menigte, aandeel, rente; TW skare; OD schar
scare (scere) = deel, deel van grond; ON schare, schere; ME share
scarfeld = plaggeveld
NB 't Scharvelt bij Haarlo/Achterhoek. Vroeger lag daar een heideveld met een plaggenhut.
scarfian = schrapen, verbrijzelen
scarm = scherm; AF skerm
scarm = strook langs weg tegen afbrokkeling; WA scharm
scarman = schermen, beschermen; DR scharmen; AF skerm
scarman = turfboer
scarn = minachting
scarnan = minachten
scarp = scherp, precies, spits; WA skarp, skerp; WAoud scharp
scarpan = scherpen, slijpen
scarran = scharrelen, wroeten, krabben
scat = schat, som geld, bezit, schatting, heffing; ON scat; WA skat
scatan (sceaddan) = opbergen, bewaren
scataran = schateren, hard lachen; WA skateren
scataran = verpletteren, vernietigen; ME shatter
scatcest = schatkist
scate (scedd, sceadd) = schuur, open schuur, bijgebouw voor opbergen van gereedschap, stro, etc of als werkplek voor bakken of koken; WAoud scate, schate; ME shed
scate = afgeperkt perceel grond; VW schate
scatha = schade
scatha = crimineel, vijand
scathan = schaden, vernietigen
scatta = schatting, heffing, brandschatting
scattan = schatten, heffen, brandschatten; WA skatten
scawa (scaga, thiccet, holt, hot) = bosje, kreupelhout; KA scawa; ME shaw
sccatha = schade; WA skade
sccathan (scadan) = ww schaden; WA skaden
sceabb (scoref, scorf, drope) = schurft (# huidziekte)
sceabbig = armzalig; ON schabbig; ME shabby
sceacga = krot, ruige baard; ME shag
sceacul = schakel; WA skakel
scead =A scadu, sceadu (schaduw)
scead = scheiding, grens; ON scheid; VW schiet; WA scheed, sked, skedding
sceadan = ww scheiden; WA skeiden
sceadd (scedde, scadd) = schuur, open schuur, bijgebouw voor opbergen van gereedschap, stro, etc of als werkplek voor bakken of koken; WAoud scate, schate; ME shed
sceaddan = opbergen, bewaren
sceadfurh = scheidingsvoor tussen twee akkers; VW scheidvore
sceading = scheiding; WA skeiding
sceadu (scead, scadu) = schaduw; KA scadu; WA skaduw, skaa; ME shade
sceaf = scheef, schuin, dwars, scheel; ON scheef, scheif; TW skeef
NB Schievenveld/Deldeneresch/Twente; 2016 Schijvenveld
NB Schievenweg/Deldeneresch/Twente; 2016 Schijvenweg
sceaf = sjaal
sceaf = schijf, schoof (# koren), bundel, bos; WA skoof; WAoud scief
sceaf (gaerf) = schoof, garve = bos gemaaide en gebonden graanhalmen
sceaf = scheef, raar, vreemd; WA skeef
sceaf (scaef) = schaap; ME sheep > PgAng/Schieven
sceafan = schaven, scheren; ME shave
sceafcote = schapenkooi; TW skaapkot
sceaff = chef, baas; ME chief
sceaffan = schaffen, scheppen, bereiken, voortbrengen, tot stand brengen; DT schaffen
sceaffeld = schapenveld; OE sceaffield > PgAng/Schieven
sceaffere = schaapherder; ON scheffer; AH scheper; ME shepperd
sceafing = schoofrecht = recht op aantal schoven van oogst conform oppervlakte
sceafmaelum = in schoven
sceaft = stang, schacht, speer; ON schaft; ME shaft
sceaft (lamone) = lamoen = T-balk tussen twee paarden in span van rijtuig
sceal >A scealan
scealan {sceal, sceold, sceoldan} = zullen, moeten
scealdan = ww schelden; TW skelden
scealdword = scheldwoord
scealc = schalk, schurk, knecht; WA skalk
scealg = schalie, lei, leisteen; ON scaelge
sceallan {sceal, scolt, scolt} (scallan) = ww zullen
sceam = schaamte, schande
sceaman = ww schamen; WA skeamen
sceamta = schaamte, schande; WA skeamte
sceap {mv sceapas} = schaap; ON scaep; WA skaap
sceap (scepp) = schep, vat; AH scheppe; WA skep
sceap (scepp) = schap, plank; WA skap
sceapal (hont) = schepel = 1/4 mudde (Angl: mydda) = 0.133 Ha; WA sceppel
sceapas = schapen; WA skapen
sceapbealcge = schapenbult, schapenweide; ON scaepsbelc
sceapcepere = schapenhouder
sceapcepery = schapenhouderij
sceapcoman = schaaphandelaar; ON scaepcoman
sceapcot = schaapskooi; WA skapenkot; WAoud schaepschot
sceapdic = schapendijk = dijk waar schapen grazen
sceapdog = schapenhond
sceapere (hirde) = herder; WA skeper
sceapfelf = schapenvel, schapenvacht
scaepheord = schapenherder, schapenhoeder; ME shepheard
scaephetting = schapenweide; ON scaephettinc
sceaphirde (sceaper) = schaapherder; WA skeper
sceapmaerct = schapenmarkt; WA skapenmarkt
sceapman = schaapherder
sceapstrunt = schapenstront, schapenmest
sceapyre = van schapenvel
sceapscearan = schapenscheren; WA skapenskeren
sceapscearere (scearere) = schapenscheerder; WA skapenskeerder
scear = bn schier, grijs
scear = bn schier, netjes, strak; ON scier; WA skier; EA shear
scear (sceare, scaer) = scheer, schier = (afgesneden) stuk land; KA scear
NB Het Schier in Havelte/Drente. ME shire = landsdeel, provincie
sceara (scaer) = schaar; KA scaer; ON schaere; WA skaar; ME shears
sceara = schare; ON schaere; WA skaar
scearan (screacan) = ww schrikken; KA scearan; WA scrikken; AH skrieken; ME scare
scearan (sceran) = scheren, scheuren, afsnijden, knippen, delen; KA sceran; ON sceren; WA skeren; EA shear [sjier]; AF skeer; ME share = delen; shear = scheren
scearbaes = barbier; WA skeerbaas
sceard = scherf, stuk, brok; ME shard, sherd
sceard = schaarde (breuk, scherf), spleet; ON schar
scearde (scaerde) = gescheurd, afgebroken, omlaag gehaald
sceare (scear, scere, scyr) = scheer = afgesneden stuk land; KA scear; ON scere, scheere; WA skeur; ME share
sceare = aandeel in een meent (gemeenschappelijke grond); KA scear; ON schaer; ME share
sceare (score) = steile oever, kust
scearere = schapenscheerder; ME sheerer
scearf = scherf; WA skerf
scearfian = verscherven, scherven maken, in kleine stukken snijden
scearing = kleine paling
scearmylen = scherfmolen = molen die hard afval verscherft
scearm (scirm) = scherm; WA skerm
scearman (scirman) = ww schermen; WA skermen
scearman = barbier, kapper
scearmere = schermer, zwaardvechter, strijder
scearmaesse = scheermes; WA skeermesse
scearmisse (scermes) = schermutselingen
scearn = drek
scearp = bn scherp; ON scerp; WA skerp
scearpa = reistas, rugzak; ON scerpe, scarpe
scearpan = scherpen, aanscherpen; WA skerpen
scearpere = scherpmaker, slijper, kamscherper; ON scerpere
scearu = schare, menigte, deel; TW skare; ME share = aandeel; ww delen
sceat = schoot, schot, hoek, kleed
sceat = scheet, wind; WA skeet
sceatan = scheten laten, winden laten; WA sketen
sceatt = bijdrage, geld, munt
sceaat = scheet; TW skeet
sceatta {mv sceattas} = kleine dikke munt van zilver > PgAng/Munten
sceatta = schat; TW skat
sceattan = ww schatten; TW skatten
sceawa = schouw, inspectie, controle; TW skouw
sceawa (sieo) = schouw, vertoon, tooi, pronk, sieraad; ME show
sceawere = getuige
sceawian (scouwan) = schouwen, beschouwen, zien; WA skouwen
sceawing = schouw, inspectie, controle; ON scouwinghe
scedd = scheiding; ON scheid
sceddan = ww scheiden; ME shed
scedde (sceadd, scadd) = schuur; ME shed
scede = schede, wapenhoes; WA skede
scedere =A scere
scegg = scheg = wig
scegg = scheg = binthout, hardhout = houten kern van boomstam = boomstam zonder schors
scegg = wigvormig stuk van achtersteven boot
sceggert = veld met veel binthout; ON scheggert
scel = helling
scel = bn scheef, schuin toelopend; VW schel, scheel
sceld = schild; ON scelt, schelt, schilt
sceldan = ww schelden; WA skelden
scelf (scylf) = plank, schap; ON scelve; ME shelf
scelfisc = schelvis; WAoud scelvis
scell (sciell, scelp) = schil, schaal, slakkenhuis, schelp, bast, huls, etc; KA scell; ON schel, schelp; WA skel; ZA skulp; ME shell
scellan = schelen, verschillen; WA skellen
scelp =A scell
scelwyrtal = schelwortel (# stinkplant); ON scelwortel
scencan = ww schenken; WA skenken
scennan = ww schelden; WA skennen
sceo = hemel; ME sky
sceofan =A skufan
sceoh (scuw) = bn schuw, verlegen; ON scuwe, scouwe; TW skuuw; ME shy
sceohan = schuwen, verafschuwen; ON scuwen, scouwen; TW skuwen
sceol = school, leerschool; WA skool; YK [skool]; ME school
sceolan = scholen, onderwijzen
sceolbagge = schooltas
sceolbord = schoolbord
sceolbred = houten kastje gebruikt als schooltas in lager onderwijs tot circa 1940; WA skoolbret
sceolcaete = schoolkeet = keet (gebouwtje) waar onderwijs wordt gegeven; WA skoolkate
sceold {AVA sceolan = zullen} = zult; DR zult; ME should
sceoldan {AVA sceolan} = zouden (vt zullen)
sceolh = bn scheel, scheef; WA skeel, skeef
sceolheafd = schoolhoofd
sceoling = scholing, onderwijs
sceolmaester = schoolmeester, schoolhoofd
sceolu [skole] = school, menigte; WA skool
sceomian (sceaman, scaman) = ww schamen
sceon =A gesceon = gebeurtenis, geschiedenis
sceonan = geschieden, gebeuren
sceopa [sjeupe] = winkel, pand; WA shoppe = schuur
sceopan = winkelen, shoppen
sceoran = scheuren, omploegen; AH scheurn
sceordery = servies; AH scheurdegrei
sceorf =A scurf
sceorfan = ww knagen
sceort (ceort) = bn kort; KA sceort; WA kot; SW kot; ME short
sceort (ceort) = haxel, afval
sceort = schort = kort voorkleed; WA skort
sceortan (ceortan) = korten, schorten, ontbreken
sceot = scheut; ME shoot
sceot = schot; ME shot
sceotan (scitan) = schieten; ON scieten; WA skieten; ME shoot
sceoter (scoter) = assistent van marke- of boerichter; WA skeuter
scepen = schepen, raadslid; ON scepen
scepenbenc = schepenbank = stadsraad
scependom = schependom = rechtsgebied van een schepen
sceperbenc (benc) = schepenbank = gemeenteraad
scepere = schepen = stadsbestuurder; LB sjeper
sceperhus = schepershuis = huis van een schepen; LB sjepers hoes
scepp (sceppe, sceap) = schep, schap, plank, vat; AH scheppe; WA skep
sceppan (scieppan) = scheppen, schapen, creŽeren; KA sceppan; WA skeppen, skapen; ME shape
sceppe =A scepp
sceppel = schepel (oppervlaktemaat); AH scheppel
10 schepel = 1 hectare
scepper = schepper = bestuurder van een zijlvest (waterschap)
sceppery = schepperij = zijlvest; WAoud skepperie
sceran (scearan) = scheren, afsnijden, knippen; KA sceran; ON sceren; WA skeren; ME shear
sceran = schrikken, afschrikken; ME scare
sceran = toedelen, beschikken, bepalen, vastleggen; ON sceren
sceran (scaran) = delen, verdelen; ON scharen; ME share
sceran =A scyran
scere = klip, zandheuvel; ON scheere
scere (scare) = deel, aandeel in weide, land, e.d.; ON schare, schere; ME share
scere (sciere, scyr) = scheur = deel, aandeel; ON schere, scheer; WA scheer, scheere; ME share
NB Grote Scheere en Kleine Scheere bij Coevorden.
scere (sceare, scir, scyr) = scheer = afgesneden stuk land, gewest, zone, deelgebied; ON scere, scheere; ME shire >A scir
scere (scir) = schere = maat voor grazers en weilanden (NO Nederland); 1 koe = 1 schere; 1 vaars = 3/4 schere; 1 pink = 1/2 schere; een weiland van 20 scheren = een weiland waar hooguit 20 koeien mogen/kunnen grazen; ME share
scere (scor) = scheer, schoor = oever, oeverland
NB Grote Scheere (Holthone/Hardenberg) en Kleine Scheere (Coevorden). Beide locaties liggen tamelijk hoog en de grond lijkt voornamelijk te bestaan uit zand en leem. (#FRI/jul2011) Beide locaties liggen aan de Kleine Vecht. #Hist.Ver.Coevorden/20.7.2015
scere = schare, menigte, groep, troep; ON scare
scergerefa (scirgerefa, scirreeve) = scergraaf = ordebewaker in een scire (graafschap); ME sheriff
scerig = gierig, hebzuchtig; AH schereg = hebzuchtig
scerman = bewaker, wacht, ordebewaker; OE scerman, sherman
scerra = dreiging, angst; ON skerre; ME scare
scerran = dreigen, bang maken; ME scare
scerscreac = vogelverschrikker
sceter = deegplank voor oven; AH scheter
scettaran = schetteren, schril en hard praten, trompetteren; WA sketteren
schore >A score
sciccan = schikken, zenden, sturen; AH schikn
sciddig = verlegen
scic = schik, plezier; WA skik
sciccan = schikken, sturen; WAoud schicken
scid = gekloofd stuk hout
scidan = ww scheiden; WA skieden
scide (scyde) = scheide, scheiding; WA skide
scield (sceld) = schild; WA skild; WAoud schilt
scieldan = beschermen
scielfe = schelf, planken stellage; ME shelf
sciell = schel, scheel; WA skeel
sciene (scone) = schoon; TW skoon; OD schoen
sciep (scep) = schep; TW skep
scieppan (sceppan) = ww scheppen; WA skeppen
scieppan (sceppan) = ww scheppen, schapen; KA sceppan; WA skeppen, skapen; ME create, shape
scierling = fluitekruid (# plant); DR schierling
scieran = scheren, snijden; WA skeren
scif = schijf; AH schieve = schijf, plak; WA skeif
scif = skiff (# boot)
sciftan = schiften, delen, regelen; WA skiften
scildran = schilderen; WA skildren
scildre = schilder; ON scildere; WA skilder
scillian = schillen, (af)scheiden; WA skillen; AH scheln
scilling = schelling, schilling; ON scilling, schelling; WA skilling; ME shilling
scim = schim, schaduw; ON schim, schem; WA skim, skem; AH schemme
scimlig = schimmelig, witachtig
/simmel = schimmel (# fungi); WA skimmel
scimmel = schimmel = wit paard; WA skimmel
scimmeran = ww schemeren
scimmering (twileoht) = schemering; KA twileoht); WA skemering
cimrian = glanzen
scimrice = schimmenrijk
scinan (scynen) = schijnen, stralen (# licht); KA scinan; ON scinen; WA skienen; ME shine
scinc = ham; AH schinkn
scine = schijn; ON scine; WA skien
VB sunnescine = zonneschijn
scinne = huid
scinu = scheen, scheenbeen; AH schenne; WA skeen; ME shin
scinubien = scheenbeen
scip {mv scipas} = schip, boot; ON skip; WA skip; SH sjip
-scip (-scap, -scype) = -schap; KA -scype
scipan = verschepen, vervoeren, varen
scipbow = scheepsbouw
scipbrigge = schipbrug, pontonbrug; > PgAng/Bruggen
scipgaerd (scipwearf) = scheepswerf
sciphere (fleot) = zeemacht, vloot, oorlogsvloot
sciphoc (angol) = scheepshaak = enter- en duwhaak
scipleode = bemanning; ON sciplieden
scipmakere = scheepmaker; ON scipmacer
scipmakery = scheepmakerij
scipman = schipper, matroos
scippere = schipper; ON scippere; WA skipper
scipwearf (scipgaerd) = scheepswerf
scipweol = scheepswiel = stuurwiel, stuur
scipwrec = schipbreuk
scir = schier, helder, netjes, ordelijk; DR schier; TW skier; ME sheer
scir = schier, amper, plotseling
scir =A scyrt
scir (scire, scyre, sceare, scere) = afgesneden stuk land = scheur, gewest, graafschap, gouw, regio, zone; ON scheere; DR schier; WA skeur, skiere; ME shire = landsdeel, gewest, provincie; >A scere
NB1: OE Defenascir = Devonshire
NB2: Het Schier in Havelte/Drente
sciran (scyran) = scheuren, begrenzen, delen; TW skeuren, skoeren
scire (scyre, sceare, scere, scir) = afgesneden stuk land = scheur, gewest, graafschap, gouw, regio, zone; ON scheere; DR schier; WA skeur, skiere; OE chire; ME shire
scire = scheur, inkeping, inham > PgAng/Scharmer
Sciremere = Scharmer/Gro > PgAng/Scharmer
scirey = LT bijna-eiland = schiereiland
scirgerefa =A scergerefa
scirm (scearm) = scherm; WA skerm
scirman (scearman) = ww schermen; WA skermen
scirmes = schermutseling; ME skirmish
scirreeve =A scergerefa
scit (skyt) = schijt, poep; KA scit; TW skyt; ME shit
scitan (skytan) = schijten, poepen; TW skyten; ME shit
scitan (sceotan) = schieten; WA skieten
scitfaet (skytfaet) = schijtvat, beerton, poepdoos; KA scitfaet; ON schijtvat
scithus (skytthus) = schijthuis, poephuis, wc; stond vroeger op achtererf; KA scithus
scitrig = schijterig; AH schettereg
scittaran = schitteren; WA skitteren
sclaef {mv sclaefs} = slaaf; WA sklaaf
sco =A scoh (schoen)
scoat (scot) = schoot, stuk land; ON scoet
scocc = schok
scocc = hooiopper, hooihoop (12-16 schoven); WAoud schokke; EA cocc; ME shock
scocc = plag, bolsterig land; WAoud schock
scod (utscot) = uitschot, afval
scoddig = prulleboel, kunstwol uit lompen, nep; ME shoddy
scoer = onweer; TW+AH skoer
scof = schouder; AH schof
scofen =A scufan
scoff = schoft; WA skoft
scoffan = ww schofferen
scoftan = schaften, eten; AH schoftn = schaften, pauzeren
scoh {mv scoes} (sco) = schoen, hoefijzer; KA scoh; ON schoo, scoe, schoe; WA skoe(n); GR schoe; ME shoe
scohan = paard beslaan met hoefijzer; ME shoe
scolapel = schoenlepel
scold = grond, oorzaak, reden
scoldan = schelden, uitschelden, uitfoeteren
scolde >A sceal
scolder [sjolder] = schouder; WA skolder; ME shoulder
scoldook = schort; AH scholdook
scoll = ondiepe plas of kolk; VWoud scholl
scolt =A scowt
scoltdom =A scowtdom
scoltin =A scowtin
scomakere = schoenmaker
scomakery = schoenmakerij
sconbeorg = mooie berg
sconan = schonen, verschonen, schoon maken
scone (sciene) = schoon, mooi, prachtig; KA scone; WA skoon; LB skon
scop = schiep (v ww scieppan)
scop [skop] = schop, schep; WA skop; ME scoop
scop = minstreel, verhalenverteller
scoppa [sjoppe] = schuur, winkel; WA schup, schoppe; ME shop
scoppan = ww schoppen; WA skoppen
scoppan = winkelen; ME shop
scor (scar) = schor, schoor = snede, inkeping, inham
scor (scar) = schor = stuk grond; VW schor, schar
scor (score, sora) = schor, schoor = oever, kust; OE schore; ME shore
scor (gorse) = schor = gors, aangeslibt land, kwelder
scor = schor = buitendijks aangeslibt land dat alleen bij hoog water onderloopt
scor = scheur, gat, kier, opening, kloof, etc; ON score, scuere
scor (scur) = zware bui; TW+AH schoer >A scur
scoran = schuren, krassen, strepen, striemen; AH schoern = ww schuren
scoran = scoren, turfen = aantal bijhouden
scorc = schurk; AH schŲrk
score (scere, scyr) = stuk land afgesneden van een groter gebied, stuk afgescheurd (afgesneden) land
score (scor) = schor, schoor = aangeslibt land, steile oever, kust; ON schorre, schoore; WA schoar; ME shore
score = schoof, graanschoof, bundel; VW+WA schoar
score (scorstin) = schoorsteen; AH schossteen
scoref (scurf, sceorf) = schurft (# huidziekte); ON scoref, schorft
scoren >A scieran
scorsenere = schorsenier (# groente)
scorstin (scorene) = schoorsteen; AH schossteen
scoru = kerf, kras, streep, striem; ME score
scoru = score, rekening, twintig
scorweal = schoorwal, kustwal, duinwal
scosle = schoeisel
scostre = schoenmaker; AH schoester
scot (scut) = schot, schut, beschutting, schuilplaats, stal; ON scoet; WA skot
scot = schot, plank, bord, schutting; WA skot
scot = schuur, stal, hut, veehut, hok; AH schot
scot = scheut, loot, rank; WA skeut
scot = schot = koe die al 1x heeft gekalft
scot = schot (# zalm of forel)
scot = belasting
scot = cynsgoed = goed waarvoer cyns betaald moet worden; OV scoet
scot = hok, varkenshok; WA skot
scot = schot, lading, vracht; WAoud scot
scot (scoat) = afgebakend stuk grond; WA skot; WAoud schot
scotacre = schotakker = korte akker
Scotas = Schotten
scoter (sceoter) = assistent van marke- of boerrichter; WA skoter
scoting = schieten, geschiet, projectiel
Scotland = Ierland
scotport = valdeur; ON schotporte
Scottas = Schotten, Ieren
scour (scure) = schuur; WA schoer
scow = schouw, platbodem, veerboot (# boottypen); ON scouw
scow = bedrag aan geld en goed; WA schowe
scowan (sceawian) = schouwen, beschouwen; WA skouwen
scowt (scolt) = schout, schulte = bestuurder, gerechtsdienaar; KA scolt; ON scout, scolt
scowtan = ww schreeuwen; GD shoot
scowtdom = schoutambt; KA scoltdom; ON scoltambt
scowtin = vrouwlijke schout; KA scoltin; ON scoutinne
scoyran = ww schooieren; WA skooieren
scoyre = schooier; WA skooier
scrabban = ww schrappen; SF scrab
scrade (scrode) = strook land; VW schrode, schro, schra, schraat
scrae = schraal; AH schrao
scraef = grot, kelder
scraeg = schraag, steunbalk; WA skraag
scraegan = ww schragen; WA skragen
scraema (srewe) = schreeuw, gil
scraeman (screawan, srewan) = schreeuwen, gillen
scraemaseaxe = scramasaxe = scherp zwaard met giftige snijkant
scrallettan = luid schreeuwen
scrapan = schrapen, schrappen; ME scrape
screac = schrik, afschuw
screacan (scearan) = schrikken; KA scearan; WA scrikken; AH skrieken; ME scare
NB Schriekseweg Wals/Achterhoek
screade = schrot, afval
screadere = schredder, verschrotter; ON screuder
screadian = scheuren, stuk snijden; ON scroden, scroten; ME shred
screaf = schreef; WA skreef; WAoud scraeff
screawa = feeks, spitsmuis
screawan (screwan, scowtan) = schreeuwen, schelden; TW skreewen
screawet = bn sluw, slim, gewiekst
screncan = beperken, hinderpaal opstellen, misleiden; ON screnken
screor = kleermaker; ON schreur
screp = schraapsel, stukje; ME scrap
screpan = schrapen, schrappen, krabben; WA skrapen; ME scrape
screpe = geschikt
screwe (scraema) = schreeuw; WA skreew
screwan (screawan, scraeman, scowtan) = schreeuwen; WA skrewen
scriba = schrijver, geleerde; ON scribe
scriban = schrijven; TW skriven; ME scribe
scriccan = schrikken; TW skrikken
scridhan = schrijden; WA skrieden
scrifan (writan) = schrijven; WA skrieven
scrifere (writere) = schrijver, notulist, notaris; ON scrivere; TW skriever
scrin = schrijn = kist, kast (# meubels)
scrincan = krimpen; ON schrinken; ME shrink
scrit = kruis van broek; AH schrit
scrobban (scrubban) = schrobben, schoon maken; TW skrobben; AH schrobm
scrod = strook grond; KA scrod; VW schraat, schrode
scrop = voorzorg, munt; ON scroep
scrode =A scrade
scrote = schroot, afval van hout of metaal; WA skroot
scrubba = schrob, harde borstel
scrubban = schrobben; WA skrobben
scrud = lijkwade; ME shroud
scruddan = bedekken
scrybb = heester (# plant); ME shrub
scud = afval; AH schod
scuddig = vervuild, vervallen; AH schoddereg
scufan = schuiven, duwen; AH schoevn; WA skoeven
scufe = schuif of grendel van deur; AH schoeve
scuffel = schoffel; WA skuffel
Rond 235nC woedt een hevig veldslag tussen Angelen en Romeinen in Harzhorn bij Oldenrode, ten zuiden van de stad Hannover in Noord Duitsland. Tijdens recente opgravingen aldaar zijn o.a. gevonden schoffels van ijzer. De regio Oldenrode wordt rond 250vC bevolkt door Angelen uit Lunenburg. De vondst van de schoffel in Harzhorn bevestigt derhalve dat de Angelen rond 235nC zeker al ruime tijd landbouw bedrijven.
scuffelan = schoffelen, schuivelen; WA skuffelen
sculan = schuilen; ON schulen; WA skulen
sculder = schouder; WA skolder; ME shoulder
scullan (sceallan) = zullen
sculon = zullen, moeten; ME shall
scult = schuld; ON scult; WA skuld; WAoud schuld (mv schulders)
scultan = schuldig zijn; schulden (mv van schuld)
scultmate = maat om graanbelasting te meten; ON scultmate
scuman {scumt, scumet, scumt} = schuimen
scume = skum, schuim, tuig
scun = schuin; AH schuuns; WA skuun
scunc = skunk, stinkdier
scunglig = schooierig; AH schungeleg
scunnert = schurk, hufter
scunnig = schunnig, grof, bot; WA skunnig
scur =A scure
scuran (scurran) = scheuren, hard rijden; WA skeuren, skuren
scurbeorg = vluchtheuvel, vestingwerk
scure = scheur, stuk afgesheiden land
scure (scur, scyr) = bui, regenbui; ON schoer; WA skoer; ME shower
scure (scour) = schuur; WA skuur, schoer; WAoud schure, schuer
scurf (sceorf, scoref, drope) = schurft; ON scuref; WA skurft
scurfacre = schurftakker = land waarop weinig wil groeien
scurran =A scuran
scurre = soort paardekar
scut (scot) = schut, schot, beschutting, schuilplaats, stal
scut (scot) = afgrbakend stuk land; VW schot
scutan = schieten; ME shoot
scutan (scuttan) = schutten, sluiten, beschermen
scutbeor = schuttebier; WA skutbier
scute = schuit, platbodem, boot; ON scute, scuyt; WA skuit
scutel = schotel; TW skuttel; AH schŲttel
scutemakere = schuitenmaker
scutemakery = schuitenmakerij
scuteman = schipper; ON scuteman
scuttan (scutan) = schutten, opsluiten, beschermen; WA skutten
scutting = schutting, beschutting; WA skutting; WAoud schuttinge
scuw (sceoh) = bn schuw, vergen; TW skuuw
scuwan = schuwen, verafschuwen; TW skuwen
scydan = scheiden; TW skieden, skeiden
scyde (scide) = scheiding, grens; ON scheid; VW schiet; TW skeid, skeed
scydere = scheid, scheidsrechter, grensrechter
scydwaeg = scheidweg, grensweg
scylan = ww zullen; ME shall
scylf =A scelf
Scylga = Terschelling
scylt = schuld; ON sculd; WA skuld
scylun (scyl, scold) = zullen
scynan (scinan) = schijnen, stralen (# licht); KA scinan; TW skijnen; ME shine
scypan = scheppen, schapen, creŽren
-scype (-scap, -scip) = -schap; TW -skap
scypen = koeiestal
scyr (scir, sceare, scar, scure) = afgesneden stuk land
scyr (scir, sceare, scar, scure) = scheur, inkeping, inham, geul; ON scere, scheere; WA skeur
scyr (scir, sceare) = scheur = stuk afgescheiden of omgeploegd land; WAoud skort
scyr (scure) = bui; WA skoer
scyran (sciran) = scheuren, afscheuren, verdelen; TW skeuren
scyran (sciran) = scheuren = diep omploegen van weiland bouwland te maken; ontginnen
scyre (scire, scar) = afgescheurd land, ontgonnen land
scyre (scire, scar) = gewest, zone; ON scere, scheere; TW skeur; ME shire
scyret = afgescheurd
scyrt {AVA scyret} = stuk afgescheurd land; TWoud skeurt, skort
scyrte = schort, rok, hemd; TW skort
scyrthwang = scheurdwang = plicht om deel weiland om te zetten in bouwland
NB Scheurweideweg in De Hooven bij Voorst/Zutphen.
scyrweda = scheurweide = gescheurde weide
scyte = scheut; TW skeut
scytel = schotel; TW skotel
scytta = schutter; TW skutter
scyttan = schutten, grendelen, sluiten; TW skutten
se = ze, zij, hij, deze (> he); ON se = ze, haar; mv ze, hun, hen; TW se; EZ se
se the monna = deze man
seadh = put, plas, poel (=A pol)
seag (syp) = zijp, stroom, beek, sloot, wetering; LM seeg
seagal = zegel
seagalan = zegelen
seah = ziet (v ww zien); ME see
seal (sele) = zeel, touw, riem, zijl; AH zeel; WA zeal; ME sail = zeil
seal (sealh, sale, welig) = wilg, omheining van wilgetenen, schutting, erfscheding, omheide ruimte; sele
sealde = gaf, verkocht (AVA sellan = geven, verkopen)
sealf = zalf
sealfian = zalven
sealh >A seal (wilg)
sealkere = zeelmaker, zijlmaker; WA zealker, selker
sealla = verkoop; ME sell
seallan {seallet, sealde, seold} (sellan) = geven, verkopen; ZW sšlja [selja]; ME sell
sealmakery = zeelmakerij, zijlmakerij
sealt (sawt) = zout; ON solt, salt; DR zolt; TW solt; ME salt
sealta = zoutveld = veld met veel zout; ON solthe
sealtdic = zoutdijk, zoutendijk; WA soltendieck
Vrij zeker dijk waarlangs zout werd vervoerd.
sealtan (sawtan) = zouten, inzouten, insmeren met zout tegen bederf; # vis, vlees; WA insolten
sealtfaet = zoutvat = vat waarin zout wordt bewaard; WA soltvat
sealtmine = zoutmijn
sealtpanne = zoutpan = groot gat of kuil waarin zout water wordt gedaan om te laten verdampen door de zon; daarna wordt het zout eruit geschept en verder bewerkt > PgAng/Zout
sealtscepp = zoutschep = groot houten schep waarmee zout wordt opgeschept
sealtseath = zoutput
sealwaegn (cladwaegn, hodcarre, hufcarre) = huifkar; WA zealwaegen
LT zijlwagen; zijl = tentdoek
seam (some) = zoom (# stof, weefsel, kleding), rand (# bos, veld, e.d.)
seant (sindel, sinder, seant) = sintel; TW seent, sent; WA sendel
sear = bn zoor = droog, scherp, ruw
seara = verstand, wijsheid
searp (sarp) = scherp, bitterzoet, wrang
searu = verstandig, wijs
seath = put, bron
seatul = zetel, stoel
Seax = Sax
Seaxe = Saxen
Seaxe = bn Saxisch
seaxe = sax (# kromzwaard); DN saks = schaar; > PgAng/saxe
seaxnot = Saxgenoot, Sax, zwaardgenoot, strijdgenoot, strijdmakker, wapenbroeder
Seaxum = Saxenheem, Saxenland
sec =A secg; NB secta
secan {sect, soht, soht} (socan, sycan) = zoeken, bezoeken, gaan naar, aanvallen; ON soken; WA seuken, soken
secar = zeker, veilig
secarnis = zekerheid, veiligheid
secg = zegge, cypergras (# veenplant); WA sek, zek, zekgras; ME sedge
secgan (sayan) = zeggen; ON secghen; WA zegn, sekgen, seggen (he segt, he see, he hev segd); EZ saj; ME say
secgan, he secgt, he see*, he hev secged
secgere = zegger, iemand die zegt; GD segger
secgfeld = zeggeveld = veld waar veel zegge groeit
secgum {AVA ww secgan} = zeggen, gezegd, gezegd hebben
gesewen secgum = gezien en gezegd
secpol = poel (drasland) waar veel zegge groeit
secta = zeggeveld; WA zekte; >A secg
NB Zekteweg in De Pollen (Geesteren/Twente)
secwaeg = weg waarlangs veel zegge groeit; WA zekweg
NB Zekweg in Zelhem.
secweard = zegwaard = waard waar veel zegge groeit
sedel = cedule, lijst, schriftelijke verklaring; WAoud seedell
sedewaere = wormkruid; ON sedeware
seer = zeer; WA seer
seferan = zeveren, kwijlen
segan (besegan) = belegeren, overweldigen; KA segan; ME besiege
sege (besege) = belegering, overweldiging; KA sege; ME siege
segel >A segl
segl = zeil; ON seil; WA siel, siele; ME sail > siglan
seglan = zeilen; ME sail
segan (sayn) = zegen; ON seghen, sein
segnian (saynan) = zegenen; ON seghenen, seinen
sel = bron
sel =A sels (huis)
sela (sele) = huis met kamer, zaal
seldan = zelden; ME seldom
seldsiene = zeldzaam
sele {mv seli} (zaal, huis) =A selle (zaal, huis)
sele {mv seli} (seal) = zeel, touw, riem; WA zeal
Selehem = Zelhem/Achterhoek > PgAng/Zelhem
selest (sel) = bron
self = zelf; GD sel; ME self
seli {ev sele} = zalen
sell = zel = deel van paardetuig; AH zeln
sellan (seallan) = geven, verkopen
Selle = mansnaam > PgAng/Sel
selle {mv seli} (sele, sale) = zaal, huis, hoeve, woonstee; KA selle; WA selle; ON sale, sele
NB Sellegood in Leusveld/AH: oude hoeve
selle (sel, sil, sille, sul, sulle) = februari
Sello =A Selle
selscip = gezelschap; WA selskap
sem (sone) = zoen
seman = zoenen, verzoenen
semninga = plotseling
sen = weide; WAoud sen
sen (sin) = richting, kant; ON sen, sin
sendael (sindael) = linnen, neteldoek; ON sindel
sendan (sendon) = zenden; ME send
sendon =A sendan
sendtan = aanroepen van goden
sengian = zengen
senman = herder
senn = zeen, pees; ON sene; WA zenne
sent = heilig; ON sente
see >A wesan
sen = zeen; AH zenne
seo =A se
seoc (sic) = ziek; KA sic; ON suk, siec; WA seek; MC [siek]; ML sakit; ME sick
seochus (sichus) = ziekenhuis; KA sichus; ON siechuus; WA sekenhoes
seocman (sicman) = zieke, patient; KA sicman; ON siecman
seocnis = ziekte; ON suke
seofa (sugt) = zucht
seofian (sugtan) = zuchten
seofon = zeven; AH zeuvn; WA seven; WAoud soven; EF+ZW sif
seofontig = zeventig; SH seventi
seofotha = zevende
seog (sugu) = zeug
seogbugge (wudlus) = pissebed (# insect)
seolc (say) = zijde (weefsel, stof); ME silk
seolcen = van zijde
seolfor = zilver; WA sulver
seolformine = zilvermijn
seolh = zegel
seon = zien, kijken
seote (swete) = zoet, lief, aardig, mooi; ON suete
seotelere = zoetelaar = vrouw van vermaak die achter een leger meeloopt; ON seotelaar
seothan = zieden, koken, braden, smelten; ON sieden
seow, seowe = zaait >A sawan
sepe (sipe) = beekje, stroompje, sloot; KA sipe; TW siepe; VW sepel; WAoud sepel
sepel =A sepe
sepelan (sipelan) = siepelen, sijpelen = traag stromen
septa (sipta) = drasland met veel stroompjes; KA sipta; WA siepte
septembre = september; ON septembre
set (side) = zetel, woonplek; ME seat
set = poosje, soms; AH zet
setl (sitl) = zetel, woning, verblijf
setlan = settelen, vestigen
setlere = setler
setnes = besluit, wet, verhaal
settan = zetten, taxeren, benoemen
sette = zit, set, stand, ligging, loop, etc
settere = taxateur; WAoud setter
sewen {see, sew, seen} = zien; WA see (seen: gezien); LB seen; EZ siin
seen, seet, seen; Ic see, ye/he/se/we/ye/se seet; Ic hev seen, etc; Ic had seen, etc<
seyan {seyt, seyet, seyd} (sayan, secgan) = zeggen; GR seien; VW+OA seyen
seydan = zeiden (vt seyan); WAoud seden
Seynt = Sint
seyr = bn zeer; TWoud seer
seys (sithe) = zeis; AH zeise
seysan (sithian) = zeisen, maaien
seyssnoad = houten handgreep met armsteun aan zeis; AH zeisensnoad
seysstric = lat om zeis te scherpen; AH zeisnstrik
seyssunne = seizoen; TW seizunne
shaman = sjamaan
si (sy) = zij = laag, laag gelegen; KA sy; TWoud/sy; AH sieu, zieu
NB PgAng/Zieuwent
sib =A sibb
sibb = vrede
sibb (sib) = sibbe = familie, verwante; ON sib, sibbe
sibroc (sybroc) = zijbroek = laag gelegen broekland
sic = pv zich; ON sig, zig; AH zik; WA sig
sic = zeik, beekje; WA sek
sic (seoc) = bn ziek, ziekte; KA sic; ON suk, siec; WA seek; MC [siek]; ML sakit; ME sick
sic (sugt, seofa) = zucht; KA sic
sican (sugtan, seofian) = zuchten; KA sican; ME sigh
sican = zeiken, pissen; WA zieken
siccan = maaien, oogsten
sichus (seochus) = ziekenhuis; KA sichus
siclic = zieklijk; AF sieklik
sicman (seockman) = zieke, patient; KA sicman
sicnis (seocnis) = ziekte, aandoening; KA sicnis; ME sickness
sicman = maaier, oogster
sicol = sikkel
sicsticc = zeisstok = stok om koren bijeen te trekken en dan met de zeis maaien; TW zigstik; vorm = angolstok; > PgAng/Angolstok
sict (sidh, sihth) = zicht (mbt zien); ZW sikt [siekt]
sict (sigdhe) = zicht = zeis met korte steel; AH zich; WA zigge
sictan (sigdhan) = zeisen, maaien
sid (sith, sidh, sihth) = zicht; WA sied; KA sith; ZW sikt [siekt]; ME sight
sid = bn wijd, lang, afhangend
siddan = gaan
he siddan east = hij ging oostwaarts
side = laag, diep
side = zijde, land; ON side, syth; TW siede; AH zied; ME side
side (set) = zetel, woonplek
sidh (sid, sith, sidh, sith, sihth) = zicht; WA sied; KA sith; ZW sikt [siekt]; ME sight
sidh = laat; ON sider = sedert; OD sit
sidhdhan = scheiden
sidhdhan = gescheiden
sidhdhan = sinds, sindsdien
sidram = afgezonderd, afgelegen
Sidram = Sinderen/Voorst (Achterhoek)
sidre = cider, appelcider = drank gemaakt van appels
sidu = zede
-siene = -zaam, -zame
sieo [sjeu] = sjeu = elan, top, het beste
sieo [sjeu] = tooi, pronk, sieraad; GR sjeu; TW sjeu
sieo [sjeu] (sceawa) = schouw, vertoon; GR sjeu; TW sjeu; ME show
sieo [sjeu] = sju, saus; GR sjeu
sieoweand = hoge akker > PgAng/Zieuwent
sierwung = verraad
sieth = ziet (v zien)
siex = zes
siexta = zesde
siextiene = zestien
siextig = zestig
sifan (siftan) = ww zeven
sife (sift) = zeef; ME sieve
sift =A sife
siftan =A sifan
sigan = zijken, zinken, druppelen
sigdhan (sictan) = maaien
sigdhe (sict) = zicht = zeis met korte steel; WA zigge
sige = zege, overwining; ON seghe
sige heafan = zegevieren, overwinnen
sige haefdon swa hwaer swa hie comon = hij zegevierde waar hij ook komt
siegefaest = victorieus
sigel (sayl) = zeil; ON seil
Sigerdachurcke (c 1250nC) = kerk van Siddeburen; > PgAng/Siddeburen
siglan (siglian, saylan) = zeilen; ON seilen; ME sail
siglere (saylere) = zeiler
siglbot = zeilboot
siglian =A siglan
sigor = winnaar, overwinnaar
sihth = zicht (mbt zien); ZW sikt [siekt]; ME sight
sihth (gesihth, gesait) = gezicht, zicht, aangezicht; KA sihth; ZW sikt [siekt); ME sight
sile = zijl, waterloop
silfest = zijlvest, waterschap; GR/1385 sylvesting
silfesting =A silfest
silfren = zilveren, van zilver
silland (sylland) = zijlland = afwateringsluis, waterloop
sille = drempel, dorpel, fundament, grondlaag, steun; WA sul
sille = februari >A selle
sille = landmaat: stuk land dat in ťťn dag geploegd kan worden; ON sille, sulle
silt = bn zilt
siltan = verzilten, dichtslibben
siltig = ziltig
sima = snoer, touw, koord, veter; NV sim
simle = altijd, durend, continu
sin = zin, betekenis
sin = zin, behoefte, verlangen
sin (sen) = richting, kant; ON sen, sin
sin = bz zijn; ON syn; TW sien; AH zien
sinan {is, waes, west} (aran, bennan) = ww zijn; EZ sin
Ic bun, ye bunt, he/se is, we/ye/se sunt (WA+SW sund)
sincan {sinct, sunc, suncan} = zinken, zakken, dalen; ON sinken; OE sincan; ME sink
sind = zijnde
sindael =A sendael
sindel (sinder, seant) = sintel; TW seent, sent; WA sendel
sinder =A sindel
sinderan = zinderen
sindon = zijnde
Singsene = Pinksteren
siniga = het zijne, van hem
al that sinige = al het zijne
singan (cantan) = zingen; ME to sing
singere (cantere) = zanger
sins = zijns, van hem; TW siens; TWoud sins
sintan = vrouwenmantel
sinu = spieren, spierkracht
sinuw = zenuw; ON senuwe; WA senuuw
sinuwgud = zenuwgoed (# valeriaan, kruid)
sipe (sepe) = beekje, stroompje, sloot; KA sipe; TW siepe; VW sepel; WAoud sepel
sipe (sepe) = drasland, vochtig laagland
sipel (sepel) =A sipe
sipel > sypel (ui)
sipelan (sepelen) = siepelen, sijpelen = traag stromen
sipian (sypan, sypalan) = siepen, siepelen, sijpelen
sippan = sippen, zuinig drinken
sipta (septa) = drasland met veel stroompjes; KA sipta; WA siepte
sissan (hissan) = sissen, sissend gluid maken
sissan (pissan) = sissen, sassen, plassen, urineren
sith (sid, sidh, sihth) = zicht; OA sith; KA sith; WA sied; ME sight
sith = zit, achterste; WAoud siet
sith = reis
sith = achter; WAoud siet
NB Sietweg (= Achterweg) in Vorden.
sithe (seys) = zeis; ME scythe
sithe = zeisvormig wapen met lange steel; ME scythe
sithfaet = reis, weg
sithian = reizen, gaan
sithian (seysan) = maaien
siththan = sinds, sindsdien, vanaf, na, toen
sitl (setl) = zetel, woning, verblijf
sito = direct, dadelijk; AH sietoo
sittan = zitten, liggen, gelegen zijn, zich bevinden, wonen; ON sitten; NH [sitten]
sittan = zitten, settelen, blijven
sitte = zit, bank, woning
sittel (sitl) = zetel, stoel
sittelere = stoelenmaker; TWoud sitteler
NB Sittelersweg in Holten/Twente.
siweand (syweand) = zijakker = laag gelegen akker; KA syweand; AH sieuwent > PgAng/Ziewent
siwian (nayan) = naaien; KA siwian; ME sew
sjaggan = aan de zwier gaan; AH sjasken
sjaggig = verwaarloosd; AH sjaks
sjoggig = drassig; AH sjoekseg
skaet = schaats; WA skaats
skaetan = ww schaatsen; TW skaatsen
skufan (sceofan) = schuiven; TW skuven
skyt~ >A scit~ (schijt, etc)
sla = slee (# pruim); ME sloe
slac (slug) = slak; traag; ME slug
slace = slaak = bij storm rustige plek aan zee
slace (slaece) = slijk, moddervlakte; GD slake
slacian = traag zijn, vertragen
slacis = traag, langzaam
slat = laag en drassig land; AH slat
slathorn = sleedoorn (grote struik met doorns)
slaec =A slaeg > PgAng/Maarslag
slaeg = slag = deel, part
slaeg (slagg, slaec) = slag = nat laagland; ON slach > PgAng/Oxe
slaeg (slaec) = stuk grond onttrokken aan gemeen gebruik
slaeg (slagg, slaec) = slag = deel van grote kavel
slaeg (slagg) = perceel, stuk land; VW slag
slaeg (slaec) = slak(ken), sintel(s); ME slag
slaegal = slag, zwengel; AH slaegel = zwengel
slaegan = slaan, treffen
slaengan = bevallen, aanstaan; TW/Rysen slaang
slaengan up = aarden naar; TW/Rysen slang up
slaepan (slapan) = slapen; KA slaepan. ME sleep
slaet (salaet) = salade; AH slaot; ON slaett
slag = slag, klap
slagan (slean) = slaan, verslaan, hakken; TW slagen
slagg =A slaeg
slaggere (slagman) = bewoner van slagg (= een stuk land)
slagman =A slaggere
slagmylen = slagmolen = oliemolen
slagsticc = slagstok = slagwapen
slahan = slaan, neerslaan; ME to slay
slapan (slaepan) = slapen; KA slaepan. ME sleep
slath = slijk, modder, bagger; NV slat
slath = moerassig gebied; AH slat
slath (slut) = sloot, plas, slatland; WA slat, slot, sloet, slut; > PgAng/Slath
NB Sloetsweg (Hengelo, Denekamp), Slotweg (Wichmond).
slatharan = knoeien met vloeistof; AH slatern
slathorn = sleedoorn (# struik)
slathland (slath) = slatland, strook bebost drasland met sloten > PgAng/Slath
slaw = sluw, traag, langzaam; WA slauw; ON slee, sleew
slawrig = ziek, traag, mat, lusteloos; TW sloerig
slawtha = traagheid, luiheid; ME sloth
slea = drasland; TW slea
slea = bot; AH slee
sleac = gelijk, vlak, plat, effen; ON sleec
slaec = gladde weg of vlakte, vlakke plek; ON slake
sleac (slace) = slijk, moddervlakte, modderig drasland; KA sleac; VW sleek; GD slake
sleac = slak = afval, sintel; NV slak
sleac = slak (# dier); TW slak
sleac = slak = gestolde smelt van ijzer en zandkorrels = restproduct smelten van ijzer; TW slak
sleac = slap, lui, traag; ME slack
sleacan = sloffen; AH slaksen
sleacaran = flodderen; AH slakkern
sleacig = traag, langzaam, lui
sleaf = sleef, pollepel, soeplepel; WA sleef
sleag = slecht, ziek; TW slecht; AH sleeg
sleag (sleigh) = slechte grond of weg; KA sleag
NB Sleeg: weg bij Babberich en 't Sleeg in Ulft
sleagel = zwengel; TW+AH slegel
sleagmal = telkens; AH slagmaols
sleam = slank, smal; WA sliem; ME slim
NB Sliemkampen: straat in Westerbork.
sleam = slijm, slijk, modder; ON slim, slem; TW sliem; ME slim
sleam = smalle strook land; WA sliem
NB Sliemkampen: straat in Westerbork.
sleamp = flinke scheut, grote hoeveelheid; TW sleamp
sleampan = zuipen; TW slempen
slean (slagan) = slaan, verslaan, hakken, houwen; KA slean
slean = aanvallen, doodslaan, vermoorden
slean = verslagen, vermoord; OE slain
slean (slene, sol) = sleen = laagte, inzinking in de bodem; TW sleenke; WAoud slenne
NB Sleen/Drente, Sleendiek/Orvelte, Slennebroek/Dalfsen.
sleanc (sleang) = slank, slap
sleancan (sleangan) = slinken, verslappen, slap worden
sleang = laag, ordinair
sleang (sleanc) = slank, slap
sleangan (sleancan) = slinken, verslappen, slap worden
sleangan = slingen, slingeren, schelden
sleangere = slinger
sleascatt = muntrecht; ON sleescatte
sleat = dun stammetje; AH sleet
sleat = slijtage, vod, rommel, natte sneeuw; ON sleet, sete
sleatan {slett, slett} = slijten, nat sneeuwen
slecg = slagmes; ON sleg, slegge; ME sledge
slecg (slecghe) = houten hamer; KA slecghe
slecghe (slecghe) = houten hamer; KA slecghe
sled (slegh) = slede, slee, arreslee
sleddere = sleekoetsier
slegan {slegt, sloget, slogt} (slean) = slaan, slachten, afslachten, doden
slege = slag, moord, afslachting
slegere = slachter, slager
slegery = slagerij, slachterij; WA slachterie
slegg = sleg, slegge, slei = houten hamer; ON sleghe, slegge
slegh (sled) = slee, slede
slegmaent (octobre) = slachtmaand, oktober
sleigh (sleag) = slechte weg; KA sleag
slempan =A sleampan
slender (slinder) = dun, slank; KA slender; ON slender, slinder; ME slender
slene =A slean
slenc (sleng) = inzinking in land; WA sleank, slaang
slenc =A slinc
sleng = slenk, geul, geuldal, moddergat; TW slaang
slenk = langgerekte laagte, geuldal
NB DeSlenke/Leuvenheim is een geuldal parallel aan de Yssel. #FRI/nov2014
slengi = slenken = gebied met veel geulen of moddergaten
sleof = sleuf, smalle greppel; AH sleuve
sleonan = hakken, kappen; ON sleijnen; TW sleunen
sleone = hakhout; WA sluine
sleot = sloot; AH sleut
slep >A slepon
slepcarre (ceapcarre) = kiepkar, stortkar; TW slepkarre; SL slepkar
slepon >A slaepan
sleppan = slepen; TW sleppen; AH slepm
sleprig = moeizaam; AH sleppereg
Sleswic (Slewick) = Sleeswijk, Sleswig in Sleeswijk-Holstein, Noord Duitsland
slete = dunne boomstam, paal; TW sleet, sliet
sleth = grillig gevormd lapje grond; TW slet
slett = bw+bn versleten; TW slet
slew = wilde pruim (# vrucht); ON sleu, slee
Slewick (Sleswic) = Sleeswijk, Sleswig in Sleeswijk-Holstein, Noord Duitsland
slewthorn = sleedoorn = wilde pruimenboom
slibb = slib, klei; MC slib; ME slib
slibban = slibben, aanslibben, dichtslibben
slibwaru = LT slibwaren = aardewerk gemaakt van slib; ME slibware
slic = slik, slijk; ON slick, sliec
slic = zacht, glad, listig; ON sleec
slicc = slok
sliccan {slicct, slocc, slucceth} = slikken
slician = sluipen, glad maken, polijsten
slictian = ww eggen; AH slichtn
slidan {slidt, slid, slidan} = glijden, glibberen; ON sliden
slidder = bn+bw glad, glibberig
sliefan = iets aantrekken
sliefe (slyf) = sloof, sloop (kussenovertrek); ME sleigh
sliefran = langzaam lopen; AH sliefern
sliepan = aan- of uittrekken
slieran = glijden; AH sliern
Sliesthorp = oude naam voor Sleswig in Angeln (N Duitsland)
sligt = slecht; ON slicht, slecht
sligt = effen, vlak, plat, eenvoudig, slechts, gewoon; ON slicht
sligtan = slechten, vlak maken, slopen, bijleggen (conflict ed; ON slichten
sligtlig = lichtelijk, enigszins, iets, ietwat; ME slightly
slim = slijm, slijk, modder
slim = bn slim, sluw, bar, slecht; WA slim, erg, zeer, beroerd
slinc =A slenc
slinc (slenc) = bn links, linker
Slinc = de Slinge (rivier in de Achterhoek)
slincan {slinct, slonc, sloncan} = slinken, minder worden
slincan {slinct, slunc, sluncan} = kruipen
slince = linker hand; ON slinke
slincs = slinks, sluw, verkeerd, listig; ON slincs
slindan = verslinden, verzwelgen, inslikken; ON slinden
slinder =A slender (dun, slank)
slinder = slang (# reptiel)
slingan = sluipen, slingeren
slipp = schort, schoot; AH slippe
slippan = ww slippen
slitan = slijten, scheuren, splijten
slocan = slikken; AH sloekn
slocc = los, slap; AH slok
slodd = rommel, wildernis, woestenij; WA slood
NB Slood: oude buurt in Hoogeveen
sloddig = slordig; WA sloddig
slofan = sloven, uitsloven
slofe = korte schort voor grof werk; WA sloow
slog >A slean
slogon >A slean
sloh = moeras; ME slough
slohcumb = helling bij een moeras
slog = slag
slogan = slachten, afslachten
slogt = slag, slacht, slachting, afslachting; ON slacht
slogtere = slachter, slager
slogterhus = LT huis van de slachter = slachthuis, slagerij
slogthus = slachthuis
slomp = grote hoeveelheid; AH slomp
slond = mond, kolk, afgrond; ON slont, slunt; AH slonde
slond = slonde = werkschort
slop = helling, schuilhoek
slop = luik, gat, nauwe doorgang; DR+AH slop; WA slop
sloptende = luiktiende = tiende die in de herfst werd betaald door 't slop op de deel; WAoud sloptiende
slot (loc) = slot, grendel
slotmakere = slotenmaker; ON slotmakre
slotmakery = slotenmakerij
sloup = sloep (# boot); ME sloop [sloep]
slourig = vermoeid, niet fit; AH sloereg
slouse = sluis; TW sloes, sloeze; ME sluice [sloes]
NB Sloezenweg/Hengeveld
slouw = sluw, traag, langzaam, sloom, lui; DR+AH slouw; WA slouw
slouwan = bedriegen, vertragen, luieren
slouwdha = sluwheid, traagheid, sloomheid, luiheid
slove = slonzig; AH slove
slow =A slouw
slowthe =A slouwdha
slufhacc (horscrodd) = reukgras (# onkruid); WA slofhakke, horskroed
slug (slac) = slak; bn traag; ME slug
slump = rommel, rotzooi, wanorde; WA slump
NB Slumpweg in Delden/Twente.
slumpig = rommelig
slumpmaerct = rommelmarkt
slund = mond, keelgat, slokdarm, afgrond; ON slont, slunt
slupan = sluipen
slut (slath) = sloot; WA slut
slutge = drab
slyf (sliefe) = sloop (# beddegoed); ME sleigh
smac = smak, honger, kus; AH smach = honger; smoks = kus
smaec = smaak
smaecan = ww smaken
smael = smal, klein; ON smael, small
#ZWH/p71: Het versnipperd grondbezit gaf een schamel bestaan bij de extensieve cultuur: 'Vele broeders maken smalle goederen'. > PgAng/Boerderij
smaelan = smalen, versmallen, verkleinen; ON smalen; WA smelen
smaelhere = smalheer = ambachtsheer van klein gebied; pleegt rechtspraak in kleine zaken en int belasting; ON smaelhere
smaeltende = smaltiende; ON small; WAoud smaltende
smale = smal, fijn
smarrel = valk (# roofvogel); ON smarel, smeerle
smea = smeuig, zacht; AH smee
smeac = smaak
smeacan = ww smaken
smeacc = smak, zoen, smakzoen, kus; WA smok
smeaccan = smakken, zoenen, kussen; WA smokken
smeaccer = smakker, smakzoen
smeaclic = smakelijk
smeag = smeeg = mager, schraal
smeag = achterbaks, gemeen, laf
smeagan = loeren, overwegen, denken, vleien, bedriegen, ontvangen, interpreteren
smeagd = smiecht = gemene kerel
smeagdan = smachten, verlangen
smeagdland = land dat weinig oplevert; VW smachtland
smael = smal, klein, onaanzienlijk; ON smael; ME small
smeapalan = fluisteren, roddelen; AH smiespeln
smear = smeer, smeersel
smearan = ww smeren
smeart = smart, pijn
smeart = bn knap, handig, vlug
smeartgield = smartegeld
smeat = slag, stoot, duw, klap; ON smeet, smete
smeatan = ww smijten; AH smettn
smec =A smiec
smedh =A smodh
smellan (gyran) = ruiken
smelle (gyr) = geur
smeltan = versieren; ON smelten
smeltan (meltan) = smelten, verteren, vervloeien, ontdooien, vergaan, verdwijnen; NV smelten; ON smelten
smelte = poep, drek, vogelmest; ON smelt
smelte = versiersel; NV ON smelt
smeocan = smoken, roken; AH smookn
smeolan = smeulen
smeoran = smeren, besmeren; ON smeren; WA smeern
smeorbealcge = smeerbuik, vetgans
smeorcears = vetkaars
smeorig = vettig; ON smeerig
smeorland (rutland) = land met veel onkruid; VW smeerland
smeormaent = november; ON smeermaent
smeorre = varkensvet met gebakken uitjes (# broodbeleg)
smeort = smeersel; ON smeerte
smeoru = smeer, vet, zalf, crÍme; WA smear; ME smear
smeorwyrtal = smeerwortel (# kruid)
smic =A smiec
smicre = fijn, sierlijk
smidh (smedh) = smid; KA smidh; ON smid, smed; ME smith, blacksmith
smidhan = ww smeden
smidhcole = steenkool; ON smedecole
smidhdhe = smidse
smidhery = smederij; WA smederie, smitterie
smidhgetaw = smeedgereedschap; ON smedegetouwe
smidhwerc = smeedwerk; ON smedewerk
smiec (smoce) = smook, rook, brandlucht; KA smoce
smilan = lachen, glimlachen
smile = lach, glimlach
smit = el (lengtemaat); WA smit
smitan = smijten, slaan, treffen, raken; ME smite
smitte = smet
smittian = besmetten, bevuilen
smitting = besmetting, bevuiling
smoc = ronde tent met rookgat
smoc (smock) = hemd (# kleding)
smoc {AVA smugan = smukken. opsmukken} = smuk, opsmuk
smoce (smiec, rec) = rook; KA smoce; ON+WA smook; ME smoke
smocere = smoker, roker
smocery = smokerij, rokerij (# vis, vlees)
smocian = smoken, roken; ON+WA smoken; AH smookn; ME smoke
smock (smoc) = hemd
smodd = koperen koffiepot; AH smodde
smodh (smothe, smedh) = effen, even, gelijkmatig, glad; ME smooth
smor = koperen koffiekan; WA smorre
smorian = ww smoren
smos = smoes, roddel, samenkomst, vergadering; WA smos
smossan = smoezen, roddelen, samenkomen, vergaderen; WA smossen
smothe =A smodh
smuc = smuk, opsmuk
smud = smet, vlek, vuil; WA smot; ME smudge
smud = rottend spul, vuil; VW smodde
smudda (aecwaeter) = eekwater; WA smodde, eekwater = water met gerotte eike- of elzebladen
smuddageat = kuil waarin smodde wordt gemaakt; WA smoddegat
smuddan = linnen in een smuddegat weken om het een paars/bruine kleur te geven. Deze kleur voorkomt dat het linnen snel vuil uitziet. WA smodden
smuddig = vuil, bevuild; WA smottig
smudhemedhe = smudhemd = gesmud hemd >A smuddan
smudpott = vuurpot = pot waarin vuur wordt gemaakt; gebruikt in fruitteelt tussen de fruitbomen tegen bevriezing van bloesem; voornamelijk vanaf 6 uur smorgens als de kou het ergst is; ME smudge, smudgepot
smugan = smukken, opsmukken
smugan = kruipen, smokkelen; ON smuigen
smugere = smokkelaar; TW smokkeler
smyltnes = mildheid
snaa (snaw) = sneeuw; ON snew; GD snaa
snaaman (snawman) = sneeuwpop
snaca = ringslang; WA snake = moerasslang
snaca = snaak = jonge jongen
snacca =A snaca
snaccan = snakken naar
snachoc = slangehaak = haak om een slang klem te zetten en in bedwang te houden; lange stok met kromme haak aan einde
snaegl = slak (# schepldier); ME snail
snap = graai, hap, beet, snauw
snapan = graaien, happen, bijten, snauwen
snas = braadspit, vissen aan snoer geregen
snasa = snoer; ON snase
snasan = snoeren, aan snoer rijgen; ON snesen = aan snoer rijgen
snatch (snay) = snaai, hap
snatchan (snayan) = snaaien, happen, pakken
snath >A snithan
snaw (snaa) = sneeuw; ON snew; GD snaa
snawan (sniwan) = sneeuwen; ON snewen
snawdreap = sneeuwklokje (# plant)
snawfeall = sneeuwval
snawflake = sneeuwvlok
snawgos = sneeuwgans (wit met zwarte strepen)
snawhana = sneeuwhaan (# hoender)
snawman (snaaman) = sneeuwpop
snaww = snauw
snawwan = snauwen; TW snawwen
snay (snatch) = snaai, hap
snayan (snatchian) = snaaien, wegpikken, gappen
sneac = stiekem, vals
sneape = aardkluit; NV sneep; OE snape
snear = sneer
snearan = sneren, afkatten
snearian = ww strikken (# jacht, stroperij)
snearu = snaar, strik; ME snare
sneasan = niezen
sneatrian = snateren, kletsen; AH snatern
snecan = kruipen, gluren; ME sneek
snecc = grendel; GD sneck
sneccan = vergrendelen, afsluiten
snecig = kruiperig, gluurderig
snell = bn snel
sneowan = haasten
snicc (towbot) = trekschuit
snicc = snik
sniccan = snikken, huilen
snidha = snit, snede, keep, inkeping, kerf, knipsel, rand, zoom, scherpe kant of hoek, insnijding, inkeeping, wond
snidha = keep = langwerpig smalle inkeping
snidha = langgerekt meer; > PgAng/Sneek
snidhan = snijden, knippen; TW snieden
snidhere (cladhmakere) = kleermaker; ON snijder
snidhery (cladhmakery) = kleermakerij
snidhewind = snijdende wind; LC snithe wind
snifdog = speurhond
sniffan (snuffian) = snuffelen
snipan = snippen, versnippen = in kleine stukkjes knippen
snipe = snip, klein stuk
snipe = bn klein, puntig; ON snipe, sniep; TW snip
snipfen = snipven = spitsvormige ven
NB Snippenvenweg in Saasveld
snithan = snijden
sniwan =A snawan
snoad = snode = handvat van een sikkel; TW snoad
snoad = bv snode = stoutmoedig, boosaardig, slecht, armzalig
socen =A sacan
snod = vislijn
snofan = snoeven, opscheppen
snor = snoer, touw, koord, reeks; ON snore
snor (snur) = straatje, kleine straat; ON snoer; GR snor
snoran =A snorcan
snorcan = snurken; WA snorken; ME snore
snoru = schoonzuster; ON snore, snare
snorwange = glooiend veld langs straatje; ON snoerwang
snot (gesnot) = snot; YK snot
snotdook = zakdoek; AH snotterdook
snote (snout) = snuit, slurf, bek
snotor = slim, wijs, verstandig
snotor = snuiter, slimmerik, wijsneus
snottan = snotteren, huilen
snouc = snoek; ON snouc; WA snook
snoufan = snoeven, snuiven; WA snoeven
snout (snote, snydh, wrot) = snoet, snuit; KA snout; ON snoot, snute; TW snuut; ME snout
snoutan = snuiten; ON snuten; WA snuten
snufan = snuiven; ON snuven
snufbucs = snuifdoos
snuffian (sniffan) = snuffen, snuffelen
snuffle = snuffel, snuit
snur =A snor
snuwan = snauwen
snuwe = snauw
snydh = snuit, snoet
snydhian =A snytan
snytan (snydhian) = snuiten; KA snytan
so = zo; WAoud soo; ON so; ME so
soar = bn dor; TW+DR+VW soar; LB saar
sobban = huilen, snotteren, tobben
sobbig = bn nat, drassig; SH sobbig
soc = sok, sufferd; AH zok
soc (sog, sooke, suc) = drasland, moeras; ON soek; WA suk, zoeke
soc (suc) = rechtsgebied
soca (soka, soke) = recht om een rechtszaak te voeren
soca falda = rechtsgeval, rechtszaak
socan {soc, soht, sohtet} = procederen
socan {soc, soht, sohtet} (secan, sycan) = zoeken, bezoeken; WA soken
socc = sok (# kleding), muil (# schoen)
socian = drenken, zuipen, zeiken
socig (sogig, sookig) = drassig, nat, zeikerig; ME soaky
socland = drasland
sodd = zot, dwaas
sodd = bn zot, dwaas, dom, onnozel; ON sot
sodda =A sudda; AH zodde = modder
soddan = zotten, gek doen
soddcaeppe = zottekap = kap met bellen
sodde = poel; VW zodde, zudde
soddig = miezerig; WA sodde
soddlic = bw zot, dwaas, onnozel; ON sottelek
soddnis = zotheid, dwaasheid, domheid; ON sotheit
sodderny = zotternij, dwaasheid, klucht; ON sotternie
sodenn = zulk, zodanig; WAoud soden
soer = zuur, nors, dwaas; AH zoer
soerprome = zuurpruim; AH zoerproeme
sofeor = zover; WAoud soeveren
softe (saefte) = bn zacht; ON saefte
softnis = zachtheid
sog (soc, sooke) = drasland, moeras
sog = moedermelk; AH zog
sogan = zogen; ON soghen
soggig (socig, sookig) = drassig, moerassig, nat
sohtan {ava socan, secan} = zochten
sok (suk) =A sacu ; WA saok
sokan (socan) = procederen, rechtsvinding
sokman = procedant = iemand die een rechtszaak voert
sol (furh) = groef, geul, voor, ploegsnede = geul gemaakt door ploeg
sol (slean) = laagte, geul
sol (geat, waetergeat, waterhool) = watergat = gat gevuld met water
solbig (soggig, soppig) = drassig
soldar (solre, sulre, loft) = zolder; KA loft
soldar (soldre) = vlakte, zitvlak; TW zolder
sole (solu) = zool, voetzool, schoenzool; KA sole; ON sole; ME sole
soleyn = eenzaam
solmne = gewijd, plechtig, eerbiedig; ON sollemne
solfre (sulfre) = zwafel
solre =A sulre
solre (soldar) = vlakte, zitvlak, dakplat, balkon; ON solre, solder
solu =A sole (zool)
som = top, hoogte
som (sum) = sommig, enig, soms; ON som
some (seam) = zoom, rand; WA som
somma = som, totaal; TWoud somma
somman = iemand
somman = optellen, sommeren
somnian = zamelen, verzamelen
somp = zomp, moeras, bak, Berkelschuit
somtid = somtijds, soms; GR sumtied; TW sumtieds; AH samtied; ME sometimes
sona (spodig) = spoedig, direct, toen; ME soon
sona swa = zo spoedig als
sona thaes the = zo spoedig als
sond (sand) = zand; ON sant
sooke (soc, sog) = lage, drassige grond; WA zoeke, zek
sookig (socig, sogig) = drassig, modderig; ME soaky
soonan (sonian, seman) = zoenen, verzoenen
soone (sem) = zoen, verzoening; ON soene > PgAng/Verzoening
soonbreaf = zoenbrief = acte van overeenkomst; ON soenbrief; WA soenbreef
soonbrec = zoenbreuk; ON soenbrace
soondaeg = zoendag = datum van de verzoening; ON soendach
soonding = bepaling in een zoenbrief; ON soendinc
soongield = zoengeld = te betalen geld ter verzoening
soonian (soonan, seman) = zoenen, verzoenen
soonling = ivm verzoening; ON sonelinc
sop (op) = berg, heuvel, hoogte, top; ON sop, tsop
sopel = bergje, heuveltje; EL sopel
sopp = soep, kookvocht, geweekt brood; ON sop, sope, soppe; ZW soppa; ML sop, sup; ME soup
sopp = sop, afval, vuil; TW soppe
soppan = ww soppen
soppel = soepel
soppelt = nat en drassig veld; VW soppelt >A -elt
soppery =A soppelt
soppian =A soppen
soppig (solbig) = nat, week, drassig; SF soppy
soppig = slordig
sora (sour, scor) = zandgrond, strand, oever, kust, landingsplaats; VWoud sour, soer
sora (sore, sour) = bn dor, droog; TW soar
sora = voorde
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford) = die stad die is genaamd Cerdicesora
soracre = zandakker; VW soerakker
soran = verdorren, uitdrogen
soran = verzuren, zuur worden
soran = zeuren
sorce (burna) = bron
sorcere = sjamaan
sorcery = sjamanisme; ON sorterie
sore (sora) = dor, verdord; TW sor, soor; GR soor; DR zoor
sorcote = overkleed; ON sorcote
sorg (sarg) = zorg, verdriet
sorgan = zorgen
sorgfealdignis (sargfealdignis) = zorgvuldigheid
sorig = zuur, verzuurd; ON sorigh
sorwa (sarg, sorg) = zorg, verdriet, bezorgdheid; KA sorwa; ME sorrow
sosan = zuisen, bonzen
sose = dik, sloom; AH zoeze = dik, sloom mens
sot = roet (# rook)
soth = waar, waarheid
soth = trouw, vertrouwd
soth = trouweling, bondgenoot
sothe {av secan) = zocht >A secan
sothlic = waarachtig, in werklijkheid
sothon = trouwen, huwen > gesothon
sothon >A secan
sour =A sora
spac >A spaec
spaca = spaak; ON speek; AH speek
spada = spade
spadan = ww spitten
spadu =A spada
spaec (spac) = dor, droog, broos, wazig; ON spac
spaec (spraec) = takje
spaec = spaak (van wiel)
spaecum = spatie, ruimte; WAoud spatium
spaetan (spittan) = spugen; DR speien
spai (spie) = spion; ON spi; ME spy [spai]
spaian (spien) = spieden, bespieden, spioneren; ME spy [spai]
spald (speld, spyld) = barst, scheur, kloof, spouw, spleet, opening; ON spald; WA speuld
spaldan = spouwen, splijten, kloven; ON spalden; > spyld
span = spaan, schop; TW spaan, spoan; AH spaon; LM speun
span = span, paar, stel; NV span; ME span
span = spanning
spanc = spang = sieraad, gesp, ring, haak
spanc = plank; ON spainc >A spanga
spancan = slaan, vluchten; ME spank
spancara = spanker = vlucht, vluchtoord, zeiljacht
spancaran = NV spankeren = rennen, vluchten, weglopen
spancere = sieradenmaker, juwelier
spancere = plankenzager
spang = gesp, knip; ON spange
spanga = balk, voetbrug, vlonder
spannan = ww spannen; ME span
sparian = ww sparen
sparra = mus (# vogel); GD sparra; ME sparrow
sparwear = sperwer (# vogel); ON sparwaer
spatt = spat, spet
spattan = spatten, bespatten
spea (scuw) = bn schuw; WA spee
spear = beetje; WA spier
spearca = vonk; ON sparke; ME spark
spearcan = vonken, fonkelen, sprankelen
spearheafoc (spearwa) = sperwer, mushavik (# vogel)
spearwa (spearheafoc) = sperwer (# vogel)
specan (sprecan, spraecan) = spreken; ON spekan > talu
spece = spraak, toespraak, taal; ME speech
specere = spreker
sped (spod) = spoed, haast; KA sped; ME speed
spedan = spoeden, haasten, opschieten
spedig (spodig) = spoedig
spel (spell) = bericht, gezegde, verhaal, uiteenzetting
spelan = ww spoelen
spelc = spalk, splinter; GD spel
speld (spald, spyld) = splinter, stuk hout
spelthorn = hagedoorn (# struik); ON speldorn
spell =A spel
spellian = spellen, spreken, verkondigen
spelt (aemel) = spelt = soort grove tarwe
speltbread = speltbrood
spendan = uitgeven, besteden
speowan (spiwan) = spuwen, spugen
spere (spir, gar) = speer, lans (# wapen); ON spere; ME spear
spesere = kruidenier, apotheker; ON specere
spesery = kruidenier, kruidenwinkel, apotheek; ON specerie
spesi = specerij, kruid; ON spesi; ME spice
spesig = pittig, kruidig; ME spicy
spetan = spiezen, rijgen aan, doorboren; ON speten
spete =* stuk aangerijgd land; ON speet
NB Elspeet, Nunspeet
spian (spaian) = spieden, bespieden, spioneren; ON spien
spic = brug
spic = spek
spic = spits, spies, piek, pin, scherpe punt; ON spick
spic = lavendel (# heester); ON spijc, spike
Spic = Spijk/Gro, Spijk/Rijn/Gld
spican = spieken, gluren, afkijken
spicca = brug van planken bedekt met takkebossen en plaggen; TW+AH+VL+WA spikke
NB In Nederland zijn drie plaatsnamen Spijk, op oude kaarten vaak aangegeven als Spic. Alle drie liggen ze aan water. Mogelijk zijn het locaties waar ooit een brug was.
spicca = dam van takkebossen in beek; VW spikke
spicer = spijker; ON+WA spiker
spicer = silo, schuur, zolder; WA spieker; WAoud spycker > PgAng/Spieker
spicford {AVA spicca + ford} = spikvoorde = voorde met een brug van takkebossen en plaggen; WA spikvoord
spichol = spiekgat, kijkgaatje in deur e.d.
spicscate = spekschuur; WA spekscate
spidder (spinder, spithre) = spin (# insect); KA spidder; ME spider
spie (spai) = spion; ON spie
spielc = spalk
spil = spil, poot van stoel of tafel; ON spil, spille
spil = noodlot, vloek, toverspreuk; TW spil; ME spell
spildan = vernietigen; ON spilden = spillen
spilhus = theater; ON speelhuus
NB Theater 't Speelhuis in Helmond
spilian (spylan) = spelen, vrolijk bewegen, dansen; AH speuln
spill = hoeve, boerderij; TW spil
spillan = verspillen, vernietigen; ON spillen
spillman = boer
spilmaegh = verwante via de vrouw; ON spillemaech
spilmaent = september; ON speelmaent
spilman = acteur, zanger, danser, muzikant, jongleur, comiek; ON speelman, speleman
spilplaese (spylplaese) = speelplaats; KA spylplaese
spinacer = spinaker (# boot)
spind = spek, vet; ON spint
spinda = spen = bergkamer; AH spinde = broodkast
spinder (spindder, spithre) = spin (# insect); KA spidder; ON spinne
spinel = spoel, klos, spil, as, stang
spinnan = ww spinnen; ME to spin
spinnere = spinner
spinnery = spinnerij; WA spinnerie
spint = spint = 0,03 Ha
spintol = spintol = kleine bolle steen met gat waardoor wol met de hand wordt getrokken en gesponnen tot een draad
spinweol = spinnewiel
spint = 1/4 schepel = 1/16 mud = 0.03 Ha
spir = speer, spier, rietstengel
spir = punt, spits, top
spirfiscan = speervissen = vissen met een speer
spirfuhtan = speervechten = vechten met een speer
spirheafod = speerhoofd = speerpunt
spirweorpan = speerwerpen (# sport)
spital = hospitaal, ziekenhuis, gasthuis; ON spital
spitan = spitten, aan spit rijgen
spithre (spidder, spinder) = spin (# insect); KA spinder
spitt = spade, schop (# gereedschap)
spitt = 1 spade diep of vol (# landmaat)
spitt = spit, braadspit
spitt (bacpine) = spit, rugpijn
spitt = spuug, slijm
spittan (spaetan) = spugen; AH spiŽn; ME spit
spittan = spitten, graven
spitu = spit, braadspit
spiwan (speowan) = spuwen, spugen
splay = bn schuin, wijd open, ontwricht, vleugellam
splayan = afschuiven, schuin zetten
splittan = splitsen; WAoud splitteren
spod (sped) = spoed, haast, voorspoed
spodig = spoedig, haastig
spon = spaan, plank, lepel; WA spoan; LM speun
NB Wehl (Liemers) 2010: Aldaar wordt zowel spoan als speun gezegd voor spaan. Spoan wordt echter ervaren als vreemd. Het lijkt qua klank meer Saxisch. Speun ligt dichter bij het Anglisch spon, hetgeen de these sterkt dat De Liemers sinds circa 150vC overwegend Anglisch gebied is.
spong = spang, gesp
sponge = spons; ON sponge; ME sponge [sponsj]
sponn = breedte uitgestrekte hand
sponnan = spannen, strekken, strak trekken
spontarf = sponturf = kleinste en hardste soort baggerturf
spontone = sponton = speer waarmee legerleider comando's geeft in strijdgewoel om voor alle soldaten waarneembaar te zijn
sponu = speen, tepel
spor (traet, trass) = spoor, voetspoor
spora = spoor aan rijlaars
Sporcle =A Spurcle (februari)
spornan = stoten tegen, porren
spout = spuit; ME spout
spoutan = spuiten; ME to spout
spow = spouw = spleet
spowan = spouwen = kloven, splijten
spowan = spuwen, braken
spowan = spoeden, groeien, bloeien, slagen
spoy = spui, schutsluis (# waterwerk); ON spoy, spoey
spoyan = ww spuien; ON spoynen, spoeyen
spradd = driftig; AH spradh
spraddan = opscheppen, bluffen, brallen; WA spradden
spraddere = opschepper, braller; WA spradder
spraec (spaec, spranca) = tak; ON sprockel = takje
spraec = spraak, taal; WAoud spraecke
spraec = toespraak, gesprek
spraecan (sprecan, specan) = spreken; ON spreken, speken; WA sprekken; WAoud spraecken
spraece (spraw) = spraak, taal; KA spraw; TW spraok; AH sprook
spraecere (specere) = spreker
spraechund = spreekhond = hond om tegen te spreken (bv bij eenzaamheid)
spraedan = ww spreiden; WA spredden
spranca (spraec) = takje; NL sprang = dikke tak; sprank = vonk, vlek
spraw = spreeuw (# vogel); AH sprao
spreacan (sprecan) = spreken
spreace = spraak, taal
spreacere = spreker
sprean = spreen; WA spren
NB Sprenkelder, familienaam in de Achterhoek
spreang = spreng = bron, beekje; lente
spreangan = springen, ontspringen
spreaw (staer) = spreeuw; WA sprew
sprecan (specan, spraecan) = spreken; WA sprekken; ME speak
sprecere = spreker
sprenclan = sprenkelen, ontspringen
sprencle = sprenkel = tak van een vulboom; o.a. gebruikt in vakwerkmuren
sprengan = zaaien
spreo = spreu = gebarsten, droog en ruw; o.a. van lippen en huid
spreoc (sproec) = spreuk
spreot (sprut) = spruit, spriet, staak; WA sprot
spreotan (sprutan) = ww+zn spruiten
sprew = spreu = gebarsten, droog en ruw van huid; AH spreu
sprincal = sprinkel (# slagwapen)
spring = bron, waterloop; ON sprinc
springan = springen
springe = sleepkabel, valstrik
sprint = sprint
sprintan = sprinten, hard lopen
sproclan = sprokkelen; WA sproklen
sprocleholt = sprokkelhout
Sproclemaent (Spurcle, Sporcle, Sulle) = februari; ON sprockel
sproec (spreoc) = spreuk; WA spruk, sprock
sprota (sprute) = spruit, tak
sprott = sprot = gerookte sardien
sprung = sprong; WA sprung
spruse = spar (# naaldboom)
sprut (spreo, sprytt) = spruit, spriet
sprutan (spreotan, spryttan) = ww+zn spruiten; WA spruten
spruw = spruw (# mondontsteking)
sprytt =A sprut
spryttan =A sprutan
spuc (spuce) = spook = geest van een dode; WA spok; ME spook
spucan = ww spoken; WA spokken
spuccaemp = kerkhof; WA spokkamp
NB Spokenkampweg in buitengebied Hardenberg-MariŽnberg.
spuce =A spuc
spucig = spokig, spookachtig
spucwaeg (lycwaeg) = spookweg, lijkweg
spurclan = ww sprokkelen = rapen van takken voor brandhout
Spurcle (Sporcle, Sulle, etc) = februari
sputan = spuiten, spugen; WA sputen
spute = spuit; WA spute; ME spout
spuw = spuug, speeksel; ON spuwe
spuwan = spuwen, spugen; ON spuwen
spyl = spul = goedje, stof, geharrewar, gedoe
spylan (spilian) = ww spelen; KA spylan; WA speulen
spyld (spald) = stuk uitgehakt bos; WA speld, speuld, spald, spoold
NB Speulde/N.Veluwe, Spalder/Ruurlo, Spelderholt/Beekbergen.
spylgood = speelgoed
spylhus = theater; WA speulhoes
spylman = rondtrekkend muzikant; AH spŲlleman
spylplaese (spilplaese) = speelplaats; KA spylplaese
spyrian = speuren
-st = -st(e)
stabel =A stapul
staca (staec) = staak = stok, paal, grenspaal; KA staca; ON stake; WA stake; ME stake
staca = brandstapel
stacc = mijt, hooimijt, stapel, hoop
stackar = stakker
stadig >A ateadig
stae = stee, bedstee, plaats
staec =A staca (staak, stok)
staeccaemp =A stoccaemp
staef = staaf, staf, knuppel, letter
staefcraeft = grammatica
staefmakere = maker van staffen, staven en knuppels
staefmakery = stafmakerij
staeg = stag, touw, scheepstouw; ME stay
staeg = hertebok, manlijk hert, rood hert; ME stag
staeg = vrijgezel
staegan = ww stijgen; ME stay
staegar = stijger, trap
staegaran = stijgeren; ON stegheren
Staegbal = Bokkenbal; > PgAng/Herten
staeggan = wankelen, wachelen
staeghound = jachthond
staegniht = vrijgezellenavond
staegrep = stijgbeugel; ON stegherep
stael = plek, plaats, omsloten ruimte, stuk grond, visplek; ON stal
staeli (style) = staal
staelsticc = staalstok, -boom = stok om fuiken en netten op te hangen
staenan = stenen, van steen
staepan (steppan) = stappen, planten
staepe (stapp) = stap; ME step
staer (spreaw) = spreeuw; VW sterre
staer = bn star
staerc = sterk; AH stark
staerig = gestaag, gedurig, steeds
staert >A steart
staet = staat, stand, toestand, land; ON staet
staete = state = adellijk huis
staetig = statig, rechtop, wild; AH staets
stam >A stan (steen)
stampan (steampan) = ww stampen; KA stampan; ME stamp
stamper (steamper) = stamper
stan {stan, stod, stan} = ww staan; ON wi stoeden = wij stonden
stan (sten, stin, ston, stun, stam) = steen, stenen weg, stenen huis; KA stan; GR stain; GRoud sten; SW stien; WA stun; GD stane
Stan = Steen (# gewichtseenheid); 1 Stan = 6.3 Kg; ME Stone
stand = stand, toestand
standan = staan, weerstaan
stancaemp >A stencaemp
standfaest = standvast, standvastig, flink, ferm
standfaestnis = standvastigheid
stanford =A stenford
stang = stang, bit van paard; AH stange
stanhus >A stenhus
stang = stang, paal, stok
stanman (stanwyrtha) = steenwerker, steenhouwer; KA stanman
stanring >A stenring
stanwyrhta =A stanman
staowa = stuw, waterkering; TW stowwe
staowan = stouwen, stuwen; TW stowwn
stapol = zuil, verhevenheid
stapp (staepe) = stap, opstap, trede, verhoging
stappan (staepan) = stappen, lopen; KA stappan
stapul (stabel) = stapel, opslagplaats, markt; ME staple, stable
stapulpleats = stapelplaats, opslagplaats
stara = strak, stijf; ON stare
staran = staren, turen
starc = vaars; AH starke
starfan = sterven; WA starffan
starian = ww staren
starr = star, stijf, vlak
starra = vlak land; ON starre
stavian = staven, formuleren van een eed, voorzeggen
stea = stee, stede, verblijf, woning; ME stay
stead (stede) = omheinde ruimte, hof
stead (stede) = stad, stede; SL steed; ZW stad [stad]
steadig = gestaag, standvastig, bestendig, duurzaam; NV stadig; ON stadig; ME steady
steadman = stedeling
steag = steeg, smal pad; VW stege; AH stege; WA stege
steal =A steall
stealan (stelan) = ww stelen
stealcian = stalken, stelen, gluipen
steall = positie, plek, site
steall = stal, stalletje, kraam; ME stall
steallcniht = stalknecht; ON stalcnegt, stalcnecht
stealle = stalmest, gier, stank
stealtha = heimlijkheid
stealthig = heimlijk
steam = stoom
steaman = ww stomen
steamp = stampot (# gerecht); ON stamp
steampan (stampan) = ww stampen
steamper (stamper) = stamper
steap = bn steil; ME steep
steap = beker, kan, karaf; ON stope, stoop
steap = stoop, helling, bergwand
steap = stutpaal; WA stiep
steapal {AVA stea (stee, woonplek) + pal (paal)} = deurpaal; WA stiepel; >A stepel
steapaltacen = stiepelteken = teken op de middenpaal van stal- of schuurdeur (NO Nederland)
stearc = bn sterk; ME stark
stearcan = sterken, versterken
stearcta = sterkte, bolwerk, vesting
stearna = stern, zeezwaluw
steart (staert) = staart; KA steart; TW stet; WA steert, stert
steart (staert) = uiteinde, laatste deel; KA steart; VW start
steartlian = struikelen
steat {AVA stan = staan} = staat; WA steet
steat up Lage = hoort onder Lage
steaw = stampot
stecc =A steck
stecc = steek = soort herenhoed
steck (stecc) = steek, stek, plaats
steckan = ww steken
sted >A stede
stede (sted, stead) = stede, omheinde plaats, plaats; ME stead
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford) = die stad die is genaamd Cerdicesora
stedfaest = steevast, constant, voortdurend
stedhacce = afval van gehekeld vlas; WA stethakke
stedt = stede
steff = stief-; WA stief; WAoud steif
steffsunu = stiefzoon
stefn = steven, achtersteven (# schip)
stefn = stem
stefn =A stemn
steg = steeg, pad, loopplank, brugje; WA stegg; ON steghe
steg = smal pad door moerassig gebied; VW stege
Stel = Stel (mansnaam); PgAng (Stelling)
stela = steel, stengel
stelan (stealan) = ww stelen
stellan = ww stellen, plaatsen
stelmate = patstelling
stemn (stefn) = stam, stem, steven (van schip)
sten (stin, stan, ston, stun) = steen; KA sten; GRoud sten
sten (stenhus) = steenhuis, kasteel, gevangenis; ON steen, stein
sten = steenweg, stenen weg, plaveide weg
stenan = bn stenen
stenbacere = steenbakker; ON steenbackere
stenbacery = steenbakkerij
stenbow = steenbouw
stenbrece = steenbreek (# plant); ON steenbreke
stenbrigge = steenbrug, stenen brug
stenc (stinc) = stank
stencaemere =A stenhus
NB Steenenkamer gehucht in Voorst en in Putten.
stencaemp = steenkamp = veld met stenen
stencan {stenc, stunc, stunc} (stincan) = stinken
stenccrod = stinkkruid (# kruid); WA stinkkroed
stencig = stinkig, stinkend
stenford (stanford) = voorde van stenen, bestrate voorde; KA stenford
stengield = onderhoudkosten in gevangenis; ON steenghelt
stengrove = steengroeve
stenhus (sten, stanhus) = steenhuis, stenenhuis = versterkt huis; KA stenhus; ON steenhus; GR stins
stenmylen = steenmolen, steenzagerij; reeds rond 10nC in gebruik bij Romeinen
stenofen = steenbakkerij; ON steenoven
stenring (stanring) = steenring = ring (cirkel) van stenen; KA stenring > PgAng/Steenring
stenrod = stenen weg
stenrodda =A stenrod
NB Steenroddeweg in Holten/Twente
stent >A standan
stentor = stenen toren
stents >A standan
steopfaeder = stiefvader
steopmodor = stiefmoeder
steor = stuur, stier
steoran = storen, verstoren
steoran =A stieran
steorfan = sterven; ME starve
steorig = steeds; AH steureg
steurig = storend, hinderlijk; AH steoreg
steorliht = sterrelicht
steorra {mv steorras} = ster; AH steerne; VW steern (mv steerns)
steort (steart) = staart
stepan (steppan, stappan) = ww stappen
stepel (stypel) = spits, torenspits; WA stiepel; ME steaple >A steapal
stepp (stapp, staepe) = stap, opstap, trede, verhoging
steppan (stappan, staepan, stepan) = ww stappen, planten
Steupel = Stepelo/Haaksbergen
stewel (bote) = laars (# schoeisel); WA stiewel
Steyghere {1244 AD} = Stegeren bij Ommen
stic = stuk, stuk land, veld
stic = steil, juist, precies; AH stik
sticc (stocc) = stok, pin
sticca {mv sticcas} =A sticc
sticcan (stician) = stikken, steken, borduren, naaien; WA stekken
sticcere = hemdennaaier, borduurder; ON sticker
sticel = stekel
sticelbac = stekelbaars (# vis); ME stickleback
stician = ww steken
sticmaete = stikmate = weide waar vee kan grazen gebonden met touw aan stok
sticnetele (brandnetele) = brandnetel (# onkruid)
sticol = bn steil, moeilijk begaanbaar
sticolpaedh = moeilijk begaanbaar pad
sticspad = steekspade = smalle spade om turf af te steken; WA stikspan
stieran (steoran) = sturen, berispen, straffen
stif = stijf; ON stief; AH stief; WA stief; ME stiff
stifth = klooster, stichting; VW stift; WA stift
stig = stal, huis, pand, bouwsel, stek; WAoud stiga; NB stichting
stigan = stijgen, bouwen; NB stichten; WA stiegen
stigar = stijger, ladder, trap; WA stieger
stigweard = stalmeester, veestalbewaker, rentmeester, hofmeester; ME steward
stil = bn stil; ME still
stillad (stille) = stilte
stillan = stillen, stoppen
stille (stillad) = stilte
stillnis = stilte, stilheid
stillwill = stille wille = leedvermaak, binnepret
stin (sten, stan, ston, stun) = steen; SW stien; >A stan (steen)
stinbow = steenbouw
stinofen = steenbakkerij; ON steenoven
stinc (stenc) = stank; ME stink
stincan (stencan) = stinken
stingan = ww steken
stinge = stekel
stins = steenhuis = stenen huis; GR stins
stip = stip, punt, puntig toelopend land
stip = vlek, klein stuk land
stirap = stijgbeugel (# paarden)
stislan = vlot lopen; AH stiesseln
stoat = staat, waardigheid, rang; TW+WA stoat
stoat = aanzien, eer; TW+WA stoat
stoat (earmin) = hermelijn (# pesldier, bont); ON ermine; ME stoat
stobba = stobbe = paal, stam, boomstronk, turfhoop; ON stobbe; WA stobbe; GD stob
stobbart = stobbert = veld met veel boomstronken
stocan = stoken, branden
stocan = stoken, opjutten, opjagen
stocc = stok, staak, steel, stam, tak, knuppel, staf, macht, blok, offerblok, gevangenis, voorraad; ON stock; ME stock
stocc {mv stoccas} (sticca) = stok, staak, tak, paal, stronk, stam, staf, balk, soort baksteen; ON stock; VW stock; WA stoak
stocc {mv stoccas} = stapel, voorraad
stoccaemp (staeccaemp) = ompaald stuk grond (kamp); WAoud stockamp
stoccan = steunen, leunen; ON stocken
stoccan = stokken, botsen, vallen; AH stoekn
stoccas = zn stokken
stoccdanse = stokdans; > PgAng/Dansen
stoccfisc = stokvis = aan een stok hard gedroogde kabeljauw of leng
stocchus = AVA stocc (stok, balk) + hus (huis) > blochut
stoccrefa (strubba) = veld met veel stronken, moeilijk te bewerken veld
stocere = stoker, destilleerder
stocery = stokerij, destilleerderij
stochol = stookgat
stock (stoke, stow, stowe, stol) = met stokken omheinde plek
Stockem (1240 AD} = Stokkum/Liemers
stod = hengst
stod = renstal, fokstal (# paarden); DR stood; WA stodde
stod = steeds, gestaag, standvastig; ON stade; ME steady
stod {vt stan=staan} = stond; ON stoet; WA stoat, stot
stoddan = ww stootten; WA stodden
stodery = stoeterij, paardefokkerij
stodig = steeds, gestaag, voordurend, standvastig; WA stodig, staodeg; ME steady
stodon = stonden (v staan)
stofa = stoof, kachel, oven; ON stove; TW stove, stow, stoaw; AH staove; ME stove
stofa = badruimte, badkamer
stofalere = stovenmaker
stofan = ww stoven
stofapott = stoofpot; ME stew
stofe = droge ven; NV stoof
stoff [stof] = stof, weefsel, textiel; LN [stof]; EF [stof]
stoke =A stock (omheinde plek)
stol = stoel, laagte, laagvlakte; ON stole, stool; GR stoul; AH stool; WA stol, stool, stul
stol =A stock (met stokken omheinde plek)
stole = stola, overkleed; ON stole, stool
stole = priester; ON stole, stool
stolic = bn steels, heimlijk, stiekem
stolt =A stout
stomak = maag, buik
stomerian = ww stamelen
stomm = stom
stomor = stamelend
ston (stin, stan, sten, stun) = steen; >A stan (steen)
stoncaemere = steenkamer, gewelf; versterkt huis, hoeve of landhuis; borg, burgt, vesting
stonceal =A stoncealdre
stoncealdre = steenkelder = stenen kelder tussen bomen, bovengronds met kleine verdieping, waarin de temperatuur doorgaans circa 1 graad Celsius blijft
stondan {stont, stondet, stan} = staan; ON stantan; WA stoan
stonwaeg = steenweg = met stenen geplaveide weg
stope = stoep, inrit, bank; ON stope, stoop
stope = stoplfles, fles, kruik; ON stope
stope = beker; NV stoop
stoppian = ww stoppen
storax = gom, gomhars; ON storax
storc = ooievaar; WA stork; EZ storich; ME stork
store = gordijn, scherm; NV stoor
stori = verhaal, geschiedenis; NV storie; ON storie; ME story
storm = storm; ME storm
storman = ww stormen
stormbrid = stormvogel (# vogel)
stormflod = stormvloed
stormscada = stormschade; WA stormskade
stot = wit brood; AH+VW stoete; WA stoet; GD stottie
stout = moedig, dapper, flink, stevig, ondernemend; ON stout, stolt
stout = soort stevig bier
stoutlic = op moedige (dappere, flinke) wijze; ON stoutlike
stow (stowe) =A stock (met stokken omheinde plek)
stow = plaats, passage
stowan = stouwen, bergen, verbergen, laden
stowe =A stow )met stokken omheinde plek)
stowe = schuilplaats, opvanghuis; WA stouwe
NB1 Sociaal opvanghuis De Stouwe in Dalfsen.
NB2 wegen in Staphorst/Meppel: Grote Stouwe en Berkenstouwe.
stowe = dijk in een polder; ON stouwe
stowian = stouwen, wegstouwen, verbergen, tegenhouden
strabb = stram, streng, fors; WA strabant
straec = strak, vlak, recht, steil, streng, sterk; ON strac
straec = vlakte
straect = bn gestrekt, recht, rechtuit
strael = straal, pijl
straemp (streamp) = boomtak; VW stramp
straeng = sterk, krachtig, machtig; KA strang; ME strong
straeng (strang) = strang = strand, dode riverarm; KA straeng; AH strang
straet (strate, strat) = straat, weg; KA straet; ON strait; SH straat; OE strait; ME street
straetbow = stratenbouw
straetere = stratenmaker
straetleoht = straatlicht > beacan
straetliht = straatlicht
straetmakere = straatmaker
straetsangere = straatzanger
stranc = ondeugend; ON stranc = krachtig, flink; WA strank
stranc = strand, oever, inham, baai; ON stranc, strange
stranc = onbepaalde grote hoeveelheid; AH strank
strancan = ondeugdend doen, streken uithalen; WA stranken
strancnis = ondeugendheid
strand = strand
strang (straeng) = sterk, krachtig, machtig; KA strang; ME strong
strang = sterk, hard, streng; ON streng; DR strang; GD strang; ME strong
NB Strangeweg in Ommen: kenlijk ooit een verharde weg.
NB Strengendijk in Beltrum*: kenlijk een oude verharde dijkweg.
strang = strand, dode rivierarm; AH strang
strang = streng, touw, koord; PD strang
strangbucs = gelddoos, geldkist
stranghold = sterkte, vesting, burcht; ME stronghold
strang = sterk, kractig; ME strong
strangta = sterkte, kracht; OE strengtha
strat =A strate
strate (strat, straet) = straat; KA straet; ON straet, straete
stream = stroom, waterloop; ZW strŲm [srum]; ME stream
streaman (flowan) = ww stromen
streamp (straemp) = stramp = boomstronk
streampacre = strampenakker = akker met boomstronken in de grond
streaw = stroo; ON strouw; WA streu; WAoud stroe; ME straw
streaw = vis verpakt in stro (vaak 500 stuk, i.b. haring); WAoud stroe
streawberie (eordberie) = aardbei (# vrucht)
streawcappe = strokap (# panden); ON strouwcappe; WA strokappe
streawthaec = strodak; ON strodac
strebb = trots, fierheid; WA strebbe
strebbig = trost, fier; WA strebbig
streccan = strekken, uitstrekken, berichten; WA strecken = berichten
strecs = straks, dadelijk; ON strecs
stredan = strooien, zaaien, verspeiden; AH straejn
stregt = recht, gestrekt; ME straight
streng = bn streng
streng = streng, touw
strengra >A strang
stengthu = sterkte, kracht; ME strength
streon = bezit
streowian = ww strooien; AH straejn
strep (stripe, strepel) = streep, smal strook land; KA strep; ON stripe, strepe; TW strep, streppel, sriepe; WS strep; VWoud strype
strepel =A strep, stripe
stric (rodd) = strik, roede, stok, staaf, stang
stric = streek, gebied
stric =A stricc
strica = streek, lijn
strica = aanval, slag
strican = strijken; WA strieken
strican = toeslaan, aanvallen; WA strieken; ME strike
stricc = strik, valstrik, lus, strop
striccan = ww strikken
stricel = strijkstok, stok om zgn stricmaten te meten
stricland = vlakte, vlak land
stricstan = strijksteen; steen met handgreep die heet gemaakt werd boven vuur om textiel te strijken
stridan (stryden) = strijden; ON striden; WA striden
stride (stryde) = strijd; WA stried
stridmaeccar = strijdmakker; WA striedmakker
strienan = winnen, verdienen
strienan = schrijden, stappen, lopen; TW strien; AH strienn
striepan (strypan) = stropen, roven > bestriepan
stripe = streep, strook, strook land; ON stripe; WA striepe; ME stripe
striped = gestreept; ON stripet; WA striept
strivan = streven, strijden, vechten
strobb =A strubb
stroc (struec) = struik; WA stroek, struuk
strocalan = struikelen; WA stroekeln
stroccas {mvA stroc} = struiken
strogel = strijd, worsteling, gevecht
strogelan = worstelen, vechten, strijden
strollan (toban) = ww tobben; GD stroll
strond =A strand
strong = bn streng
strood (strout, strut, strou, stru) = drasland, moerassig gebied, natte laagte; KA strood; TW stroet, stroot; VW stroet; OE strood, stroud
stropp = strop
Strosburi = Straatsburg; EZ Strosburi
strou (stru, strout) =A strood; WA stroe
strout =A strood
strowian = strooien
stru (strou, strout) =A strood; VW stroe
strubb (strobb) = kreupelhout, stronk; ON strubbe
strubb (strobb, strybb) = bn+bw stroef, moeilijk, lastig; ON strubb
strubba (stoccrefa) = veld met veel kreupelhout en stronken, moeilijk te bewerken veld
NB De Strubben in Kootwijk.
strubba = bos met eikenhakhout
strubba = warrig haar
strubbert = lastig te melken koe; WA strubberd
struclan = struikelen; AH strukeln
struec (stroc) = struik; WA struuk, stroek
strueccas {mvA struec} = struiken
strufacre = droge akker
strufe (strybb) = bn stroef, moeilijk, lastig
strufe = moeilijk, lastig; VW stroef
strufe = schraal, droog; VW stroef
strufe = struif, flensje; ON struve, struuv
strunan = struinen = rondsnuffelen, rondneuzen; DR strunen
strunc = stronk, boomstronk, stam, staak; ON strunc
strunt = stront, mest
struntharc = stronthark, hark om stront bijeen te harken
struntstead = mesthoop; ON strontstede
strup = strop, lus, strik; WA strup
strup = stroop, siroop (# vloeistof); WA strup
strupan = ww stropen; WA stroepen
strupery = stroperij
strut =A strout
strutian = onbuigzaam blijven
struwell = struweel, struikgewas; ON struwelle
strybb (strufe) = stroef, moeilijk, lastig
strybba =A strubba
stry- = strij- = strijd-, twist-
stryacre = strijdakker = akker waarover strijd bestaat/bestond
strydan (striden) = strijden, twisten; ON striden; WA striden
stryde (stride) = strijd, twist; WA stried
strypan (striepan) = stropen, roven
stubb (stybb) = stubbe, stobbe = stronk, wortelstronk, boomstronk
stubba = stof, veegsel; ON stubbe
stucce (stycce) = stuk, deel, stuk land, perceel
stud (studu) = stut, staak, paal
studu =A stud
stufaec = knoteik
stufan = ww stuiven; WA stuven, stoeven
stufacre = stuivakker = akker bij zandverstuiving
stufar = stuiver (muntstuk); WA stoever; WAoud stuver; ME stiver
stufbeorg = zandberg, zandheuvel, zandduin
stufbylt = stuivebelt, zandduin
stuffen = stuivveen
NB Stuifveen/Halle/Liemers
stufsand = stuifzand, zandverstuiving; WA stoevesand; WAoud stuvsand, stoevsand
NB Stuivesand/Halle-Harreveld
stumblan = ww stommelen; WA stummelen
stump (thump) = stomp, stronk, boomstronk; ON stump; WA stump
stun (sten, stin, stan, ston) = steen; >A stan (steen)
stundum = ijverig
stunian = steunen, slaan, klotsen; AH stŲnn = kreunen, leunen
stunt = stunt
stuntan = ww stunten
stuntig = stuntelig, onnozel
stupian (lutan) = bukken, buigen, krommen; ON stupen
stupig = dom, duf; GD stupy
stoppel = stoppel = afgemaaid stuk plant; WA stuppel
stuppelfeld = stoppelveld = akker met stoppels = gemaaid akkerland
Hierop wordt vaak vee gezet om de stoppels te eten en het veld stoppelvrij te maken. Goed voor het vee en makkelijk voor het ploegen.
stuppelmaete = stoppelmaat = gemaaid grasland
sturan (styran, styrian) = sturen, navigeren
sturi (styri) = stuurman; KA sturi
stut = stut = steunbalk
stuttan = stutten, ondersteunen
stutteran = ww stotteren
stybb =A stubb
stybba = stam
stybbart = lastig persoon
stycce (stucke) = stuk, exemplaar
style =A staeli
styntan = ww afstompen
stypel =A stepel
styr (stur) = stuur; KA styr; ON stier
styran =A sturan
styri (sturi) = stuurman; KA sturi
styria = steur (# vis)
styrian = sturen, besturen, roeren, bewegen; WA sturren
styrran = storen, bewegen, hinderen
styrtan = storten, starten; ON sturten
styrtcarre = stortkar = kar met laadklep om vracht te storten; WA stortekarre
su (veark) = varken
suc (sok) =A sacu
suc (soc) = drasland; WA suk, soek
sucan (sugan) = zuigen; WA sugen
succan (sogan) = zuigen
succer = sukkel
sucer = suiker; WA suker
sucerbread = suikerbrood
sucling = zuigling, baby
sud (suth) = zuid; ON sud, suud; TW suud; GD sooth
sudda (sodda) = zode, turf, plag; ON sode; VW zodde, zudde; HZ/Orvelte sudde; ME sod
suddel = bn vies, vuil; WA suddel
sudende = zuideinde; ON sudende
Sudfen = Zuidveen = Zutphen
sudhalfa = zuidelijk, ten zuiden van, aan de zuidkant; ON sudhalve
sudlic = zuidelijk, ten zuiden van
Sudsae = vrm Zuiderzee; nu Ysselmeer
sudside = zuidzijde; ON sudside
sudweard = zuidwaards; ON sudwaerd
sufel = zuivel; WA zuvel
suffal = priem om gaatjes te maken; WA suffel
sugan (sucan) = zuigen; WA zugen
sugt (sic, seofa) = zucht; KA sic; ME sigh
sugtan (sican, seofian) = ww zuchten; KA sican; ME to sigh
sugu (seog, mott) = zeug, zog; ON soghe; ME sow
suht = teelt
suht (sygt) = zucht, ziekte
suhtan = telen, fokken
suhtan (sygtan) = zuchten, lijden
suhtere = fokker, teler
suhtor (sygter) = zuchter, iemand die zucht, zieke, lijder, patient
suhtorfaedran = stamvaders
suhtsteor = fokstier
suk (sok) =A sacu
sul (syl) = zuil; WA zul
sul = sufferd, drempel; TW+AH sul
sul = zoel = moddergat
sulan = ww zoelen = modderbad nemen
sulfre (solvre) = zwafel
sulh (ploh) = sul, ploeg
sulhan = zeulen, ploegen
sulle = februari >A selle
Sulmaent (selle) = februari; ON selle, sulle, sille = ploegmaand
In deze maand ploegen de boeren hun land en offeren ze koekjes aan de goden om hen gunstig te stemmen en een goede oogst af te smeken.
sulre (solre, loft) = zolder; KA loft; ON solre, sulre
sulthe = aster (# bloem); ON zulthe
sulx = zulks; ON sulks
sum (som) = soms, sommige, sommigen, enige; ON sum, som
sum = iets, enig, sommig; ME some
sum = verblijf, woonstee
-sum = -zaam; VB gehiersum = gehoorzaam
sumac = zure bes (# vrucht)
suman = toeven, blijven, wachten, dralen; TW zumen
sumb = som; WAoud sumb
sumhwat (sum) = sommig, iets, enig; GD summat
sumig = nalatig, laks; ON sumich
sumleod = sommigen; ON somlieden; WA somleu
summic = bn sommig; GD summick
sumor = zomer; ON somer, sommer; TW+AH summer, zommer; TWoud sommer; ME summer
sumorcorn = zomerkoren; TWoud sommerkoeren
sumorfleoge (scamlum) = vlinder; TW sommervleeg
sumorhays = zomerhagen = zomerverblijf; ME summerhayes; > haga, hagu, PgAng/Nolde
sumorhus = zomerhuis, tuinhuis
sump = zomp, drasland; ON somp, poel; WA zump
sump = bak; AH zomp
sumpel = kleine zomp, drasland; VW zuppeld; WAoud sumpel
sumpig = drassig; WA zumpig
sumtid = soms; ON somtijds
sun (sunu) = zoon; KA sun; ON son, sone; WA sun; EF [son]; ME son
sund = gezond; zemmend
sundfull = veilig en gezond
sundor (sundra) = zonder, bizonder, afgelegen, afgezonderd; KA sundra; ON sunder; WA sunder; WAoud sonder
sundorland = zonderland = afgelegen land
sundhed = gezondheid
sundnis = gezondheid
sundra =A sundor
sundsarg = gezondheidszorg
sunig = zuinig; WA zunig
sunna = zon; ON sonne; AH zunne; WA sunne, sun; LD [son]; EF [son]; ME sun
sunnabeorg = zonneberg = hoogte waar de zon wordt aanbeden; vaak een offerplaats aan de zonnegod
sunnandaeg =A sunndaeg
sunnblom = zonnebloem
sunnblomsaed = zonnebloemzaad = oliehoudend zaad
sunndaeg (sunnandaeg) = zondag; KA sunndaeg; ON sonnendach, sondach; WA sundag; ME sunday
sunne = de zon
sunnganc = zonnegang = gang of baan van de zon; ON sonneganc; WA zunnegank
sunnhod = zonnehoed; WA zunhood
sunnliht = zonlicht
sunnraed = zonnerad
sunnrise = zonsopgang; WA zunsopgank
sunnscine = zonneschijn; ON sunnenscine
sunnsett = zonsondergang
sunt >A sin
sunu (sun) = zoon; KA sun; ON sone; WA sun; WAoud soene; ML sinjo = jongen
supan = zuipen; AH zoepn; WA zupen, zoepen
supert = zuiplap; WA zoepert
sur = bn zuur; AH zoer; ON sour
surcote = overkleed; ON surcote
surdag = zuurdeeg, zuurdesem
surgy = chirurgie; ON surgie
surgyn = chirurgijn; ON surgien
suring = zuring (# wilde plant); ON surinc
Surs = Tyrus/Libanon; ON Surs
suth (sud) = zuid > sud
suthan = van het zuiden
suthdael = zuidelijk deel
suther (suthor) = zuider
Suthfen = Zutphen
suthor (suther) = zuider
Suthwolda = Zuidwolde in Drente > PgAng/Zuidwolde
suttre = schoenmaker, kleermaker, snijder; ON suttre, sutter
Suvenhara {c 1050} = gehucht in de Liemers/Achterhoek. Locatie onbekend
Suxwort = Niehove/Humsterland/NWGroningen > PgAng/Suxwort
Svin = Sven = jongensnaam
swa (sa) = zo, zoals
swa hwaer swa hie comon = waar hij ook komt
swa swa = als, zoals
swa swa fur = als voor vuur
thš Wealas flugon thš Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engeland als voor vuur
swa thaet = zo dat
swab = zwabber, dweil
swaban = swabberen, dweilen
swac >A swican
swada = zwad, zwade = rij gemaaid gras; ME swath
swadd = zwadde = smet, laster
swaddan = zwadderen = klutsen, zwieren
swac >A swican
Swaefe = Swafen, Sueven = Gotisch volk; ON Swaef, Swaeve > PgAng/Swaefe
swaeg = zwaag = weiland
swaelan = branden, verbranden, in brand steken
swaelm = dikke rook; AH zwalm
swaer = zwaar; VWoud sware
swaesendu = voedsel, maaltijd
swaestheah = echter, nietemin
swaeth (swat, swathu) = zwad = strook gemaaid gras; ON swat
swaggor = opschepper
swagman = rare man; OE swagman
swagman = stempelmaker; ON swakman
swagor = zwager
swaian = zwaaien; ME sway
swal = zwoel, koel; ZW sval [swal]
swalewe (swealwe) = zwaluw; ME swallow
swalice = zulk, zulkgelijke
swamm = zwam (# fungi)
swamp = moeras
swaswe = zoals
swat = zweet; ON swete; ME sweat
swat (swatseocnis) =A the swat = zweetziekte, pest; KA swat
swat (swaeth) = baan gemaaid gras; ON swat
swatan = ww zweten
swathu =A swaeth
swatseocnis (swat) = zweetziekte, pest; KA swat
Vaak ook the swat genoemd.
swe *=A swa; > PgLng/Caedmon
sweader = schoonvader; ON sweder
swealwe =A swalewe
sweard = huid, zwijnehuid, swoerd
sweard = veld met kort gras; ME sward
swearm = zwerm; ME swarm
sweart (blac) = zwart, donker >A blac
swearta = zwarte = veel gebruikte landweg
NB Zwarteweg in Haarlo/Beltrum en Veenoord/Drente
swefan = zweven, slapen, dromen
swefel = zwafel
swefn >A swefan
swegan = lawaai maken
swelan = smeulen, traag branden
swelc = zoals
swelce = alsof, zoals
swelce = welke; WAoud swelche
swelce eec = temeer daar
swelgan = zwelgen, slikken
swellan {swellt, swoll, swollan} = ww zwellen; ON swellen
swelling = zwelling; ON swellinghe
sweltan = sterven, dood gaan
swen (swin) = waterloop, geul; ON swin, swen
swencan >A swencean
swencean = ww zwenken
swencean = opscheppen, lastig vallen
sweng = slag, aanslag
Sweom = Zweden
sweor = pilaar
sweora = nek
sweoran (swerian, swyran) = zweren, eed afleggen; KA swearian; ME to swere
sweorc (gesweorc) = zwerk, hemel
sweord (swyrd) = eed, gelofte
sweord = zwaard
sweordbora = zwaarddrager
sweordcnobb = zwaardknop = knop om zwaard aan gordel te bevestigen
sweordfisc = zwaardvis
sweorfan = ww zwerven
sweorfere = zwerver
sweostor (swuster) = zuster; KA sister; ON suster; TW suster; AS [suster]; ZW syster [sister]; TJ sistre; ME sister
sweotol = helder, duidelijk, evident
sweotolian = tonen, aanwijzen
sweotoling = teken, manifestatie
sweran {swert, sweret, sweret} = zweren, etteren
swerian {swert, swore/sworde, sworan} (swyran, sweoran) = zweren, eed afleggen; KA swerian; ON sweren; ME swear
swete (seote) = zoet, lief, aardig, mooi; KA swete; ME sweet
swett =A swith
swettan =A swithan
swette =A swithe
swettfeld =A swithfeld
swettland =A swithland
swettnot =A swithnot
swettslath =A swithslath
swican = bezwijken, falen, stoppen, verraden
swican = in de steek laten
swiccan = zwikken = soort kaartspel
swicdom = bedrog, fraude
swicol = bedrieglijk, verradelijk
swid = sterk, krachtig; ON swide
swifan = zweven, snel bewegen; ON sweven; WA swiven
swift = snel; ME swift
swigian = zwijgen; WA swiegen
swil = vies, vuil water; ME swill = viese drank
swil = swil, afval van schillen, etensresten, e.d., o.a. gebruikt als varkensvoer
swil = eelt; AH zwil; WA swiel
swil = bast; LD swil
swilan = zwelen = droog gras samenharken
swilian = wassen, reinigen
swima = zwijm, bewusteloos
swiman = zwijmen, flauw vallen
swimman = zwemmen
swin = zwijn; ON swyn, swine = zwijn, varken; WA swien
swin (swen) = waterloop, geul; ON swin, swen
swinan = zoenen, zwijnen, geluk hebben; ON+WA swienen
swincan = zwenken, zwoegen, werken
swincot (swincoye, pigardy) = zwijnenstal, varkensstal; KA swincot; ON swinscott
swincoye =A swincot
swindere (swinere) = varkenshoeder; ON swinder
swindlar = zwendelaar
swindrifere = varkensdrijver, varkenshoeder
swine = zoen
swinere =A swindere
swingan = swingen, zwaaien, dansen, slaan, buigen; ME swing
swingel = zwengel, slag
swinhuntere = zwijnenjager
swinre = varkenshouder; ON swinre
swintrog = varkenstrog
swinwud = zwijnenwoud, -bos
swip (swipu) = zweep; ME whip
swipan = zwepen, geselen, zwaaien
swipu (swip) = zweep; ME whip
swiran = zwieren, bekoren
swire = zwier, bekoring
swith (switt, swett) = grens; KA swith; ON swet, swette; VW switt; OE swith
swithan (swittan, swettan) = ww grenzen; KA swithan
swithe (switte, swette) = buurman; KA swithe; ON swet
swithe = erg, veel, sterk, wild
swithfeld (swittfeld, swettfeld) = aangrenzend veld; KA swithfeld
swithland (swittland, swettland) = grensland; KA swithland; ON swetland
swithlic = erg groot, immens
swithnot (swittnot, swettnot) = buurman; KA swithnot; ON swetnoot
swithslath(swittslath, swettslath) = grenssloot; KA swetslath; ON swetsloot
switt =A swith
swittan =A swithan
switte =A swithe
swittfeld =A swithfeld
swittland =A swithland
swittnot =A swithnot
swittslath =A swithslath
swoc = zwak; AH zwok
swog = inspanning, ademhaling, gesuis, geruis
swogan = zwoegen, ademen, suizen, ruisen; ON swoegen; ME sough
Swollae = Zwolle
swomm = zwam
swon = zwaan; ON swaen, swane; WA swoan; ME swan
swonpol = zwanenpoel = meer waar zwanen verblijven; VW swanepol
swulton >A sweltan
swuncon >A swincan
swungon >A swinga
swuster (sweoster) = zuster
swylc = zulk; ME such
swyran (swerian) = zweren, eed afleggen
swyrd (sweord) = eed, gelofte
sy (si) = zij = laag, laag gelegen; KA sy; TW/oud sy; AH sieu, zieu > PgAng/Sybrook
sycan = zoeken; TW zeuken
sybroc (sibroc) = zijbroek = laag gelegen broekland
Sycgum = Zichem
Sydehem {1142 AD} = Zeddam/Liemers
syfer (sufre) = zuiver; WA suver
syferlic = met puurheid, echtheid
sygt (suht) = zucht
sygtan (suhtan) = zuchten, lijden
sygter (suhtor) = zuchter, zieke, lijder, patient
syl (sul) = zuil; WA zul
syll = sluis; ON sijl, zijl; WAoud syll
sylland =A silland
synderlic = zonderlijk, afzonderlijk
syndrig = apart, afzonderlijk
synn = zonde; OD sund
synnig = zondig; OD sundic
syntu = gezondheid, voorspoed
synwede = natte weide, laag gelegen weide, weide in drasland
syp (seag) = zijp, stroom, beek, sloot, wetering; ON syp; VWoud sipe
sypal = ui; WA siepel
sypalan (sipian) = sijpelen, siepen, siepelen, traag en smal stromen
sypan (sipian) = siepen, zijpen, stromen; WA siepen
sypan = tjilpen van krekel
syrat = sieraad; ON sierat, cieraat
syring (lilac) = sering (# struik met lila bloemen)
syslang = zolang, tot nu toe; WAoud suslange
syt = zijde, zijkant; WAoud zyt
syththa = miezerig; WA sodde
syththan = verpieteren, verschrompelen, smelten, wegsmelten
syththaran = ww sudderen
syweand (siweand) = zijakker = laag gelegen akker; KA syweand; AH sieuwent > PgAng/Zieuwent
 
t::
ta = teen (lichaamsdeel); ME toe
-ta (-tha, -da) = iets wat (ergens) veel voorkomt of gebeurd; overvloedig
VB granta = geklaag
-ta (-dha, -da, -ithi) = -te, -de, -t = -gebied of -veld waar iets veel voorkomt; VB aekta (NL eekte) = aek (eik) + ta (te) = gebied met veel eiken; AU ta = land
-ta (-tha, -da) = land van; AU ta = land
VB Sigerda = land van Siger; > PgAng Siddeburen
-ta (-hyde)= -heid; KA -hyde
-ta (feld, folde) = veld = vlak en open land, onbebouwd of woest land; AU ta = land
tabbard = lang overkleed; ON tabbaerd, tabbert
tacan = aanvallen, grijpen; ON taken; ME take = aanpakken, grijpen
tacan = nemen, pakken, grijpen, aannemen; ON taken; ME take
taccan = zelfbevrediging; ON takken
tacce =A tace = taak, taakgebied, etc
tace (tacce) = taak, taakgebied, werkgebied, bewakingszone, veiligheidszone; KA tace; AH tacce, tacke, takke
tace = maat voor wijn; ON take
tacen = teken; ME sign
tacen = wonder
tacenan = ww tekenen
tacening = tekening; WAoud teickonge
tacman = soldaat, dienstpichtige > PgAng/Take
tacnian = betekenen
tacning = betekenis
tadige = pad, dikke kikker
tadigstol = paddestoel
taec = tak
taecan = onderwijzen, leren, les geven
taegel = staart; ME tail
taegan (dagan) = dagen, uitdagen, pesten, treiteren; ON taggen
taeher (tear) = traan
taem = bn tam, getemd, saai, braaf, zedig, rustig >A temian
taem (team) = traag stromend water
taema = direct, vandaag; ON tamee; WA tamee = straks
taeman = tamen, betamen, horen, behoren
taemlic = tamelijk, betamelijk, zoals het hoort; ON tamelijce
taeppian = tappen
taere >A teran
taeron >A teran
taesan = tezen (= wol pluizen), trekken, plukken
taesle = kaarde = wolkam
tal = berisping, spot
taling = vertelling, verhaal
talan =A talkan
talkan (talan) = praten, vertellen; ME talk
talman = ww talmen
talu = ww spreken > sprecan
talu = taal; WA toal; SW tael
talu = vertelsel, verhaal; ME tale
talugh (taluh) = talg, talk, kaarsvet
taluh =A talugh
tam (taem) = tam
tambur = tamboer
tambure = trommel, trom; ON tamboere
tambuse = soort trommel; ON tambuse
tamian = ww temmen
tan = twijg, tak
tan = teen (wilgentak)
tanc = grote houten boot; AH tanck, tank, tanke; ME tank
tance = tank, waterbak; NV tank; ME tank
Mogelijk afgeleid van VI woord.
NB Een boot kan als waterbak dienen.
NB AU tainke = moeras, zout
NB Een moeras is een nat en waterig gebied.
NB AU = Aboriginals/Australia. Ze komen voort via ZO Azia uit de IndiŽrs.
>> AU tainke kan dus samenhangen met het VI woord voor tank.
tance =* AL tanghe (twanghe) = tang = zandrug (vork) in rivier of veengebied; NV tange; WA tange; WAoud tanghe
tance =* zandrug, hoogte =* AH tanck, tanke
NB Tanck: huisnaam in Lochem*
NB Familienamen: Tanke en Kolkhuis Tanke in Achterhoek
tance =* moeras, veengebied
NB AU tainke = moeras, zout
tand = tand
tandgebit (gebit) = gebit; WA tandgebis
taneal = toneel, tribune, stellage, feest; ON taneel, tinele
tanghe (twanghe) = tang = zandrug (vork) in rivier of veengebied; NV tange; WA tange; WAoud tanghe
tapp = tap, stop, prop
tappan = ww tappen, aftappen
tappere = tapper = beheerder van een tapperij; ON tap, tappe
tappery = tapperij = drankhandel
tarf (turf, torf) = turf, turfveld; KA turf; ON+WA tarf; ZW torf; ME turf
NB wit tarf = witte turf = lichtbruine turf; sweart tarf = zwarte turf = dinkere turf
tarfbot = turfboot
tarfcarre = turfkar; ON turfcarre
tarfcay = turfkade; ON turfcaay
tarfmaerct = turfmarkt
tarfscippere = turfschipper; WA tarfskipper
tarfscure = turfschuur; WAoud/Emmen torfschure
tarif = tarief
tart = taart (# gebak)
tart = taart, oude taart, oude vrouw, oud wijf, del
tauth = gedachte
tauthar = denken, gedenken; AH taoteln = druk praten
taw (tow) = toe, door, voort
tawan = duwen, doorgaan
tawe (tow) = touw; >A getawe
tawian = aandoen, slecht behandelen
tay =A tee
taybucs = theebus = busje met dop (maat) om thee te bewaren; inhoud van dop goed voor 1 pot lekkere thee
taypott = theepot
te (to, tho) = te, naar; GD te
-te =A -ta, -tha
teadre = teder, teer, zacht
teafal = tafel, hoogte; WA tafol
teafor = tover, ossebloed*, menie
teaforan = toveren
teafore = tovenaar
teag = tuig, kleding; AH tuug
teagceste = tuigkist = kist waarin kledign wordt bewaard; AH tuugkiste
teah >A teoh
teald = telde; >A tellan
tealtan = ww toernooien, ringsteken, duelleren met lans
tealtgeard = toernooibaan
team = tam, traag
team (taem) = traag stromend water
team = toom, span (o.a. ossespan); ON taam
team = familie, groep; ME team
teaman = temen, talmen, traag stromen
tear (taeher) = traan; ME tear
tearan = trekken, scheuren
tearme = termijn; ON tearmte
tearwa (weatha) = tarwe; AH weite; ON taruwe; WAoud weyte, weite = tarwe; ME wheat = tarwe
teaw (bicce) = teef, vrouwtjeshond; TW tew
tee (tay) = thee > PgAng/Thee
teghn =A thegn (minister, bestuurder) > PgAng/Witan
tek {mv teks} = tik = lichte aanraking
teke (ticia) = teek (# insect)
tekkan = ww tikken
telan = ww telen, kweken, bouwen, produceren, verzorgen; ON telen
telcaemp = kweekveld
teldar = bord (eten); AH telder
telg = kleurstof
telga (tylga) = vertakking, zijarm; ON telch, telg
telga (tylga) = telg, nakomeling, loot, jonge eik
telghede = heide met jonge eiken
tell = tal, aantal, getal; WAoud tell
tellan = tellen, rekenen
tellan = vertellen, verhalen, mededelen; GD tel; ME tell = vertellen
NB talu = vertelsel, verhaal
teman = stromen, schenken; GD teem
teme (thame, thime) = traag stromende rivier
temian = temmen; ME tame > tam
temot = tegemoet; AH temeute
tempel = tempel, gebedshuis; ON temple; ME temple
tempelwaeg = tempelweg = weg naar een tempel
temple =A tempel
temprian = ww temperen, matigen, in toom houden
temprian = ww bereiden, aanmaken
tendan = tienden betalen; WAoud tenden
tendbaer = tiendplichtig; WAoud tentbaer
tende = tiende; WAoud tende
tendgudh = tiendegoed, tiendplichtig goed; WAoud tendtguet
teng = bij, tegen, tegenaan; ON teghen; WA teggen, teeng
tengel (bartel, raefter) = houtschroot, brandhout
tentdoc = tentdoek
tente (lawu) = tent; ON tente, tinte
tentmakere = tentmaker; ON tentemakere
tentmakery = tentenmakerij
tentpal = tentpaal; ON tenteboem
tentsac = tentzak
tentsayl = tentzeil
tentsticc = tentstok
teolian (tilian) = ww telen = kweken, cultiveren (# grond), verbouwen, voortbrengen; ON telen
teon = rekken, trekken; ON tien [ti-en]
teona = beledigen
teonraeden = vernedering
teorian = ww tieren
teorsand = teerzand
teoru = teer
teotha = tiende
ter = vz bij; TerBeek/Eefde = huis bij de beek
teran = teren, verteren
teran = trekken, scheuren, vernielen; VA NL tieren; ME tear
-tere = -boom; VB aeppeltere = appelboom
teth >A toth
tether = hoofd, tetter; ON tetter
tether (tudder) = touw om vee vast te binden in wei
tetweon = samen, bij elkaar; ON tetween
Tew = Tiwas; Anglische god van gerechtigheid en oorlog
th... zeA d...
tha = dan, toen, daar; ON do; WA doa; AH toe; > than (dan)
tha (thouw) = jouw, uw; WA daow
-tha (-ta) = iets wat (ergens) veel voorkomt, overvloedig
VB grantha, granta = geklaag
thaec (hrof, hrove) = dak, dek; ON deck; OE thack
thaecan = dekken, bedekken
thaecere = dekker, dakdekker, bedekker; OE thacker
thaecleac = daklook (# kruid)
thaelar =A daller
thaem >A them
thaen = dan
thaer [thaar] (thar, ther, thara) = vz daar; KA thaer; AG thair; WA taor
NB the thaere man = de (die) man daar
thaer die = dat; AF daardie
thaeraf = daarvan, daardoor; ON daerof
thaerfore = daarvoor
thaerofer = daarover
thaerite = direct, meteen
thaes = nadien, daarna
thaet > se
thaerum = daarom; WA daorum, derum
thaerumtow = daaromheen; WA derumtow
thaerup = daarop
thaes = daar, aldaar
thaes landes kuste = de kusten van het land daar
thaes the = omdat
thaet = dat; WA det; OD daz; AF det; ME that
thafian = toestaan
thafing = toestemming
thahan = ww dagen, dienen, dragen, hijsen; ML tahan
NB: on flette thahan = op 't schild dragen (# eerbetoon)
thain (thane, thegn) = dienaar, halfadel
thame (thime, teme) = traag stromende rivier
than = dan; als in groter of kleiner dan
thancian (thoncian) = ww danken
thane = dienstman, halfadel; UT teng
thanon = van daar, weg
thar =A thaer (daar)
thara =A thaer, se
tharp (thorp, throp) = akker, landgoed, dorp; KA thorp
tharto = daartoe; WAoud darto
thas >A thes
thasing = instemming
that (thet) = dat; KA thet
thatid = toen, toendertijd
thaw (daw) = dauw, dooi
thawian (dawian) = ww dauwen, dagen, gloren, dooien
thawing (dawing) = ochtendgloren
thouw (tha) = jouw, uw; WA daow
the [the, thie] = de, die; KA the; WA de, dee; GD the; AG+AS de; EZ de; ME the
the = wie, welke
the ... the = of
-the- = -te- = tussenvoeging 2e naamval
VB/AN wittekin = de witte kleine = de kleine witte; VB/NL niettemin
theah = ofschoon, echter
theahtere = raadsman, raadgever
thei = die, ze, zij; WA dee; ME they
theah = ofschoon, doch; ME though
theah = ondanks
theaht = advies, raad
theahtere = raadsman
thean = den, denneboom
thearf = nood
thearfian = derven
thearle = zeer, groots, waarachtig
thearn (thorn) = doorn, stekel, doornstruik; VW dern; OD dorn
thearn =A thearning
thearning = landweer omringd door doornstruiken; VW dern
theatere = advieseur, raadgever
theaw = gewoonte
theaws = manieren
thecen deken
Thedodem {828nC} = Didam/Liemers
thee = gy, jullie
thegan = dienen
thegen (thain, tehgn) = soldaat, dienaar, thane (= halfadel)
thegn {mv thegns} (teghn, thane, thain) = dienaar, leenman, halfadel; KA thegn; WAoud teng; UT teng > thegen
thegn (thegen) = minister, bestuurder > PgAng/Witan
thegnian = dienen
thel = plank
them (thaem) = hen, hun, ze
then = wilgetak = teen, teng, tengel >A thun
then = toen
thenas {ev then} = wilgetakken, tenen
thencan (thencean) = denken; KA thencan; ME think
thencean >A thencan
theng = pachter; UT teng
thengan = pachten
thensi = deze
theo =A theoh
theod = land, volk
theodan = verbinden, verenigen
theode = taal
theodic = volks, volkstaal; ON deutsch, duuts; TW duuts; ME Dutch
theof = dief; WA deef; ME thief
theoh = dij (bovenbeen)
Theole = Tiel
theon = groeien, bloeien
theos = dit (vrl) > this, thes
theostru = duisternis
Theothome {838nC; AVA theot=dat + home=huis} = Dieren/Gld
theow = dienaar
theowa = dienaar
theowdom = dienst
theowot = plicht, verplichting
ther =A thaer
ther = der = van de
ther = vz ter
therscan = ww dorsen
therscold (dreappal) = drempel; KA dreappal; WA dreppel, drumpel; ME threshold
therscmyl = dorsmolen; WA dorsmulle
thes = dit > this, theos
these = deze; SW disse; TW dizze > thes, theos
thet (that) = dat; KA thet; GRoud thet
thewaz (theof) = dief, boosdoener
thicc = dik, dichtbij; ME thick
thiccan = dik worden, verdikken
thiccet (scaga, scawa, holt, hot) = struikgewas, bosje, kreupelhout; ME thicket
thicgan = nemen, ontvangen, eten, drinken
thid =A tid
thider = daar, daarheen
thee = vz die; WA dee
thiestre = duister; WA duuster
thight = dicht, stevig, vast, krap; ME tight
thigi = ter ere van; > himthigi (ter ere van hem)
thim = tijm (# kruid)
thime (thame, teme) = traag stromende rivier
thimebrycg = thiemsbrug = brug over thieme
Thimes = Thiems bij Hengelo/TW
thimstrup (angastrup) = tijmstroop (# hoestdrank)
thin = dein, jouw
thinen = dienstmeid
thing = ding, affaire, conditie
thing (ding) = ding, zaak, rechtszaak
thingham (thingspil) = dingplaats > PgAng/Ingaldinghem
thingi = dingetje
ML tinggi = hoog
thingian (dingan) = dingen = rechtsproces voeren
thingpal = dingpaal = grenspaal rechtsgebied
thingspil = dingspil = vergadering, rechtszaak
thins = tijns = pacht; VWoud thins
this = dit, deze; SW disse; TW dizze > thes, theos
thislan = bedisselen, twisten; AH disseln
thisse = deze
thissel = bijl, houweel; ON dissel
thissel = dissel = disselboom = boom tussen paarden van tweespan
thissum = deze
thistel = distel (# plant)
tho (te, to) = te, naar; ON tho, to
thoddan = ronddolen, slepen
thodde = marskramer; WA todde; EA tudde
thogh = teug; ON toghe
thogh (eagther, egtir, hwethrae, mer, mar, mor) = bw echter, maar, doch, hoewel, toch, ofschoon; ON toghe
thoghan (togan) = ww togen, reizen, trekken; ON toghen
thoghet = tocht, reis; ON toght, togt
thoghus = bazaar, overdekte markt; ON toghehuus
thogrig = toebehorend; WAoud thogrich
tholl = dol (# roeispaan); ME thole
thon =A thone
Thonar =A Thunar
thonc = dank
thoncian (thancian) = danken
thone = die, hun
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford) =
die stad die Cerdisford is genaamd (geheten)
thonne = toen, wanneer, nu, dan
Thor (Dor) = Donar = Anglische god van gerechtigheid > PgAng/Donar
thore =A dore
thorfte =A thearf
Thorhem {885-896nC} = Doorn/Utrecht > PgAng/Thorhem
thorn (thearn) = doorn, stekel; OD dorn
thorn = landweer omringd door doornstruiken
thornig = doornig
thorp (tharp, throp) = akker, landgoed, dorp; KA thorp; ON torp = akker, landgoed, dorp
thorpman = boer, dorpeling; ON dorpman
Thorulf = jongensnaam
thosa (thusa) = die, deze
thote = dacht (v denken)
thou (thu, tow) = je, jij; DR dij; TW dow
thowt = dacht, gedachte; ME thought
thraed = draad; ME thread
thraede = spoedig, vlug; ON drade
thraf = berisping, straf
thrafian = drijven, berispen, straffen
thragan (dragan) = dragen
thraw = worp
thrawan (weorpan) = werpen
treamsa (cornblom) = korenbloem; KA treamsa; TW+DR tremse
threat = menigte
threat = dreging
threatian = ww dreigen
thred (tred) = tred, trede; KA thred; WA tred, trat; AH trad
thredan (tredan) = ww treden, betreden, stappen; KA tredan; AH traen; ME to tread
threo =A thrie) (drie)
thrie (threo) = drie; AH dree
thrim = derde
thritig = dertig
thrymm = triomf, glorie
thu (thou, tow) = je, jij
thufe (duve) = duiv
thufine (dufine) = duivenhok
thuht = dacht (v denken)
thungen = uitmuntend, glorieus
thurh = deur; ME door
thurh = door, doorheen; ME trough
thurhfleogan = vliegen door
thurwunian = doorgaan, blijven
thurst = dorst
thus = dus
thusa (thosa) = die, deze
thusa (to hus, up cott) = thuis; ON thuse; AH thoes
thusend = duizend; TW doezend
Thuvine = Duiven, stad in de Achterhoek; > PgAng
thyrlian = aangrijpen, aangegrepen worden; ME thrill
trenan >A treanan
trendan = ww rollen
trendel = kring, schijf
thragan = ww pogen, ondernemen
thragan = ww regeren
thrage = regering
thrage = poging, onderneming
thread = tred, trede, schrede
threadan = ww treden
threanan = afscheiden, losmaken; DT trennen
Threanta =A Threnta
Threnta (Threant, Trenta, Drenta) = Drente; KA Threanta
Mogelijk afgeleid van Anglisch threanan (scheiden, afcheiden) + -ta (onbebouwd, woest land; >A -ta). > PgAng/Drente
threo (thri) = tw drie; WA dree, drei; WAoud drey; LB dree; PD dree; AGoud thrie
threoda dael = derde deel; WAoud drudde deill
threodaeg = derdendag = voor de derde dag (maal?)
threofardael = drievierde deel
threohalf = derdehalf = 2½
threotene = dertien
threotende = dertiende
threotende daeg = dertiende dag = 6 januari
threp = trap, terp, klif > PgBrit/Aeglesthrep
thri (threo) = drie; TW dree, drei; TWoud drey; LB dree
thriblaed = drieblad = klaver (# plant)
thricorn = tricorne = steek (# herenhoed) met drie punten, i.c. links, rechts en voren
thrifot = drievoet = drie stokken waaraan een haak hangt boven een vuur om te koken, bakken of roosteren
thrim = drie
thrim maegthum Germanie = drie Germaanse machten
thringan = dringen
thristecc (thricorn) = driesteek = herenhoed met drie punten
thritig (thrittig) = dertig
thrittig (thritig) = dertig
throgh (thurh) = door, doorheen; KA throgh; ME through
throp (thorp) = dorp, landgoed
throte = strot; ME throat
thrutian = gezwollen zijn; VA NL strot
thryccean = drukken
thrym = drom, menigte, kracht, macht
thrysce (leaster) = lijster (# zangvogel)
thryth = sterkte, macht
thu (thou) = u, jij; WA ty
thufe =A dufe (duif)
thula = gat, greppel, goot i.b. bij dijk of dam; WA/Harreveld doele
thuma = duim; WA doem
thump =A stump
thun = vlechtwerk van wilgetakken (=A thenas), schutting, afrastering; ON tuyn
thun (thune, thyn, toon, tone, tun, tune) = tuin, omheinde grond, erf, woonstee, nederzetting, oord, stad; KA tone; TW tuun; AH tone; GD toon; ME town
Thunar (Thunnor, Thynar, Thonar) = Donar (Germaanse god) > PgAng/Donar
thunbow = tuinbouw
thuncrayere = stadsomroeper
thundar (thunor) = donder; DR dunder; ME thunder
thundarclap = donderklap
thundardaeg = donderdag; DR dunderdag; ME thunderday
thundarleac = donderlook (# huislook, kruid)
thundarslag = donderslag
thundery = tuinderij, tuibedrijf
thune =A thun
Thunnor =A Thunar (Donar)
thunor =A thundar
thunpaed = tuinpad
thunresdaeg =A thuresdaeg
thunrian = donderen (# weer); ME thunder
thur (duru, thurh, throgh) = door, doorheen; KA throgh; WA deur; SW deur; ME through
thurbringan {thurbringet, -broged, -braged} = ww doorbrengen
Thuredrecht {c 400nC} = Dordrecht
thuresdaeg (thunresdaeg) = donderdag; genoemd naar de god Thor; ME thursday
thurfan = ww nodig hebben; ON durven, dorven
thurh =A thur
thurst = dorst
thurstan = dorsten
thurstig = dorstig
thus = dus, aldus
thusend = duizend; WA duzend, doezend
thusend wera = duizend soldaten
thusendblaed = duizendblad (# kruid); WA doezendblad
thuta = adviseerbaar
Thuvine {838nC} = Duiven/Liemers
thwaert = bn dwars
thwaertan = ww dwarsbomen, voorkomen, verijdelen
thwaerlaecan = overeenstemmen, accoord gaan
thwang = dwang
thweal (dwael) = dweil, waslap, het wassen; WA dwil, dwiel; ON dwale, dwael
thwealan {thwealt, thwealet, thwealt} (dwaelan) = dweilen, wassen, aflappen
thweores = dwars
thwi (twi, twa) = tw twee; DRoud/Meppel twi
thwingan {thwingt, thwong, thwongan} = ww dwingen
thwitan = ww afsnijden, afhouwen
thy = daarom, omdat
Thy = Uw; TW Dien
thye = zwelling, bult, heuvel; TW thye
thyfel = bos
Thyg wondar = bewoner van erve Thyg
thylaes = opdat niet, uit vrees
thyllic = zulk
thyn =A thun
Thynar =A Thunar
thyncan = ww lijken
thynn = dun, zeldzaam, schaars, gering, onbeduidend; ON dunne
thyns (tins) =A cyns
thyr = reus, demon
thyran = tieren, turen
thyrel = gat, tuurgat, kijkgat
thyrre = droog, dor, onvruchtbaar
-ti = -tje; DR -tie; ME -ty
tiadae = die dagen, toen; > aefter tiadae
ticcen = kind, geitje
tice = geitje
ticia (teke) = teek; Zelhem: tieke > PgAng/Tieckenslaegte
tid (thid) = tijd, getij; WA+SH+SW tied; ME tide, time
deara tid = zware (moeilijke) tijd
tidan = overkomen, gebeuren
tidig = tijdig; ON tidich
tiding = tijding; WA tiding
tiding >A tithing
tidlic = tijdelijk, aards; ON tidelijk
tieman = voortbrengen
tien = tw tien
tiergan = ww tergen; WA targen
tife = teef; ON teve
tig (tih) = boerenerf, open ruimte
tigan = tuigen, binden, vastbinden; WA tugen; ME tie
tigele = tegel; ON+WA tichel; TW tichel; GR taigel; ME tile [tail]
tigelmakere = tegelmaker
tigelmakery = tegelmakerij; TW tichelmakerie
tigelofen = tegeloven, steenoven; TW ticheloawn
tigelwerc = tegelwerk, tegelfabriek; ON+WA tichelwerk
tih =A tig
til = goed
til = tot
tilian = streven, verkrijgen, bebouwen
tilian (teolian) = ww telen, cultiveren
tilla {mv tillas} (brycg, brigge) = brug; GR til = brug
tillan = ww tillen
tillere = bruggenbouwer
tima = tijd, tijdstip; ME time
timber = hout, bouwmateriaal, stapel huiden; ON timber
timbran =A timbrian
timbrian (timbran) = timmeren, bouwe > getimbrian
timp = bn klein; WA timp
timp = punt, stuk
timp = puntig stuk land
tinclian = prikkelen, kittelen; VA NL tintelen
tind = tand, scherpe punt
tinn = tin, blik (# metaal); ON tinne, tenne
tinnslegere = blikslager
tinnslegery = blikslagerij
tins (thyns) =A cyns
tintreg = mishandeling, foltering
tintregian = mishandelen, folteren
tinxdaeg (tiwesdaeg) = dinsdag; KA tiwesdaeg; ON dincsdag, tsinxendag; DR dingsdag > PgAng/Dingplaatsen
tior = moe, vermoeid
tiorian = ww vermoeien
tip = afval, vuilnis; ON tip; ME tip
tir (rum, rym) = eer, roem
tisick = tering, tbc; ON tisike
tithian = toekennen, accoord gaan
tithing = tiding = regio met tien huishoudens = deel van een hundred (gebied)
titt = tit, tiet; ON tete; TW tit; AG [tiet]
Tiw =A Tuiwaz
Tiwas =A Tiwaz
Tiwaz = Anglische god van de gerechtigheid > PgAng/Goden
Tiwes =A Tiwaz
tiwesdaeg (tsinxdaeg) = dinsdag; genoemd naar de Germaanse god Tiwaz; ON dincsdag
to (te, tho) [too] = te, naar; ON to, tho; WA too; GD te; ME to
to bedd = naar bed; SH to bet
to ham = thuis
to hus (thusa, up cott) = naar huis, thuis; SH to hoes
toban = ww tobben
toberstan = tebarsten
tobig = tobbig; GD toby
tobrecan = afbreken
tobregdan = tebarsten
toca = ouderwets mens; AH toeka
tocyme = te komen, aankomend
tod = bundel twijgen
todaeg = vandaag
todaelan = afscheiden, verdelen
todaeled = verdeeld, divers
todal = afscheiding, verschil
todd = ploeg
toddan = ww ploegen
toddan = tornen, lostornen; TW todden
toddan (thodan) = ronddolen, slepen; AH todn
toddere (tuddere) = koopman met rugmand
toddman = ploeger; LC todman
toga = tocht, hoogte; ON togt; WAoud toghe, toege, teuge
NB Teuge/Twello, DeTeuge/DeHoven/Zutphen
togan (thoghan) = togen, ergens heen gaan; ON toegaen; WAoud toegen
togaedre = tegader, samen, gezamelijk
togeanes = tegemoet, richting
togen = tegen
Toghe = Teuge/Voorst/Deventer
togian = ww slepen, trekken
toh = tof, taai, hardnekkig; ME tough [taf, tof]
toheap (tohop) = tehoop; KA tohop; WA tohope
tohnis = taaiheid, hardnekkigheid
tohoaran = ww toehoren
tol = gereedschap; ME tool
tol (toln) = tol, draaitol (# gereedschap)
toll = tol, grensbelasting; ON tol, tolle, toln
tollan = ww tol betalen; ON tollen
tollbar = tolplichtig; ON tolbaer
tollbeam = tolboom, slagboom; ON tolboem
tollbord = tolbord = bord bij tolboom met daarop de toltarieven
tollcaemere = tolkantoor; ON tolcamere
tollgield = tolgeld
tollhus = tolhuis, belastingkantoor
tollnere = tolheffer, belastinginner
tolltarif = toltarief
tollwaeg = tolweg
toln =A tol
tolspinnan = ww tolspinnen = spinnen met een spintol > spintol
tomeag = tegmoet; AH teomeg
tomiddes = temidden
tomod = tegemoed
ton = toen; ME then
ton (tonne, tun) = ton; AH tonne; WAoud toen
tonfisc = tonvis = gezouten vis in ton
tong = tang
tone (thun, thune, toon, tone) = tuin, omheining, omheinde grond, erf; ON tuyn; DR tuun, toen; WA/TW tuun; AH tone; GD toon; ME ton
NB Vrml hoeven Harreveld: Berends Tone, KŲsterziene Tone, Meulen Tone, Ooimans Tone, Platen Tone en Wessels Tone.
tonne = ton, vat, inhoudsmaat; AH tonne, ON tonne, tunne
too = toe, ook, erbij; AH too; ME too = ook
too = toen; GS too
toon (tone, thun, thune) = tuin, omheinde grond
topp = top, spits, heuvel
tor (torra, toran) = toren; AU tura = speer
toran (tor, torra) = toren; ON tor, torn; AU tura = speer
torc (tortys) = toorts, fakkel, flambouw; ON tork, turk, tortyse
torcca (hleodryhtne) = torque = hals- of armband van goud
tord = mest, stront; ON torde
tordwifel = mestdraaier (# kever)
torf =A tarf (turf)
torn = toorn; OD zorn
torr = poetsdoek; WA torre
torr =A torra (toren)
torra {mv torras} (tor, toran) = toren; ML turun [toeroen] = ww dalen; AU tura = speer; OT* tura = speer, hoogte, boven
tortys =A torc
toruck (bac) = terug; TW trugge; AH truge
tosamne = tezamen
toscan = ruilen; AH toesken
toscan = tussen
toss = zode, graszode, pol, stronk; TW+AH tosse
toteran = verscheuren
toth (tand) = tand; LW dant (mv dantis)
totide = momenteel, tegenwoordig; ON tetide
touw = werk
tow (tawe) = touw, sleeptouw; TW tow
tow (thou) = je, jij; TW dow
tow (taw) = toe, door, voort; ON touw, tauw, towe
towael = kletsmajoor; AH toelewale
towan = douwen, duwen, slepen, trekken, voortgaan, doorgaan
towbot (snicc) = trekboot, sleepboot; ME towboat
toweard (tuwart) = naar, naartoe; ON tuwart, tewaerds; ME toward
toweard = toekomst
toweorpan = toewerpen, omverwerpen, vernietigen
towere = leerlooier, huidenbewerker; ON touwere
towery = leerlooierij, huidenbewerkerij
towpaedh = jaagpad = pad langs trekvaart waarlangs de slepers de boot trekken
towslegere = touwslager
towslegery = touwslagerij
trae = traa = smalle bosweg
traec = trekweg = zandweg met karresporen
traemp = zwerver, landloper
traempan = zwerven
traes =A traet
traet (spor, traes, treck) = trede, spoor, voetspoor; ON traets, trase; ME trace
traewan = bedelen, zwerven; ON truwan
traewant = bedelaar, zwerver; ON truwant
trag = traag, slecht
trapp = val; ON trappe
trappere = pelsjager
traw =A treow
-tre (-try) = -boom
tread = stap; AH trad
treadan (tredan, thredan) = ww treden, schoppen; KA treadan; AH traenn
treadan = ww handelen
treade = handel
treadere = handelaar
treadman = handelsman, ambachtsman
treaft = drievoet, onderzitter; ON treeft
treagle (caedic) = tragel, kadijk, jaagpad, trekpad, zomerkade
treampalan = ww trempelen, trappen; AH trempeln = trappen
trean = trien, meisje; AH triene = ouderwets meisje
treck = trek, ruk, spoor, bospad
treckan {treckt, trock, trockan} = trekken, rekken, rukken, slepen, zuigen, slurpen
treckfear (fotfear) = trekveer, voetveer = platte boot met touw om naar overkant te trekken
treckhors = trekpaard
trecksacc = trekzak, trekharmonica
treckwaeg = trekweg = weg waarlangs mensen te voet trekken; voetpad
tred (thred) = tred, trede; KA tred; WA tred, trat
tredan (thredan) = ww treden, betreden, stappen; KA tredan; ME to tread
treg = strijd
tregan = strijden
tregar = strijder
tregian = bedroeven, kwellen
trekian = strijden, vechten
trekiar = strijders
trend (trind) = bocht
trend (trind) = bn bochtig, rond
trendan = buigen, rollen, draaien
trendig = bochtig
Trenta (Threntia, Drenta) = Drente
treo (treow, beam) = boom, hout; KA treow; ON traa; ZW tra [tree] = hout; ME tree
treow (treo) = boom; ME tree
treow = overeenkomst, wapenstilstand; ME truce
treow (traw) = bn trouw, eerlijk; KA treow; ON trauw, truwe; GR traauw
treowa = trouw, eerlijkheid; ON trauw, truwe
treowan (trowan) = ww trouwen, huwen; KA trowan; ON trowen; WA trowen
treowas (trewas) = wapenstilstand; KA trewas; ME truce
treowcynn = soort boom
treowe = waar, waareachtig, echt; ME true
treowth = waarheid
treowyrhta = houtbewerker, schrijnmaker, timmerman
tresor = schat; ON tresor
tresorie = schatkist; ON tresorie
tresoriere = schatkistbewaarder; ON tresorier(re)
trewas (treowas) = wapenstilstand; KA trewas; ME truce
triewe = trouw
trig = smalle houten boot met platte bodem; ME tray
trig = dienblad
triggan = ww trekken
trimes = dragma (muntsoort)
trind =A trend
trindan =A trendan
trindig =A trendig
trippa (platin) = trippe, platijn = klomp met houten zool en leren band
trog = trog, voederbak; OE trog; ME trough
tronc = boomstronk; ON tronc; ME trunk
trop = troep, kudde, zwerm; TW+AH trop
trott = domoor, stommeling
trottan = draven; NV trotten; ME trot
trottere = draver; NV trotter; ME trotter
trowan (treuwan) = ww trouwen, huwen; KA trowan; ON trowen; WA trowen
tru (truwa) = trouw; ON tru, truwe
truge = terug; AH truge
truht (forrel) = forel (# vis), trut; WAoud troet, trut
truhtman = forelvisser; WAoud troetman, trutman
trum = sterk
trum = trommel; TW trum; ON trum; ME drum
truman (trymian) = ww trimmen
trum = sterk; ME strong
trump = trompet, trompetter; TW trump; ON tromp; OE trump; ME trumpet
trunc = tronk, boomstam, reiskoffer; ON tronc
truncbrigge = tronkbrug = brug van tronken (boomstammen)
truwa = trouw, geloof; ME trow
truwian = trouw zijn, geloven, beloven
-try (-tre) = -boom
trymian (truman) = ww trimmen
trymman = versterken
trymman = in orde brengen, bevestigen
trymming = versterking
tsyne = 't zijne = andermans bezit; WAoud tsyne
tsyne nemnan {LT 't zijne nemen} = plunderen
tu (twa, thwi) = twee; HD do; ML dua; >A twegen
tub (cupe) = tobbe, wastobbe, badtobbe, badkuip, kuip; WA tubbe; GD tub
tub = plas, meertje > PgAng/Tubbergen
Tubbig = Tubbergen
tuc = zak, broekzak; WA tuk
tuc = haal, trek, ruk, gek; ON tuc
tuccan = trekken, insteken
tuccan = tuk nemen, voor de gek houden
tucian = slecht behandelen, aandoen
tudder (tether) = touw om vee vast te binden; ON tuder
tuddere (toddere) = koopman met rugmand; TW todden
Tuenta = Twente > PgAng/Twente
tuenta (tunta*) =* speer; AU tunta > PgAng/Twente
tuge = vz tegen; WA teuge
tugnis = opbrengst; WAoud tuchnisse
tugon >A teon
tul = tul = speen, tuit, kan, kruik
tulnere = tulner = tollenaar = tolgaarder = inner van tolgeld
tumbe (tumme) = tombe, grafsteen, zerk; KA tumbe; ON tombe, tumbe, tomme
tumbian = tuimelen, dansen; ON tumelem; ME tumble
tumme =A tumbe
tun (ton) = ton
tun (tune, thun, tone) = tuin, omheining, omheinde grond, erf; WA tuun
tunan = omheinen, vlechten; ON tuynen; TW tunen (vlechten)
tune (tun, thun) = tuin, omheinde grond, erf; WA tuun
tunge = tong, taal; ON tunghe; PD tunghe; ZW tunga; ME tongue
tunge = tongval; ME tongue
tungle = tongel = kleefkruid; GR tongel
tunta >A tuenta
turbel = onrust; WAoud turbel
turf (tarf, torf) = turf, turfveld; KA turf; ON+WA tarf; ZW torf; ME turf
turnian (tyrnan) = draaien, keren, omkeren
turtel = schildpad; ON turtel
turtur = tortel, tortelduif
tusan = heen en weer trekken, stoeien; ME tousle
tusc (tux) = slagtand, lange puntige tand
tusc (tux) = driehoekig stuk land
tusc (tux) = vz tussen; ON tusk; TW tuske, tusken, tusgen; AH tusken
tuta = tuit, hoek, puntig stuk land, toeter, hoorn; ON tud, tute; WA toet, puntzakje; AH tute, tuutn
tuta = puntig
tutan = toeteren, hoornblazen
tute = kip (# pluimvee); WAoud tuite
tutere = hoornblazer, trompetter; ON tuter; NV tuter
tutert (tuthare) = kippenveld; WAoud tuitert
tuthare (tutert) = kippenveld
tuwart (toweard) = naar, naar toe; ME toward
tux =A tusc
twa (thwi, tu) = twee; SH twee, two; WA twee, twei, twŤ; HD do; ML dua; KA twa; ME two > PgAng/Beckum
twahan (twean) = ww wassen; KA twahan
twanghe (tanghe) = zandrug (vork) in rivier of veengebied
twastecc = tweesteek = steek (# herenhoed) met twee punten
twean (twahan) = ww wassen; KA twahan
twegen =A twa, tu
twegen ealdormen = twee oldermannen, leiders
twelf = twaalf; ON twelef, twaelf; WA twelven
Twelf Nihtan = Twaalf Nachten
twen (twi, twa) = twee
Twenloe {AVA twen (twee) + loe (bos)} = Twello
twentig = twintig
tweo = twijfel
twi (thwi, twa. twen) = tw twee; DRoud/Meppel twi
twi = twist
twian = ww twisten
twicc = ruk, trek
twicc = tweesprong
twiccian = rukken, trekken, afrukken
twice (twiges) = tweemaal
twideorc (twiliht) = schemering; AH tweedonker, tweeduuster
twifel = twijfel, tweestrijd; ON twifel, twivel
twig = twijg, tak; ON twich; TW twieg; VWoud twych; OE twig
twiges (twice) = tweemaal; ME twice
twil = lange tussenbalk
twil = zadeltop van berg of hoogte
twil = helling
NB Hoge Twil (huis) in Geesteren/Lochem. Dit huis staat op een helling bij een kanaal. #FRI/2015
twil (twyl) = dubbel
twileoht (twiliht) = schemering; KA twiliht; DR twielocht; ME twilight
twilhar = twilhaar = hoogte met zadeltop; TW twilhaar
NB Twilhaar bij Nijverdal.
twili = soort dubbeldraads weefsel; ME twill
twiliht (twileoht, twideorc) = schemering; KA twiliht; ME twilight
twiling = tweeling; WA twiling; ME twin
twin = twijn (dubbele draad), tweetal
twinan = slinken
twincel = twinkel
twinclian = ww twinkelen
twist = bocht, draad, wrong, streng, koord; ON twist
twist = ruzie
twistan = twisten, wringen, buigen; ME twist
Twisto = oergod van de Angelen > PgAng/Twisto
twit = verwijt, berisping
twitt = steeg
twittan = verwijten, berispen
twix = tweevoud
twixen (betwixen) = tussen; ON twisken
twy (twi) = twee
twyfal = twijfel; WA twiefel; WAAoud twevel, twivel
twyfalan = twijfelen; WA twivelen
twyfalig = twijfelig, twijfelachtig; WA twivelig
twyl (twil) = dubbel
twyman =* twijfelaar
tyan = ww trekken; ON tijen
tygal = teugel; ON toghel
tylga =A telga
tyn =A thun (tuin, etc)
tynder = tondel, aansteker > ontendan
tynderbox = tondeldoos (# protovorm aansteker)
tyrn = draai, bocht, ommekeer
tyrnaep = knolraap (# gewas); ME turnip
tyrnan (turnian) = draaien, keren, omkeren
tyrnan = vast zetten; AH teurn
 
u::
u = u, U; EA u, U > uu
U =A u
ub =A up
-uc >A -oc
uccle (huccle) = ukkel, ukkie, klein kind, iets kleins
uccle (huccle) = klein, teer
uder = uier
uf (huf) = huig > hyge
ufan =A bufan
ufan =*A ofan =A ofen = oven
ufeweard = opper, bovenste
ug (ugg) = vrees, afschuw; VL ugh, oeg
ugg =A ug
uggland =A ugland, unland
ugland (uggland) = onland = slecht land, woest en moerassig land
uglig = afschuwelijk, vreselijk; ME ugly
uhta = ochtend
uhtagloran = ochtendgloren
ulc (mud) = ulk = bunzing (# stinkdier), sukkel, dwerg
ulcan = stinken; AH ulkn
ule (oule) = uil; ON ule; WA ule, oele
ulefell = ulevel = flensje = dunne, kleine pannekoek
ulig = suf, suffig; AH oeleg
um = vz om; TW+AH um
-um (-ham, -le) = huis, heem, woonstee, woongebied, oord, woonoord, land >A hume
Komt voor in vele plaatsnamen. O.a. in Beckum (= Beckham). > Seaxum
-um = -en, -es (meervoud)
VB Widsith (425nC) Persum = Perzen
-um = soms een gelatiniseerde vorm van een Anglische term
umbo = ombouw
umbo = schildknop
umbowan = ombouwen; AH ummebouwen
umcomon = ww omkomen
umfreadan = omheinen; AH umvreedn
umgang = omgang
umhowan = omhouwen, omhakken; AH ummehouwn
umlupp = omloop = omweg; VW omlop
ummagang = ommegang = 3x rond graf lopen na begrafenis
Umme =A Ummen
Ummen (Umme) = Ommen
ummer = immer, steeds; WAoud ommer
ummers = immers; WA ummers; WAoud ommers
umslaeg = omslag, verandering; AH ummeslag
umlike = in de regel, net zo goed; AH umsgelieks
umslingan = ww omslingeren, omgeven
umslung = bw omslingerd, omgeven of omringd door
umtreac = omtrek, buurt; WA umtrek
umwaeg = omweg
un- [on-] (on-) = on-
unaer = oneer, ongenade
unaeret (ungenath) = ongenadig
unarimedlic = talloos
unarimedlicu = talloze
unarimedlicu herereaf = talloze legerofficieren
unbefruhted = onbevrucht, geen vrucht dragend; WAoud unbevruchtet
unbecnaad = onwetend, onbekwaam; GD unbeknaan
unbidan = ontbeiden, verbeiden, wachten
unc >A ic
uncuth = onbekend
under [onder] = onder; ON under; DR under; WA under; EF [onder]; ME under
NB hevet under = heeft in bezit
under the ploh = bebouwd land; WAoud under de plach
underbaec = onderrug
underbaec = vz achter, achterwaards, terug, omlaag
underbeginnan = ondernemen
undercyning = onderkoning
underdelfan = onderdelven, ondergraven
undereoton = onderuit, omlaag, gevallen; WA onderoet
underfon = ontvangen, nemen
undergan = ondergaan
undergeat >A undergietan
undergietan = begrijpen, ontvangen
undergrowet = ondergroei, bodemplanten
underneodhan = onder, beneden
underntid = 9 uur ochtend
understandan = begrijpen; ME understand
underwaeg (onwaeg) = onderweg, op weg
undohgand = ondeugend, ondeugdelijk; WA onduggend
undogudhlic = ondeugdelijk; WA ondugdlik; WAoud unduchtlich
unforht = onbevreesd
unformolsnot = onverganklijk
unfrea = onmin, vijandschap; AH onvrae
unfurlic (ungefurlic) = ongeveer; WAoud unverlich
Ung- =A Eng-
-ung (-ing) = -ing; WAoud -ung; >A behusung
ungecynde = niet van koninklijk bloed
ungedeorta = ongedierte
ungefearlic = ongeveer; WAoud ongefeerlick
ungefurlic =A unfurlic
ungehiersum = ongehoorzaam
Ungel =A Angel
ungelaered = ongeschoold
ungeltan = onkosten; WAoud ongelden
ungemac = ongemak
ungemaclic = ongemaklijk
ungemetlic = onmetelijk, immens
ungenath = ongenade
ungenath = slecht stuk land; VW ongenade
ungenathig = ongenadig
ungent = zalf; ON ungent
ungesaelig = ongelukkig, onhappy
ungesawad = niet ingezaaid; WAoud ungesehet
ungethwaernes = tweedracht
ungewaerd = ongewaard; WAoud ungewaert = niet deelhebbend
ungleaw = onbewust
ungol (angol, picchoc) = pikhaak (# gereedschap, werktuig, wapen)
ungol = vet, smeer, reuzel; ON ongel, ungel
ungul = instrument met puntige haak
unhiere = wild, beangstigend, monsterlijk
unhierlic =A unhiere
unhold = vijandig
unicorn = eenhoorn (# fabeldier); ON unicoren
unland (uggland, badland) = onland = slecht land, drasland, wetland; WAoud unlandt
unleacan (onleacan) = uitlekken, uitstromen; KA unleacan
unlucan = ontluiken
unmaet = onmatigheid
unmaetig = onmatig
unmanig =A unmonig
unmihtig = onmachtig
unmonig (unmonig) = onnoemlijk; TW onmeunig >A monig
unmudig = onmondig, minderjarig; TWoud onmudig
unnan = gunnen; > est
unnytt = onnut, nutteloos
unrim = ontelbaar
unslid = dierlijk vet, reuzel, varkensvet
unsaelig = onzalig, ellendig, armzalig, onhebergzaam, woest, verdorven, slecht; ON onselich; TW onzoalig
unslogt (slogt) = afslachting, slachting; ON slacht; ME onslaught
unsulh = onnozel; TW onzoel
unsulh = slonzig persoon; AH onzel
unsulhig = slordig; AH onzuleg
untiemende = onvruchtbaar
unuphefednes = bedrog, arrogantie
unwel = onwel
unwin = niemandsvriend
unwis = onwijs, dom; TW+AH onwies
unwittig = onschuldig, simpel, dwaas
unwitu = onwettig, misdadig, schandalig; ON onwitte
unwritere = slecht, onzorgvuldige tekst
up (ub, op) = op, bij; ON up; TW up; SH up; EZ uff; YK+NH [op]; EF [op] > on
up (op, upweard) = opwaards
up cott (to hus, thusa) = thuis; VL op kot
up ham (up cott, thusa) = thuis; KA up ham
up rekanscip = ter nadere afrekening; TWoud up rekenschap
up the wudu = in de bossen
up tid = op tijd, tijdig; WA op tied
Up Voerst (Upvoerst) = op/bij/in Voorst/Ysselland
upanes = opeens, plotseling; AH opens
upbouran = ww opbrengen, ontvangen, innen; WA inbeuren; WAoud upboeren
upboure = opbrengst, inning
upcaemere = opkamer = wat hoger gelegen voorkamer waar gasten worden ontvangen; AH opkamer = vertrek boven kelder; WA upkamer
upcepe = onderhoud
upcomst = inkomsten, opbrengsten; WA inbeuring; WAoud opcompsten
updaw = opdooi
upfaeranda = nieuwkomer; WAoud opvarende
upflor = bovenste verdieping
upgeafan (upgiefan) = ww opgeven
upgiefan =A upgeafan
uphaldan = ww ophouden; ON upholden
uphalding = oponthoud
upheaf (uphef) = ophef, herrie, lawaai, concert; KA uphaef; SH ophaaf
upheafal (uphefal) = ophef, onrust, ontreddering; KA uphaefal
uphef =A upheaf
uphefal =A upheafal
Uplade {1016 AD} = gehucht in de Liemers/Achterhoek. Locatie onbekend.
upland = hoogland; ON opland
uplocan = opsluiten; ON uploken; ME lock up
uppan = meedelen, beschrijven; ON uppen
uppan = open; WAoud uppe
uppan = op; WA uppen
uppanlic = openlijk; WAoud uppelike
uppe = boven; ZW uppe
uppen = boven
NB Upnor in Kent/Engeland heet oorspronklijk Uppen Noor. De Noor is een rivier.
upper = opper, boven, voorste; ON upper
upper (scoc) = hooiopper, hooihoop
upperan = opperen, hooioppers maken, als opperman werken; WA uppern
upperhand = overhand
upperman = opperman, opzichter, werkman
uppian = zich verheffen
uprekanscip = ter nadere afrekening; WAoud up rekenschap
upprel = oprit naar top van dijk; ON opprel
uprisan = oprijzen, verzetten
uprise (uprising) = opstand, verzet
uprore = oproer
upriht = oprecht; ME upright
uprising =A uprise
upsaete = belasting, pacht; WAoud upzaete
upscot = opschot = jonge aanwas van wilde vegetatie; WA opskot
upsetnis = boosheid
upsett = opzet
upsett = bn boos, verontwaardigd
upsettan = ww opzetten, opvoeden; ON opsetten
upstead = terstond, onmiddelijk; DR uppestee
upstream = stroomopwaards
uptaegt = opvoeding; WAoud optocht
uptian = opvoeden; WAoud optien
uptymearing = bouw; WAoud optymmeringe
Upvoerst >A Up Voerst
upwaeter (upwatre) = vloed, overstroming; KA upwaeter; ON opwater
upwatre =A upwaeter
upweard = opwaards; ON upwaerd
ur = bn oer; ON ur
ure = ons, onze, onzer; DR ous; TW us; ZW oss [os]; ME our
urnon >A iernan
uroxa = oeros, oerrund
us [us, os] = ons; WA us; ON us; GD us = ons, me; TW us; NH us; OE us; EF us; NI [os]; ZW oss [os]; ME our
useran = gebruiken, wennen; ON useren; ME use
ustar (ostre) = oester
ustarman = oesterman = oesterkweker
ut = uit; ON ut, uut; WA uut, oet; LB uut; SW uut; GD oot; ME out
ut the wid = uit de weg; WA oet de wid
utan = buiten, van buiten; ON uten
utandic = buitendijk; bn buitendijks
utane =A utan
utbac (abac, utham, uthoc) = uithoek, afgelegen gebied; ME outback
utblaesan (utblawan) = ww uitblazen; TW oetblaozn; GD blaa oot
utblawan =A utblaesan
utbold (uthus) = uitbouw, bijgebouw
utcome = uitkomst
utcropp = open aardlaag; ME outcrop
utdaen = verpacht; WAoud uutgedaen
utdon = ww verpachten; WA utdoon
utdore = buitendeur, buitenshuis
utdragan = opbrengen; WAoud uutdraegen
utdrift (leadwaeg) = weg waarlangs vee gedreven wordt en waar het kan grazen
utdrift = uitrit
utemest (ytemest) = uiterste, laatste
uter = uit de, buiten de; ON uter
uter = bn uiterste, buiten, buitenste; ON uter
uter {mv -s} = vreemdeling; GD outer
uter- = uiter-
uteran = ww uiten; ON uteren
uterham = buitengebied
uterhofe = buitenhof, buitenplein
uterlic = zn+bw uiterlijk; ON uterlic; WA oeterlik
uterra (yttera) = buiten-
Utert = Utrecht; WAoud Utert
uterweard (utsleag, ooy) = uiterwaarde = land tussen dijk en rivier
uterwic = buitenwijk; ON uterwyck
utfeard = uitvaart, begrafenis
utfitt = uitdossing, kleding
utgaerd = buitentuin
utgan = ww uitgaan; WA oetgaon
utganc = uitgang
utguran = ww uitstrooien
uth (yth) = golf
utham (utbac, uthoc) = uithoek; DR oetham
utham (ham) = uitham, land in bocht van weg of water
uthan (ythan) = ww golven
uthoc (utham) = uithoek; DR oethook
uthus (utbow) = bijgebouw
utlaeth (utlett) = uitlaat (van water); WA utlaot
utlag = outlaw = vogelvrij (= rechteloos) verklaard persoon; ME outlaw
utland = buitenland
utland (utsate) = buitendijks land; ON utlant
utlett (utlaeth) = open schuur; KA utlett >A lett
utline = omgeving
utloc (sith) = uitzicht, uitkijk
utsate (utland) = buitendijks land; ON utesate, utesete
utscot (scod) = uitschot; WA oetskot
utscyrt = buitenwijk, randgebied
utsiht = uitzicht; WA oetsigt
utsittan = ww uitzitten; WA oetzittn
utsleag = uitslag (# aandoening)
utsleag (uterweard, ooy) = uiterwaarde
utsleag = straatverkoop, gewas, vegetatie; ON uteslach
utslean = venten, verkopen, uitbotten (# vegetatie); ON uteslaen
utspan = uitspanning = plaats waar paarden uitgespannen worden en verwisseld met uitgeruste paarden > PgAng/Reizen
uttera = uiterst; ME utter
utteran = ww uiten, zeggen
uu = uu, w > u
uyr = uur; WAoud uuir
 
v::
v- ze f-
vaec =A vake
vaeke = bw vaak
vaet >A vat
vagarant = zwerver
Vahal = Waal
vake = slaap; bn slaperig
vala = vaal
vald =A fald
Valouwe (Felaowa, Felua = Veluwe
vandael = vandaal
vang = scheepstouw
vase (fase) = vaas, bloemenvaas; ON vase
vat (vaet, faet) = vat, soort boot
veam = veem, vereniging, broederschap
veamgeriht [veemgeraith] = veemgericht
vearan = ww vieren, loslaten
veark (fearc, su) = varken
veld (feld) = open, onontgonnen land
venear = fineer, deklaagje
venearan = fineren, bedekken, afdekken
veninan = ww vergiftigen
venine = venijn, vergif; ON venijnt
veninere = gifmenger; ON venienere
vermilon = vermiljoen (# kleur)
vennel = smalle gang; GD vennel
Versen {1381 AD} =
Vethusen {1142 AD} = Vethuizen/Liemers
veyle = voile
viccari = vicarie = huis van de vicarius; WAoud viccari, vicarie
Viderus {c 200nC} = de Vecht = rivier in Noord Overijssel
virger = dienaar
Voerst = Voorst bij Zutphen
vogal (mv vogala; fugol, fogle) = vogel
vogala = vogels
vorrel =A forrel (forel)? NB komt voor in veldnamen en wegen op platteland
 
w::
wa = weg; OE wa, weg; ME way
wa = wee, pijn, verdriet; >A waje
wabblan = ww wiegelen, waggelen, schommelen
wac (waec) = bn week, zwak; ME weak
wac = wak = gat in het ijs
wacan (waeccan, wakan) = waken, bewaken; KA wacan
wacan = wekken; ME to wake
wace (wake) = wake, wacht; KA wace
wace = bn wakker
wacefeld (tacefeld) = bewakingsgebied, veiligheidszone
wacel =A waecel, wachel
wacere = waker, bewaker
wachel =A wacel, waecel
wachelfeld (wakelfeld) = veld met jeneverbessen (# boom)
wacian = waken, oppassen
wad = wede (# plant met gele bloempjes), blauwe verf (indigo) gemaakt van wede
wadan = ww waden = door laag water lopen
wade (ford) = ON/Utr wade = voorde = doorwaadbare plaats
wade (gewat) = wed, drinkplek voor dieren; ON wade, wed
wade (waey) = waai, kolk, meer, poel, plas
wade = nat bouwland aan beek; TW wade
waec (wac) = week, slap; ME weak
waeccan =A wacan
waecdog (balchund) = waakhond
waecean = ww weken, week (slap) maken
waecel (wacel, wachel) = wakel = jeneverbes (# naaldboom); TW+AH wakel, wachel
waecnan = wekken, wakker maken
waectoran (garite) = waaktoren, wachttoren
waed = wad, water, zee
waedia = arme man
waefan = ww wuiven, groeten
waefan = ww golven (# water, korenvelden, etc)
waefan = ww omwikkelen, bekleden
waefe (wafe, billoug) = golf
waeg = klein, pitoresk
waeg (weg, wea, wa) = weg, pad; KA wea; WAoud wee; ZW vag [wegg]; ME way
waeg = weg, verdwenen; GR wai; AG wae
waeg (pise) = gewicht, last
waegan = ww wegen
waegbrea = wegebree (# wilde bermplant); ON weghebra
waegenere =A waegman
waegh (pisewaegh) = weegschaal; ON waegh
waegman (waegenere) = voerman = koetsier; KA waegman; ON weghenman, wegman
waegn (waen) = wagen; AH waach
waegnmakere = wagenmaker
waegnsmeor = wagensmeer = smeervet voor wagendelen
waegnweol = wagenwiel
waegwissere = wegwijzer
wael = bron, put, wel
wael (hwael, ran) = walvis; KA wael
wael = slachting, slachtpartij
waelan (walan) = strijden, vechten, verslaan, doodslaan
Waelcyrge = Valkieren (Noorse mythologie)
waele = waal, kolk; ON wael
waelere = strijder, vechter, soldaat
waelhreow = wreed
waelhreowlice = wreed
waelstan = muursteen
waelstede = strijtoneel, slagveld
waen (waegn) = wagen; TW waan; ME wain
waenan = ww wanen, menen, duchten; ON wanen
waend = wand, van wilgetenen gevlochten wand, muur; ON want
NB De Lange Wand in Rekken (Gld) is een groot gebogen akkergebied
waend = akker; VW wand; > daegwaend
waend =A waenda
waenda (waend) = wende, keerpunt; WA went
waendan = ww wenden, draaien, ploegen, winden, buigen, vlechten
waenna = wan = platte mand van gevlochten wilgetenen om kaf van koren te scheiden; WA wanne
waepel = poel, plas, moeras; VW wapel; ON wapel
waepen = wapen; ME weapon
waepenbrothor = wapenbroeder
waepengetaec =A waepentace
waepenmakere = wapenmaker
waepenmakery = wapenmakerij
waepennot = wapengenoot, wapenbroeder
waepenrocc = wapenrok = bovenkleed over wapenrusting
waepensmidh = wapensmid
waepensmidhery = wapensmederij
waepentace (waepengetaec) = wapentake =
1. een hundred = deelgebied van een shire
2. veiligheidsgszone te verdeigen door een hundred (= 100 militairen)
waepnedcynn = manlijke lijn
waeps (waesp) = wesp; KA waesp; TW+AH wepse
waer (war) = waar?; ON waer
waer = bn waar
waer = opspattend water
waer =A waerscip
weard = weerd, weerde, uiterwaarde
waerd = waard, herbergier, kroegbaas; WA weard, waord
waerdell = waardeel = aandeel in een marke; WAoud wardell
waere = waar, waren, goederen
waere >A wesan
waerehus = warenhuis, pakuis; ME warehouse
waerof = waarvan, waarover; ON waerof
waermos = warmoes, groente
waermosbour = groenteboer
waermosere = warmoesier = groenteboer
waermosmaerct = groentemarkt
waermossceopa = groentewinkel
Waermund = Warmond
waernan = zorgen maken, bezorgd zijn; WA waarnen
waerof = waarvan; ME wheareof
waeron = waren >A wesan
waerscip = aandeel, aandeel in een marke; WAoud waer, waerschap
waert (wart, warth) = waarde, uiterwaarde, laagland, omspoeld land, schiereiland; KA warth; ON weert, waert, wert, ward; WF ward
waerum (hwi) = waarom; AH werumme; WA waorum, werum
waes (was) = was (vt zijn); SH ware
waes = dras, nat
waes (was) = meer, plas, moeras; KA wass; ON waes, modder, drasland; VW was; ZH+VL waes, wasse
waesland = drasland; ON waesland
waesp (waeps) = wesp; KA waesp; WA wepse
waessan (hwaessan, waxan) = ww wassen, groeien; KA waxan
waesscowt = dijkgraaf; ON waesscoutte
waest = afval
waest = bn onbruikbaar; WA west = geweest
waestkyl = afvalkuil
waestland = slecht, onbruikbaar land
waestm = fruit
waestput = afvalput; ME wastepit
waestyne = woeste grond; ON wastine
waet = krachtig, flink, dapper
waet = gewaad, weefsel, doek; ON waet
waet (hwaet) = bn gewet, geslepen, scherp; KA waet
waet = bn nat
waete (whate, weatha) = weit, boekweit
waeter (watre, gewat) = water; KA waeter; GR woater; ZH [waoter]; SW waeter; SL wetter; ZL [wŰter]; HT watara; ME water [wŰter]
waeterbac = waterbak
waeterbour (waeterman) = waterboer = waterverkoper
waetercule (waterhool) = waterkuil, watergat; SL wetterkoel; WA waterkuul, waterkoel
waeterfeall = waterval
waeterfugol = watervogel
waetergeat (geat, waeterhool) = watergat = grondgat met water
NB Watergatweg in Voorst. Watergate in Washington/USA.
waetergeat = waterpoort = stadspoort over een water; US watergate
waeterhalf = door wateroverlast; WAoud watershalven
waeterhool = watergat, waterbekken, bron, poel, plas, waterput; ME waterhole
waeteringe = 1: wetering, afwatering, sloot; 2: waterschap
waeterlaet = afwateringkanaal; ON waterlaet
waeterland (waetland) = nat land, drasland
waetermaedwe = natte weide
waeterman (waeterbour) = waterman = waterverkoper
waetermyl = watermolen; WA watermul
waetermylen = watermolen
waeterpenning = waterschapbelasting; ON waterpenninck
waeterput = waterput
waeterraed (waeterweol) = waterrad
waeterraet = waterrat = grote rat die in moerassen leeft
waeterrall = waterral (# watervogel)
waeterscada = waterschade
waeterscip = waterschap
waeterscipe =A waeterscip
waeterscyde = waterscheiding = grens tussen twee watergebieden
waeterstand = waterstand
waeterwaeg = waterweg
waeterweol (waeterraed) = waterrad
waeterwercan = waterwerken
waeterwull = waterwol = lage kwaliteit wol; ON waterwulle
waether = of
waethran ofer = ww overtreffen
waethre = echter
waetig = bn nattig
waetig = nattje = borrel; GD wetty
waetland (waeterland) = wetland = nat gebied
waetnis = natheid
waey (wade) = waai, kolk, meer, poel, plas; VW waeije; LM waay; BW wiel, weel, waay
waey = koeweide; DR waai (zuivel)
wafe (waefe, billoug) = golf
wafian (waefan) = ww wuiven, wapperen, golven
wafing = schouwspel, show
wag = wand, muur; ON weeg
waga = wieg
wagan (wagian) = wagen, bewegen, wiegen, schudden, zwaaien, kwispelen; KA wagan; ON wagen; OE waggen; ME wag
wagglan = ww waggelen, kwispelen; ME waggle
wagian =A wagan
wahtan = ww wachten, bewaken
wahtere = wachter, bewaker; WA wegter
wahtman (wahtere) = wachtman, bewaker
waitha (weda, wee) = weide; WA weid
NB Hummelsweid in Eibergen.
NB Vele plaatsnamen in Cumbria (HAG) eidigen op -waithe.
waje = weinig; >A wa
wakian (wacan, wakan) = waken; KA wacan
walan =A waelan
Walacra = Walcheren (# Zeeland)
walburg =A wealburg
walcan (wealcan) = kneden, drukken, persen; ON walken
walcan >A wealcan (lopen, wandelen)
wald =A wold
wald (weald, weold, wald, wold, wud, wudu) = woud; WA wold; ME wood
walda = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde > Bretwalde, weald
walda = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
waldan = ww besturen, beheren, regeren; ON welden
wall (walle, weal) = wal, muur, kade, ruÔne, dijk; ON walle; WA wal, welle; ME wall
walle =A wall
walscot = walschot = vet gemaakt uit een vette stof in de kop van de potvis
waltace (wealtace) = omwald taakgebied (bewakingszone, veiligheidszone)
wamb (wamm) = buik; ON wamb, wamme
wamb = baarmoeder; ON wamb, wam; ME womb
wambsticcere = kleermaker, wambuismaker; ON wambesticker
wambuse = wambuis = hemdrok; ON wambuise
AL holtan wambuse = houten wambuis = stijf persoon, doodskist, planken hut, met palen/staken omheinde vesting
wamm (wamb) = buik; ON wamme
wamsule =A wambuse
wan = gebrek, fout
wan = arm, slecht, fout
wan = mand; TW wanne
wan- (won-) = wan- = slecht; VB wangedrag
wana = minder
wanc = wankel, onvast, instabiel
wancian = wankelen, twijfelen
wancig = wankelig, instabiel, onzeker
wanderan = wandelen, rondzwerven; ME wander
wandlan = wandelen
wandling = wandeling, wending, verandering
wandrian = reizen, trekken, zwerven
wang = wang, kaak, zijstuk, flank, vleugel; ON wanghe
wang (weng) = hellend/glooiend land langs water; VW wange
wang (wong) = wang, vlakte, dam, dijk, kade, landbouw; KA wang; ON wang; VWoud wangh; YK wang
wanian (weanan) = ww wenen
wanig {AVA wa} = weinig, pijnlijk, verdrietig; KA wanig
walem = walm, bron, wel, strobos, schoof
wanne (whenne) = wanneer?; KA whenne; ON wan; ME when
wanon = vanwaar, waarvanddan
wans = Wodenas* = Wodans
NB Wansbeck (beek/NH), Wansbeck/YK, Wanscher (fn/TW), Wanssum (dorp/LB)
wap (wop) = klap, slag, stoot; KA wap; AH wap = wip; WA wap
wapel > waepel
wappan (woppan) = ww slaan, stoten, afranselen, verslaan; ME whop
war =A wear
warc (werk) = werk; WA wark; GD wark
NB Warc komt voor als locatienaam in Noord Yorkshire. Warken komt voor als wegnaam in het buitengebied van Vorden.
warcen (wercan) = werken; WA warken
warcfolk = werkvolk; AH warkvolk, warkleu
ward = waard, bewaarder, hoeder, bewaker, wacht; ME ward
ward = werd (# worden)
ware (folc) = volk; Kantware = volk van Kent
warena = graaf (# functie, titel)
warhus (pachus) = pakhuis
warison = post, steunpunt, versterking; ON warison
warligh =A wearligh
Warmelda [c 1050] = Warmond
warnian (wearnian) = waarschuwen; KA warnian; ME warn
warodh (waroth) = waard, waarde, strand, oever, kust
waroth =A warodh
warra = verwarring, wanorde, onvrede, onrust; ON werre, warre, war
warra = strijd, oorlog
warran = strijden, oorlog voeren
warrarere = strijder, soldaat; ME warrior
warrcray = strijdkreet
warre = oorlog; ME war
wart =A waert
warth (waert, wart) = waarde, uiterwaarde, laagland, omspoeld land, schiereiland; KA warth; ON weert, waert, wert, ward
waru = waar, waren, koopwaar
was (waes) = was (vt zijn); TW wes; GD wes
was =A waes (moeras)
wascan = ww wassen, schoon maken
wascdaeg = wasdag = vaste dag waarop kleren worden gewassen = normaliter maandag; NB maandag wasdag
wascfraw = wasvrouw = vrouw die de was doet (# beroep)
wasctub = wastobbe
wast = middel (# lichaam)
wat = gewaad
wat (hwat) = wat?, wat, iets; KA wat; OD waz; ME what
wat >A witan
watan =A witan
wathan = verder; DR enzowathen = enzovoorts; AH wieters
watla = verband, blidnoek
watre (waeter) = water
watul = watel = muurplaster gemaakt van klei, turf en mest; ME wattle > PgAng
watul = vlechtwerk van wilgetenen bestreken met leem en klei
watul = omheining van gevlochten wilgetenen
Waverlo {1178 AD} = Dijk/Liemers
wawan = waaien
wawulf (werewulf) = weerwolf; KA wawulf; TW wawolf
NB AL wa = wee, pijn
Een weerwolf is een man die soms verandert in een wolf.
waxan (hwaessan, waessan) = ww wassen, groeien; KA waxan
wayan = ww weiden of hoeden (van vee); WA weien
waye = wei, weide
waye = veld, tuin; ON weie > colwaye
wayere = veehoeder; WA weier
wayland = weiland
we [wi] (wi, wu, wuh) = we, wij; KA wi; ON+NA+WA wi; ME we [wi]
wea (waeg, weg) = weg, pad; KA wea; GRoud wee; WAoud wee; ME way
weac = woerd; AH waeke
wead = kolk, diepe waterpoel; ON wade
weadar (weyr) = weer, alweer; KA weyr; ON weder
weafan (wefan, weaffan, webban) = ww weven; WA weaven, wieven, weffen
weafcaemere = weefkamer; WA weavkamer, wiefkamer, wefkamer
weafcomb = weefkam
weafcunst (webbcunst) = weefkunst
weafere (webber) = wever; WA weaver, wiefer, weffer
weafery = weverij; WA weaverie
weaff (wiff) = snel, beweeglijk, behendig
weaffan (weafan) = ww weven
weafgudh = weefgoed, weefsel, geweven stof
weafhut = weefhut
weafpinn = weefpin = pin om weefdraad te leiden
weafscut = weefschut = schot ter bescherming van wever
weafstol (webbstol) = weefstoel; WA wiefstol, wefstol, wefstool
weaftow = weefgetouw; WA wieftow, weftow
weag = tarwebrood; AH weggen
weak = woerd (mnl eend); TW weak
weal (wielle) = wiel, kolk, poel plas; BW+VW wiel
Een wiel ontstaat door een dijkdoorbraak.
weal (walla) = wal, muur, schans, vestingmuur; WA welle; ME wall
Wealas = Welsh, Welshmen
thš Wealas flugon thš Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engle als voor vuur
wealburg (walburg) = walburg = burcht met vestingmuur
wealcan (walcan) = welken, kneden, drukken, persen, wassen; ON walken
wealcan = lopen, wandelen; ME walk
wealcan = lopen, rollen, tollen, zwalken, omdraaien; ON walken; ME walk
weald {mv wealdas} (weold, wald, wold, wud, wudu) = woud; WA wold; ME wood
weald = macht, controle
wealda (walda, weolda) = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde; > Bretwalde
wealda (walda, weolda) = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
wealdan (waldan, weoldan) = regeren, heersen, besturen
wealdan (wieldan) = overweldigen, veroveren
wealde = weelde; TW wealte; ME wealth
wealdend = machthebber, koning
wealf = gewelf
wealg = walgelijk
wealgan = walgen
Wealh = Waal, Kelt; ON Walah
wealha {mv wealhas} = vreemdeling
weall = wal, muur
weallan = wellen, opwellen, koken, zieden, bruisen, zwermen >A wella
wealnutas = walnoten
wealnutu = walnoot
wealt = gebied met veel wilgen (WA welen); VW weelt
wealtace (waltace) = waltake = omwalde take = taakgebied, bewakingszone, veiligheidszone
NB Wealtake is een oude familienaam in Engeland. Naar het lijkt woonden ze oorspronkelijk bij een waltake.
wealter = wentelen; AH weltern
Wealum = Wales
weame = weme = droogzolder; AH wieme; WA weme, wieme
weame (wem) = erf; KA wem; DR wemme
weame = weeme, wheme = huis + hof + 2 morgen land + boomgaard; VW weme
weame = pastorie; AH waeme; WA weme, weeme; WAoud wedeme, wedeneghen
weamod (wimod) = weemoed, boosheid
weamodig = weemoedig
wean = wanne = gevlochten platte mand om kaf van koren te scheiden; TW+AH wanne
weanan (wanian) = wezen, zijn, wenen, huilen
weancre (wencre) = slappeling
weand (went) = wending, keerpunt, bocht
weand (went) = akker; KA weand; TW wende; SL+AH went
weanda =A weand
weandan = ww wenden, keren, ploegen
weanere = bewoner van een kate (kleine hoeve); WAoud wener, weener
weang = wagen, koets; AH waang
weap = klap; AH wapse
weape = wilde roos; WA weepe
wear (weare) = wal, muur, sterkte; ON weer, were
weara = land waarop een hoeve staat, landgoed; ON were; GR wier
wearan = weren, afweren, verweren
wearan (werian) = dragen (kleding); ME wear
wearand = warande = lusthof, jachtgebied
wearbusk = wilgenbos; VW wierbos
weard (weorth) = weerd, waard = buitendijks land, aan water gelegen land, door water omringd land; ON weert, wert
weard (weorth) = weerd, waard = laag liggend land; ON weert, woert
weard = wachter, opziener, toezichthouder, bewaker
weard = menie
-weard = -waards; ON -waerd, -weart
weardere = houder, bewoner
weardian = behoeden, bewaken; ME ward
weardig (weordig, weorthig) = opzichter; ON wearddighe
weardmaester (weordmaester) = waardmeester = toezichthouder uiterwaarden; ON waerdmeaster; WA/Zalk waerdenmeaster
weardscip = voogdij
weare (wear) = wal, muur; ON weer, were
weareld (wearelt, weorold, weyreld, woruld) = wereld; TW weald; ME world
wearelt =A weareld
wearf = erf, onbebouwde grond rond woning, werkplaats, bedrijf
wearf (threp) = werf, plateau, hoogte, kade, dijk, dam, oever, zandhoogte, terp; ON werf, wearf, warf, warft; SH+SW warf; TW+AH warf, werf; ME wharf
wearf = gerechtsplaats
wearf = wilg; AH warf
wearfholt = werfhout = wilgenhout; TWoud warvenholdt; AH warfholt
wearfslat = laag en drassig land met wilgen; AH warfslat
wearg = crimineel, vloek
weargan = ww vloeken, vervloeken
weargield (wergield) = weergeld, boete > PgAng/Weergeld
wearig = vruchtbaar, levendig, gezond; AH werreg
wearligh (warligh) = clearing (opengehakte plek) bij wal of muur; ON werelee
O.a. bij burchten tbv uitzicht. NB Familienamen:
- Nederland: Warlich, Waerlich, Waarlee
- Engeland: Warly
wearm = warm
wearmian (wirman, wierman) = warmen, opwarmen; KA wirman
wearmta = warmte
wearnian (warnian) = waarschuwen; KA warnian; ME warn
wearp = worp
Wearsel = Weerselo; TW Wearsel
wearte = wrat
wearth = worp
weas = was, wasgoed; AH wasse
weascan = wassen, schoonmaken; AH wasken
weasdook = vaatdoek; AH waskeldook
weatar = verder; AH wieters
weatha (hwaete, whate, waete) = weit, boekweit, tarwe; KA weatha; DR wait, weit; TW/RY waejte; AH weite, bokwette; WA weit; WAoud weyte, weite = tarwe; ME wheat = tarwe
weahte >A weccan
weather (weder) = weder, weer; KA weader; ME whether
weattan (hweatten) = ww wetten, slijpen; KA weattan
weax = zn was
weaxan (weoxan) = groeien, toenemen
webb = web, weefsel, ketting van weefgetouw; ON webbe; WAoud webbe
webban (weafan) = weven
webbcunst (weafcunst) = weefkunst
webber (weafar) = wever
webbestre = weefster
webbgudh = weefgoed, weefsel, geweven stof
webbstol (weafstol) = weefstoel
wecc =A wecg
wecca (weoc) = wikkel, lampepit; ON wieke; ME wick
weccan = wekken, wakker maken, wikkelen
wecg (wecc) = wig = puntige spie; ON wegge; ME wedge
wecg = van metaal
wecgan = ww steken, slaan, wegdrukken
wed (wedd) = belofte, onderpand, borg, loon, heildronk; KA wedd; ON wed, wedde
weda (waitha, wee) = weide, wei, veld; ON wede
weda =A wedda (voorde)
weda (wedwe) = weduwe; ON wede; AH weddewe; WA wedwe; GR wedeman
wedaland = weiland; ON weideland, weyland; VWoud weylandt
wedan = weiden
wedd (wed) = belofte, gelofte, overeenkomst, onderpand; KA wedd; ON wed
wedda = wedde, weddenschap; AH wedde
wedda (weda) = voorde, doorwaadbare plaats; KA wedda; GR wedde, wede
weddan = wedden, beloven, overeenkomen
weddian = beloven, trouwen, verenigen
wedding = bruiloft, huwelijk, huwelijksfeest; ON weddinghe
wede (wee) = weide; ON weede; AH wede
wede = wilg, weduwe
Wedehoen {AVA wede=wilg + hoon=hoogte} = Wiene/Delden/Twente
weder (hweather) = weer, weder; KA weder; ME weather
wedfraw (wedwa) = weduwe; WAoud wedtfrouwe
wedher (hamol) = hamel = gekastereerde ram; KA hamol; ON hamel
wedlac = huwelijk, huwelijkse staat; ME wedlock
wedman (dorweard) = deurwaarder; GR wedman
wedwa (wede) = weduwe; WA wedwe
wee (wede) = weide; WA wee (Holten, Bathmen)
wefan >A weafan (= weven)
weg (wea, waeg) = weg; KA wea; ME way
wegan = bewegen
wegga = tarwebrood, witbrood; WA wegge
wehol =A weol
wel = wel, goed
wela = welzijn, welgaan
welc (wilc) = welk; ME which
welcan = ww welken
weldaed = weldaad = goede daad; ON weldaet
weldaega = welgaan, goede tijd; WA weldage
welde =A wolde
weldone = ww weldoen; WA weldoon
wele = wilg (# boom); VW wele
Wele {1178 AD} = Wehl/Liemers; LM [wiel]
weler = lip, rand
welfeare = welvaart, welvaren
welgan = welgaan
welig = welig, rijk; WA wellig
welig (wede, wilig, wey, sealh) = wilg; ON wilghe, willighe, wighe
weligan (weligs) = wilgen; VW welen
weligs =A weligan
wella = wel, bron, put; VW+WA wel, welle; ME well >A weallan
wella = oever, kade; VW wel, welle
wellan = wellen, opborrelen, koken
wellborn = welgeboren; ON well-born
welle =A wel (put, oever)
Wellop {1557} = Wilp bij Deventer
wellpal = welpaal = paal om opwellen van grondwater te bevorderen
wellput = welput = put met welwater
wellputtan (mv wellput) = welputten
welltodo = welgesteld, welvarend
wellwaeter = welwater = opwellend grondwater
welnis = welzijn
welp = welp
welta = weelde; AH welde; ME wealth
welwillendnes = welwillendheid
wem (weama) = erf; KA wem; DR wemme; OE wem
wen = waan, mening, geloof, hoop
wenan = wanen, menen, denken, geloven, hopen
wenc (winc) = wenk, bocht; WA weenk
NB De Weenkweg te Rietmolen in Twente is inderdaad een weg met veel bochten.
wencan = ww wenken, buigen
wencbra (eagebra, eagebru) = wenkbrouw; ON brauwe, oghebrawe, oghebra; DR winkbrauw
wencre (weancre) = slappeling; KA wencan
wendan = wenden, omkeren
Wenedas = Weneden = Slavisch volkstam
weng =A wang
wenian = ww wennen
wenne (wanne) = wanneer?; ON wen
Wens- (Wodenes-) = Woens- = van Wodan
Wensdaeg (Wodenesdag) = Woensdag = dag van Wodan; ZW Oensdag [oensdag]; ME Wednesday [wensdei]
went =A weand
wenthold = soort angol (Anglisch slagwapen); > Angol, PgAng/Wenthold
weoc (weoce, wecca) = lampepit; ON wieke; ME wick
weoce =A weoc
weoce = wiek (van molen)
weod (rut, fuyle) = onkruid; ON wiet
weodian = ww wieden; AH weedn
weofod = altaar
weoh (wig) = afgodsbeeld; Konzo/Ethiopia: waga
weohhol =A weol
weol = (wehol, weohhol, weowol) = wiel, rad
weola = mol; AH weule
weolan = ww woelen
weolblaed = wielblad = schoep van waterrad
weold (weald, wald, wold, wud, wudu) = woud; WA wold; ME wood
weolda (walda, wealda) = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde > Bretwalde
weolda (walda, wealda) = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
weoldan (waldan, wealdan) = ww regeren, heersen, besturen
weolhop = molshoop; AH weulnhoop
weoloc = wulk (# slak)
weolocread = paars
weolocsciell = schelpvis
weolpyt = wielput = put waarin wiel van watermolen hangt
weolred = mollegang; AH weulnrit
weolwol (weol, wehol, weohhol) = wiel
weorc =A werc
weorc = fort, burcht
weordh = wv waard, zou zijn
weordha = waarde
weordhan = ww waarderen
weordhig (weorthig) = bn waardig
weordhignis = waardigheid
weordscipan = waarderen, aanbidden
weordhscipe = waardering, aanbidding
weorfan = werven, zich wenden, veranderen, gaan
weorold (wearelt) = wereld
weorp = worp, stuk land; VW worp
weorp = aangeslbt land; VW worp
weorpan (wurpon, thrawan) = ww werpen, behagen
weorth =A wurth
weorth = hoogte, land waarop een hoeve staat; VW woert
weorth (wyrth) = wierde = terp, heuvel; GR1617 wyrde (vb Upwyrde)
weorth = bw waard
weorthan (werdan, wordan, wurdan, wyrdan) = worden
weorthfull = waardig, honorabel
weorthian = eren, aanbidden
weorthig (weardig, weordhig) = waardig
weorthig (weardig) = opzichter
weorthig = beschermde of bewaakte plaats; ME worthy
weorthig = landgoed; ON woerthe; ME worthy
NB Rams Woerthe in Steewnwijk.
weorthignis = waardigheid
titel: Yer Weorthignis = Uwe Waardigheid
weorthlice = honorabel, fantastisch
weorthmynd = eer
weorthnes = eer, pracht
weosule = wezel; ME weasel
weoxan =A weaxan
wepan = huilen, wenen, treuren, schreeuwen; ME weep
Weppele >A Widaplah
wer = man, soldaat, weerplichtige
wer = weer, weder (# klimaat) >A hweather
wer (weyr) = weer, dam, wierde; GR wier, weer; ME weir, wear
wer (weyr) = braak land dat niet bebouwd of beweid kan worden
wer = bn moe
wera = soldaten; ON weermannen
weran = ww weren, verweren, verdedigen
werbaer = weerbaar
werbaernis = weerbaarheid
werc {mv wercas} (weorc, warc) = werk, werkplaats, fabriek; ON werc, warc; WA wark
wercan (warcen, worcan) = ww werken; ME work; EF [werk]
wercere = werker, werkman, arbeider
wercin = henneppluksel; ON werkin
wercman = werkman, werker, arbeider; ON wercman
wercsang = werkzang, werkliedje = zang onder het werken om het werk te verlichten
werdan {werdt, werdet, wordan} (weorthan, werdan, wyrdan) = ww worden
were (cladh) = kleding; ME wear
were = bezit, goederen; ON were
werewulf (wawulf) = weerwolf; KA wawulf; TW wawolf
Een weerwolf is een man die soms verandert in een wolf.
wergan (worgan) = ww wurgen, vermoorden
wergield >A weargield werian = ww dragen (# kleding =A were); ME wear
werian = ww vermoeien
werian = ww weren, verweren, verdedigen
werig = moe, vermoeid, bezorgd; ME weary
weringe = verweer, afweer; ON weringhe
weringe = verdediging; ON weringhe
weringe = gevecht, strijd; ON weringhe
weringe = wering, wal
weringe = wering, dijk; ON weringhe
werlihtan = ww weerlichten
wermaegth = weermacht, leger
wermod = alsem (# kruid)
werod = troep, leger
werpliht [wearplait] = weerplicht, dienstplicht; ON werepligt
werra = verwarring; ON werre, warre, war = verwarring, wanorde, onvrede, onrust, oorlog
wers =A wors
werstand = weerstand
werth =A weorth
wes (wis, wys) = natte weide, grasland, hooiland; VW wese, weze
wesan = ww wezen, zijn; AH waen
wesbeam = paal op een hoop hooi; VW weesboom
wesend = wisent, stinkdier; ME bison
wesende = wezende, zijnde > cnihtwesende
wesland = nat weiland; ON weseland
wesle = wezel
wesleag = nat laagland
weso = wees, weeskind
west = west, westwaards
westdael = LT westdeel = westlijk deel (gebied)
weste (wyst) = bn woest, niet ontgonnen; WA weust; ME waste
weste (wyst, westland) = woestenij, wildernis, woestland; ME waste
weste = bw westlijk, ten westn van
Westford = Westervoort/Gld > PgAng/Westervoort
westland (wystland) = woest land, woestland, woestenij = niet ontgonnen land; ME wasteland
westlic = westlijk
westmors (wystmors) = woest moeras; WA weustmors
NB Weustmorsweg in buitengebied Ootmarsum.
westside = westzijde, westkant; ON westside
westweard = westwaards; ON westwaerd
wetcuf = houten voerbak; AH wettekuven
wethrae (eagther, egtir) = echter, hoewel
wett (OA hwett) = bn nat
wettan (OA hwettan) = ww wetten, slijpen, scherpen
wettstan (hwettstan) = wetsteen, slijpsteen, scepter; KA wettstan; ME whetstone
wey (welig, sealh) = wilg
wey (wee, wede, etc) = wei, weide
weyr (wer) = weer, dam, wierde; GR wier, weer; ME weir, wear
weyr (wer) = braak land dat niet bebouwd of beweid kan worden; ON weyer
weyr = weer = stuk land, land tussen sloten; ON weer
weyr (weadar) = weer, alweer; KA weyr
weyreld =A weareld
wha {whaet, whaes} (hwa, whee) = wie; AH wee; KA wha; ON wo; ME who
whaeg (hwaeg) = wei (melksubstantie); KA whaeg; ME whey
whaem (hwaem) = wiens, van wie; KA whaem
whaer (war, hwaer) = waar?; KA whaer; ON waer; GD weor > waru
whaerbi (hwaerbi) = waarbij; ON waerbi
whant (hwant) = want; KA whant
whar (hwar) = waar?; KA whaer
what = wat?
whee (wha) = wie; KA wha; GD whee, whe; ME who
whenne (hwanne, hwenne, wanne, wenne) = wanneer?; KA whenne; ME when
while (wile) = wijle, moment, ogenblik; KA wile; ON wile, wijle
whiscan = ww wissen, uitwissen, wijken, ontkomen; ON wisken
whispelan = slissen, sissen; ON wispelen
whispelan = ww heen en weer lopen, draaien, zwerven; ON wispelen
whisprian = ww fluisteren, fluiten, slissen; ON wisperen
Whitware = volk van Wight (eiland UK)
Whitware thaet is eo maegth the nu eardath on Wiht =
Whitware, dat is de macht die nu woont op Wight
wi = we, wij; KA wi; ON wi; WA wi; ME we
wi (wearum) = waarom?; GD wey; ME why
wi [wai] =* zn weg
NB Engeland: naam Wiley [waili:]
-wi = -vriend*
NB: Deze uitgang komt ook voor in talen van Syria en Afrika.
wic = bn slecht, vals, gemeen, ondeugend; ME wicked
wic = woning
wic {mv wicas} = wijk, wijkplaats, schuiloord, buurt, dorp, veld, kamp; SH wich (NB Bardowich/Hamburg); ON wick; DR wick; TW wik; PL vic; ME wick
wic = dorp, wijk, woonplaats, hofstede
wic = bocht, inham, baai; GR+NH wik >A wick
wic = wijk = vaarsloot in polder
wic = sloot, vaart; ON wijc
wic = wiek (# molen)
wic = OE wijk, wijkplaats, dorp, boerderij
-wic (-nic) = -wijk, -nik; btr geonamen
wica =A wic
wican = ww wijken
wicas = kamp
wicca (wickel, wiglere) = waarzegger, tovenaar, feeks; WA wigman; ME witch
wicca (wicce, hecs, haegtes) = mnl heks
wicca = bn slecht; ME wicked
wiccaman =A wicca, wickel, wiglere; WA wigman
wiccan = ww wikken, toveren; WA wikken = voorspellen, verzekeren
wiccaniht = heksennacht, heksensabbat > PgAng/Hekserij
wiccatreo = heksenboom = boom met veel kraaienesten
wiccawif = waarzegster; WA wikkewief
wicce (hecs, haegtes) = vrl heks
wicce = wikke = wilde klimplant met peulvruchtjes; WAoud weck, weec
wiccere = tovenaar; SW wicker
wiccesaed = wikkezaad; WAoud wecksaeth
wiccet = slecht, gemeen, vals
wiccrod = heksenkruid (# StJanskruid)
wice (wicu, wucu) = week (# tijd); KA wicu; DR wiek; TW wek; TWoud wieck; ME week
wich (wic, wick) = wijk, nederzetting; KA wick; WA wig; HN witz
NB Harwich en Norwich (UK); > PgAng/Meginhardeswich
wich (wych, wig, clyft, clift) = spleet, barst
wich (wych, wig) = zoutbron
wicha (wiga, wycha) = gevecht, slag, strijd; ON wich
wichan (wigan, wychan) = vechten, strijden
wicheafd (wicman) = wijkhoofd
wichus = wijkhuis
wician = kamperen, wonen, verblijven
wicing = piraat
Wicing {mv Wicings} = Viking
Wicingum {# Widsith} = Vikingham
wick (wic, wich) = wijk, wijkplaats, nederzetting, woonplaats; ON wik, wike, wyc, wyck; WA wick; SW wick; ME wick
wick = wijk = segment van een turfgebied
wickel =A wicca (toevenaar, etc)
wiclan = ww wikkelen
wicmaerct = weekmarkt; WA wekmarkt
wicman (wicheafd) = wijkhoofd
wicraed = wijkraad
wicrodd = wichelroede
wicstow = kamp, schuilplaats
wicu (wicu, wucu) = zn week; KA wicu; TW wek; TWoud wieck
wicudaeg {mv wicudaegs} = weekdag
wid = zn weg
ut the wid = uit de weg; WA oet de wid
wid (widde) = bn wijd; ON wide; TW+AH wied; TWoud widt; AG wede
wid (hwid, with, mid) = vz met; KA wid; GD wi, wiv; ZW vid; ME with
widan = ww wijden
widapa {AVA wid apa} = wijd water, groot meer; WA widapa
widaplah = laagte bij groot meer
Widaplah (Wideplo, Weppele) = oude buurt in Zelhem
widbind = kamperfoelie (# slingerplant); ON widebinde
widblic = wijde blik > PgAng/Balder
wide = bn wijd, wijds
wide = wilg (# boom)
widde =A wid (wijd)
widder = vz tegen; ON widder
widderlic = bn+bw afschuwlijk, stuitend
widdersin = tegenzin
widdragnhed = ingetogenheid, gereserveerdeheid, teruggetrokkenheid
widdragnig = ingetogen, gereserveerd, teruggetrokken
Wideplo >A Widaplah
widewe (weda, widwa) = weduwe; ON wedewe, wede; ME widow
widh = vz weder, tegenover, naar, tegen
widhdhe = widde = band van wilgetakken
widher = bw weer, weder, tegen (ivm weerstaan), e.d.
widheran = ww weerstaan, weerspreken, tegenspreken
widhig = wederik (# plant)
Widmen {1212 AD} = Wijthmen bij Zwolle
widhmetan = LT meten met = vergelijken
widhmetenis = vergelijking
widhsacan = weerspreken, tegenspreken, ontkennen
widstandan = weerstaan, verzetten
widsith = wijd zicht, ruim zicht, wijde blik > PgAng/Widsith
widta = verte; AH wiedte
widwaen = wagenwijd; AH wiedwaagns
wieldan (wealdan) = ww overweldigen, veroveren
wiell = bron, waterbron
wiellan = wellen, opborrelen
wielle (weal) = wiel, kolk, poel plas; BW+VW wiel
Een wiel ontstaat door een dijkdoorbraak.
wielle = bv rijk aan
-wielle = -rijk; VB fiscwielle = visrijk
wiellgespring (wiell) = bron, waterbron
wielm = walm
wielman = ww walmen, koken, borrelen
wierdan = verwonden, beschadigen
wierman (wirman, wearmian) = ww warmen, opwarmen; KA wirman
wierthe = bw waard, verdiend
wif = wijf, vrouw, echtgenote; ON wif, wief, wijf; TW+AH wief; NH [weyf]; ME wife [waif]
wifcynn = vrouwlijke lijn (# afstamming)
wifel = twijfel
wifelan = wijfelen, twijfelen, draaien; WA wiefelen
wiff (weaff) = bn snel, beweeglijk, behendig
wiff = wever
wiffan = ww weven
wiffere = wever
wiflic = bn vrouwlijk; ON wiflice
wifman = vrouw; ME woman
wig =A wich, wych, wick
wig (weoh) = afgodsbeeld
wiga (wicha, wycha) = strijd
wigan (wichan, wychan) = ww strijden
wigbold = rechtsgebied van een stad; WA wigbold; WAoud wigbolt
wiggan (sagan) = ww zagen
wigge (wilig, welig) = wilg; ON wighe; WAoud wigge, wiege
wiglan (wickan, wiccan) = wichelen, waarzeggen, toveren
wiglere (wickel, wicca) = wichelaar, waarzegger, tovenaar
wiglrodd = wichelroede
wiglroddere (roddere) = wichelroeder, wichelroedeloper
wigman = strijder, soldaat
wiglian = ww wichelen, uitpuzzelen, waarzeggen, toveren
wihe (cyta) = wouw (# vogel); ON wihe
wiht [wait] = wicht = jong meisje
wiht = schepsel, dier, ding
wiht = iets
Wiht = eiland Wight
wihtig = gewichtig, deugdzaam
Wihtware = mensen van Wight
wiket = poortje, opening
wil (hwil, while, wile) = wijle, ogenblik; KA wile; ON wile; WA wiele; ME while
wilc (KA welc) = welk; ME which
wilcuma {= gekomen naar wil} = welkom
wild = zn wild
wild = wild, woest, niet ontgonnen
wildban = wildbaan = omheind jachtgebied
wildbraed = wildbraad (# vleesgerecht)
wildcaemp = woest, niet ontgonnen stuk grond
wilde = wildernis, onontgonnen land
wilde = bn wild
Wilde Here = Wilde Heir = Dodenleger van Wodan > PgAng/Wilde Jacht
Wilde Hunta = Wilde Jacht > ZA/PgAng
wildeor = wild dier, wildernis
wilderd = wildernis, woest gebied
wilderness = wildernis
wildwerc = bont, pelswerk
wildwercere = bondwerker, pelswerker, bonthandelaar, pelshandelaar
wile (hwil, while, wil) = wijle, ogenblik, terwijl; KA wile; ON wile; WA wiele; OE hwil; ME while
wilig (welig) = wilg; ON wilghe, willighe, wighe
wiligblom = wilgenbloem
wiligbroc = wilgenbroek = drasland met wilgen; ON wilghenbrouc
wiligholt = wilgenhout
wiligmatt = wilgenmat = mat gevlochten van wilgetenen
wiligtan = wilgenteen
wiligthen = wilgenteen
will = zn wil; AH wille
willa = wil, verlangen
hiera willum = naar eigen wil
willa = plezier, behagen; WA wille
willa = wildernis
willan {will, woll, wollad} = ww willen, wensen; ME to will
NB AL nyllan = niet willen
willan = ww plezieren, behagen
willcore = willekeur, besluit
wilmod = moed, durf, vrije wil; WA wilmood
wilmodig = moedig, kordaat, vrijwillig; WA wilmoods
wilnian = wensen, verlangen
wilp = bronwater
wilpe = wilp, wulp (# strandvogel)
Wilsne {1328 AD} = Welsume bij Dalfsen
wilum (hwilum) = bn wijlen
wimm = wilgetak, twijg, teen; ON wimme; AH wieje = twijg
wimod (ealdorman) = grijsaard, ouderling
wimod (weamod) = weemoed
wimpel = wimpel, schouderdoek
wimpra = wimper
win = wijn; ON win; WA wien
win [wien] (wine, wyn) = vriend; Oswine = vriend van Os; Aswin [Aeswien]
winbow = wijnbouw
winc = wenk, knipoog
winc (wenc, wync) = hoek, bocht, vleugel, lier, hijsmachine, wenk, ogenblik; KA winc; ON wince, wincle; ME wing
wincan = wenken, winden, wentelen
wincan = huiveren
wincbrigge = lierbrug = veerboot getrokken door een lier
wince = huivering
wince = lier, katrol, windas; ME winche
wince = kruk, handvat; ME winch
wincel (wincle) = winkel = hoek, punt, stuk land
wincel (wincle) = winkel = shop = zaak die levensmiddelen e.d. verkoopt voor gewoon gebruik; ON wincle; WA weenkl, winkel. Betekenis is afgeleid van wincel = hoek. Winkels worden in het verleden bij voorkeur gevestigd op de hoek van twee of meer straten. Daar komen immers de meeste passanten c.q. potentiŽle klanten langs.
wincelhoc (haca, hoc) = winkelhaak, hoekhaak; WA weenklhoak
Wincfot = Mercurius, de Romeinse god van handel, etc.; ME Wingfoot
Wincfot = vleugelvoet. Mercurieus is namelijk altijd afgebeeld met een vleugel aan elke voet om zijn dynamiek te symboliseren. > PgAng/Mercurius
wincian = ww wenken, knipogen; ON winken; ME wink
wincle =A wincel
wincott (wonnacot, wunnacot) = pachthuis
wind = wind; WA weend; ME wind
windan = ww winden, waaien
windaog [windau:g] (aegethyrel) = piepgat, raam; KA windaog; ME window
windbull = opschepper; AH windbuul
windig = winderig, waaierig
windbraec (windfal, kwazing) = windbraak = afgewaaid hout
windbule = opschepper; WA windbuul
winddore = draaiwind; WA weenddoore
winde (myne) = winde (# zoetwatervis); WA winde
windfal =A windbraec
windgust = windvlaag
windmylen = windmolen
windscure = windvlaag, windstoot, windhoos; WA windskoer
wine (win, wyn) = vriend
winnan (wunnan) = winnen, verwerven, lijden, streven, strijden
winne (wunne) = gewin, winst, oogst, verworfenheid
winne (wunne) = lijden, dood, strijd
winne (wunne) = wingebied, akker, ontginning
winnere (wunnere) = pachter, landbouwer, boer; ON winnere; WA wunner
winninge = bedrijf; ON winninghe
Winscot = Winschoten
Winsham = Windesheim; SL Winsem
wint = windhond
winter = winter
winterrose = winterroos (# kruipplant)
wintersetl = winterzetel, -verblijf
wintertid = wintertijd
wipan = ww bundelen, geselen
wipe = bundel, roede; ON wipe
wiper = spijt; ON wiper
wipian = ww vegen, afvegen; ME wipe
wippan = ww wippen, onrustig bewegen
wippe = wip, hefbalk, hefboom, slagboom, brug; AH wippe, wappe
wippe = kwikstaartje (# vogel); WA wippstetke
wippe = wippe (# bermplant); WA wippe
wippe = klapbrug
wippert = veld met veel wippe (# bermplant); WA wippert
wir = wier, draad; ON wire; NB NL wirwar
wirec = wierook; ON wierec, wieroc; WA wierok
wirman (wierman, wearmian) = ww warmen, opwarmen; KA wirman
wis (wes, wys) = natte weide; WA wis, wies
wis = verstand, wijsheid
wis = bosje stro of hooi; AH wis
wis = bn wijs; ON wis, wise; TW wies = wijs, verstandig; ME wise
wisard {AVA wis=wijs + ard=aard} = wijze man, sjamaan, tovenaar; WA wiesert; ME wizard
wisc = wissel, verandering
wiscan = ww wisselen, veranderen; ON wisken
wiscfen = wisselveen = veen dat afwisselend droog of nat is en waar geen bomen groeien
wisdom = wijsheid, kennis; ON wisdom; TW wiesheed; AGoud wyssdome
wisdom = vonnis, rechtsregel; ON wijsdom > PgAng/Gewoonterecht
wise = wijze, manier; WA wieze
wisgere = wijsgeer, filosoof
wished = wijsheid; TW wiesheed, wieshied
wisian = wijzen; TW wiezen
wisfinger (forefinger) = wijsvinger; TW wiesvinger
wisk = bundel gras; WA wisk = snelle beweging
Wisla = dorp bij Dantzig in Polen
wislic = wijslijk, verstandig
wispe = natte weide
wisprian (hwisprian) = murmelen; ON wisplen; ME whisper
wiss (wisse) = bundel; ON wisch, wisse > gewisse
wissa = bn zeker; WA wis
wissa = touw, strop; ON wisse
wissan = ww wissen, schoonmaken
wissig = zeker
wissignis = zekerheid; WA wissigheed
wisse (wiss) = bundel; ON wisse > gewisse
wissel = wissel
wisshed = zekerheid
wissian = ww wijzen, leiden
wissing = wijzing, gids, leidraad
wisslic = zeker
wist {vt weten} = wist (van ww weten); TW wost
wist (gewist) = gewest, landstreek; KA wist
wistla = gewestraad
wistlawudu = woud (zetel) waar de gewestraad vergadert
Wistlawudu = Grollerholt/Drente > PgAng/Etstoel
wistle (hwistle) = fluit, gefluit
wistlian (hwislian) = ww fluiten, sissen
wit (hwit) = bn fit, wit, zuiver, helder; KA wit; EZ wiss
wit (hwit) = fitheid; KA wit
wit (hwit) = wit (# kleur), helder; KA wit; EZ wiss
wit = wet, gebod; ON wit, wet; SK vid
wit = fitheid
wit and hroering = fitheid en beweging (Woluspa)
wit = wit zand, witte zandvlakte
NB White Sands bij Dumfries in ZW Schotland waar Angelen hebben geseeteld.
wit = weet, kennis, notie, begrip, verstand; ON wit, wet
wit (beorc) = berk (# boom met witte bast) > PgAng/Negenbergen
wita {mv witas} (witman) = hij die weet, weter, deskundige, wijze, raadgever
witacre = zandakker
Witan (Witan Gemot) = Raad van Wijzen > PgAng/Witan
witan (watan, wottan) {wit, wost, witan} = ww weten; AH wetn; WA wieten, wetten
witan = ww wijten, verwijten; WA wieten
witan = raad van wita's
Witan Gemot =A Witan
Witanagemot =A Witan
witcen = soort oogaandoening; ON witken
wite = eiwit
wite = straf, afstraffing
witega = wijze, geleerde, profeet
with (hwid, wid, mid) >A wid (= met)
wither = weder, tegen
withinnan = binnenin
withutan = zonder; ME without
witing (hwiting, wyting) = wijting, witvis
witlapp = zeemlap
witlether = zeemleer; ON witleer
witloaf = witlof (# groente)
witloc = zandkuil
witmakere = zeemleermaker; ON witmakere
witman (wita) = wijze man, deskundige
NB Witmansweg/Slagharen
witman (laguman) = gerechtsdienaar
witnis = getuige; ME witness
witodlic = zeker, inderdaad, benevens
witric = witrik, witrug (# koe)
witstufar = zuivere stuiver = stuiver met meer zilver dan koper; WAoud witstuver
witt = begrip, intelligentie, grap
witta =A wittelt
wittan = ww witten, wit verven
witte = schoonheid, pracht
wittelt = veld met wit zand >A -elt
wittig = geestig, grappig
witu = wet, wetten, geboden
witwaete = tarwe, weit; WA witwaete
wlitan = ww schitteren, stralen
wlite = schoonheid, pracht
woaw = wouw (# kruid); ON wouwe; van de bloemen van deze plant wordt gele kleurstof gemaakt
woce = bn+bw wakker
wocor = woeker
wocoran = woekeren
wocore = woekeraar
wod = woede, gekte
wodan = ww woeden
woddan = worden; TW wodden
Woden = Wodan
Wodenaec = Wodaneik = oude eik waar Wodan wordt vereerd
Wodenesdaeg (Wensdag) = Woensdag = dag van Wodan; ZW Oensdag [oensdag]
Wodenes- = Wodans- >A Wens-
wodig = woedend
wodlic = gek, geschift, krankzinnig
wodnesdaeg = woensdag; AV Wodans+dag = woensdag
woens- >A wens-
wofull = hoeveel; WAoud wovolle, woevolle
woh = fout, vergissing
woland = woest drasland; WAoud woeland
wolc (clud) = wolk
wolcen = zn wolken
wold (woold, wald) = woud, bos, landschap; WA wold, woold; ME wood
wold = dicht struikgewas, woest moeras; VW wold
wolda = ontgonnen wildernis
Wolda = Wolde = Terwolde/Gld
wolde (wolle) = dichtbegroeide, zompige wildernis
wolde = wouw (# plant); ON wouwe, woude
woll (wull) = wol
wollbeam = wolleboom = moerasboom (# els) > PgAng/Wolleboom
wollcot = wolkeet = keet waarin wol wordt bewerkt
wolle =A wolde > PgAng/Wolle
Wolle = Kropswolde
womb = buik, lijf; ON wamme
womm = slecht, misdadig; ON wam
won = wat
for won = waarom
won- = -wan
wondar = woner, bewoner; TWoud wonder; OD wunder
Thyg wondar = bewoner van erve Thyg
wong =A wang (helling)
wonge =A wang
wonian (wonnan, wunian) = ww wonen; WA wunnen, wonnen
wonna = wonne = vreugde, genot, heerlijkheid, genade
wonnacott (wunnacott, wincott) = pachthuis
wonnan (wunnan) = winnen, verdienen, pachten; KA wonnan
wonnan = wonen, genieten; KA wonnan; TWoud wonnen
wool (wull, woll, wool) = wol; ON wulle; WA wulle, wool; KA wull
woold =A wold
wop = treurnis, opdoffer, klap, slag
wop =A wap
wop = schreeuw
wopa (hwopa) = dreiging
wopan (hwopan) = ww dreigen
wopar (hwopar) = klap, dreun, opdonder
woppan =A wappen
worcan (warcen, wercan) = ww werken; ME work; EF [werk]
worchors (paega) = werkpaard
worchus = werkhuis, fabriek
word {mv wordes} = woord, zin, gezegde; ME word
wordan =A weorthan
wordboc = woordenboek
wordhord = woordenschat, woordenvloed
worgan {worgt, worget, worget} (wergan, wyrgan) = wurgen, vermoorden; ON worghen, wurghen
worget = gewurgd; WA worged
worhona = woerhaan (# korhoen)
worian =A worran
worm = waterloop, beek, rivier
worpan =A weorpan
worran = zorgen maken
worrig = bezorgd
wors (wyrs, wers) = slecht, slechter, minder; KA wors; ON wors, wers
wors (wyrs, wers) = slechte grond; KA wors
worsan = slechter worden, achteruit gaan
wort = wort = aftreksel van mout
worth (weorth, wyrth) = wierde, weerd, waard; ON wort, worde; ME worth
Oorspronkelijk: omheind erf met hoeve op heuvel of terp. >A weorthig
woruld = wereld
wos = vocht, sap
wosta (hwosta) = hoest
wostan (hwostan) = hoesten
wottan (witan) {wot, wost, wottan} = ww weten; WA wetten
NB God wot = God weet
wraca = wrake, afkeuring, verzet
wracan = wraken, afkeuren, verzetten
wradh (wraet) = wreed
wraedhdhu = boosheid, toorn, woede, wreedheid
wraedhnis = wreedheid
wraenc = wrang = ankerpaal; ON wranc
wraene = bronstig
wraet (wradh) = wreed
wraetlic = wreed, wreedaardig
wrang = krom, gebogen
wrang = wrang, verkeerd, fout, slecht; GD wrang; ME wrong
wrang = gewrocht, slingerplant, slingerpad, ruw land; AH wrange
NB De Wrange = veld in Harreveld
wrangel = gestremde melk
wreap = sjaal, omslagdoek (# kleding)
wreastlian = ww worstelen
wrec = wrak; ON wrac; ME wreck
wreac (wreke) = wraak
wreacan (wrecan, wrekan) = ww wreken, straffen voortdrijven; KA wreacan
wreadhdhu = woede, boosheid, toorn
wrecan =A wreacan, wrekan
wregan = wroegen, beschuldigen
wrege = wroeging
wrekan = wreken, straffen, voortdrijven
wreke (wreac) = wraak; WA wrake
wrenc = kunstgreep, list
wrencan = bedriegen, belazeren
wrickan = wrikken
wridha = bloemenkrans; ME wreath
wridhan = draaien, wringen
wrigg = helling, kromming, bocht
wriggan = hellen, verschuiven, krommen, kronkelen; ON wrighen
wrigian = richten, wenden
wrih [wrai] = bn scheef, verdraaid
wrih = wreef
wringan = wringen, draaien, uitpersen
wrist = gewricht, pols; ON wrist; ME wrist
writan (awritan, scrifan) = kerven, schrijven; KA writan; ME write
writere (scrifere) = schrijver
wrivan = wrijven; WA wrieven
wrocc = wrok, haat
wroccan = ww wrokken
wroght = gewrocht, maaksel, omheind land
wroghtan = ww wrochten, omheinen; ON wrogten
wrot (snout) = snuit
wrotan = ww wroeten; AH wreutn
wrungal = wrongel = gedraaide hoofdband; ON wronghel
wu (we, wuh) = we; GD wuh; > we
wucu (wice, wicu) = week (# tijd); KA wicu; DR wiek; ME week
wud {mv wudu} (weald) = woud, bos, hout; EA wode; ME wood
wud = bn houten
wuddufe = bosduif
wudhus (boshus) = woudhuis, boshuis
NB buurt Woudhuis in Apeldoorn.
wudland = bosland
wudlus (seogbugge) = pissebed (# insect)
wudman = bosmens, bosbewoner
wudpiccere = specht; ME woodpecker
wudu {mv wud = woud, bos} = wouden, bossen
wudwale = wielewaal (zangvogel); ON wedewale
wudwerc (holtwerc) = houtwerk, houtbewerking
wudwyrm = houtworm; ME woodwurm
wuh (we, wu) = we; GD wuh; > we
Wulde = Terwolde; WAoud Woelde
wuldor = weelde, glorie, pracht
wuldrian = verheerlijken, prijzen, ophemelen
wuldur =A wuldor
wulf = wolf (# wild dier); ON wulf, wolf; WA wolf, wulf; ME wolf
wulf = klomp ruwijzer gewonnen uit ijzeroer > PgAng/Yzer
wulf = draaikolk
wulf = gegolfd stuk land
wulf- + gewas, e.d. = slecht, minder; ON wulf-, wolf-
wulfan (welfan) = ww welven, golven; ON wulven
wulfceol = wolfskuil, wolvenkuil = gebied met veel wolven; AH wolfkule
wulfere = golvend land
wulfkyl = wolfskuil (# militair) = valkuil met gepunte stokken afgedekt met takken en bladeren
wull (woll, wool) = wol; ON wulle; WA wulle, wool
wull werian = wol dragen = deugen
wullcomb = wolkam = kam om woldraden te scheiden
wulle (wylle) = zandgrond; ON wulle, weule, woele
wullig = bn wollig, zanderig; EF/Kent wully
wullmaerct = wolmarkt
wulthu = weldoen
wund = wond, ramp; ON wunde; ME wound
wundan = verwonden
wundor = wonder
wundoran = ww verwonderen, afvragen
wundorlic = wonderlijk
wundrian =A wundoran
wunna (wonna) =A wunnere
wunian (eardan, wonian, wonnan, wunnan) = wonen;
wuning = woning
wunnan (wunian) = ww wonen, winnen, verdienen, pachten
wunnacott (wonnacot) = woonkeet, pachthuis
wunne =A winne
wunnere (wunna, wonna) = bewoner, pachtboer; WA wunner, wonner
wurdan (wyrand, werdan) = ww worden; WA worren
wurpan (weorpan) = ww werpen
wurth (weorth, werth, weard, worth, wyrth) = wierde, waarde (buitendijks land), laag gelegen land; KA wurth; ON weurt, waerd, waert; WA wort, worde, weard, woerth, wurth
wurwe = vijver; ON wuwer
wusc = wens
wuscan (wyscan) = ww wensen
wych (wich, wig) =A wich
wycha (wiga, wicha) = gevecht, slag, strijd; ON wich
wychan (wichan, wigan) = vechten, strijden
wyer = vijver, molenvijver; VW wijer
wylfan (hwylfan) = overwelmen
wylle =A wulle
wyllig = zanderig
wymma = zolderstokken om worst en spek op te hangen; VW wimme
wyn (wynn) = vreugde, genot, vriend
wynan = ww genieten
wync =A winc
Wyncas (OA Hwyncas) = Wynken = Anglische stam > PgAng/Wynken
wynd = smalle straat; GD wynd
wynn =A wyn
Wynscote = Winschoten
wyrc = werk
wyrcan [wurkan] = ww werken, maken, bouwen, doen, uitvoeren; ME to work
wyrd (wyrde) = noodlot
wyrdan = ww worden
wyrde (wyrd) = noodlot
wyrfal = wervel
wyrfalan = wervelen
wyrfalstorm = wervelstorm
wyrfalwind = wervelwind
wyrfan = ww werven
wyrgan (worgan) = ww wurgen, vervelen, lastig vallen, zorgen maken
wyrgig = bezorgd
wyrgpal = worgpaal = paal waaraan ter dood veroordeelde werd vastgebonden en gewurgd
wyrhta = waard, werker, maker
wyrhtan = ww runnen, werken, maken
wyrm [wurm, wirm] (dragun, draec) = worm, slang, draak; ON wurm; GD worm; AF wurm; ME worm
wyrmcrod (goldrodd) = wormkruid (# kruid tegen wormen)
wyrs =A wors
wyrst = worst; AH wos
wyrsthorn = trechter om worst te maken; AH wostehoorn
wyrt = wortel, specerij, kruid; ON wort
wyrtal = wortel
wyrtalan = ww wortelen
wyrtalbour = wortelboer
wyrtalsteamp = stampot wortelen (# gerecht); ON wortelstamp
Wyrtgeorne = Vortigern (mansnaam) in bron ASC (950nC)
wyrth (weorth, worth) = wierde = laag gelegen land
wyrth = wierde = terp, heuvel; GR1617 wyrde (vb Upwyrde)
wyrtsaed = wortelzaad; OVD waardeloos spul
wyrttruma (wyrtal) = wortel
wys (wis) = natte weide; AH weis; ON wis, wies
wyscan (wuscan) = ww wensen
wysci = whisky, levenswater
wyshace = clearing in bos bij natte weide
wyst (weste) = woest, braak, onbebouwd; WA weust; WAoud wost, wust
wysta = woeste, woestenij = woest, braak (= onbebouwd) land, onontgonnen land; WA woeste, weuste; WAoud woste, wuste, wyste
wystland (wysta, westalnd, morland) = woestland, woeste, onontgonnen land; ON wastine
wystmors (westmors) = woest moeras; WA weustmors
NB Weustmorsweg in buitengebied Ootmarsum.
wyting (hwiting) = wijting, witvis; EF/Hastings wyting
 
x::
 
y:: [u, j, eu, ai]
-y = -je (verkleinwoord)
ya = je; GD ya > ye
yak! = jakkes!
yammar = jammer
yammaran = ww jammeren, klagen; GD yammer
ye [je, jee, jie] (ju, jou) = je, jij, jou, jouw; KA ye; GR je, joe; AH ie, ow; GD ye, yee; NH [je]; EF ye; ME you; USvt ye
OE: ook yi of joe; afgeleid van Gotisch jus. Ye of you komen ook voor in Geordie, naar zeggen de oudste Anglische taalvorm, gesproken in Bernicia (NO Engeland). Nederlands: je, jou. Noord Gronings: je, joe. OE thou plechtig gebruikt. ON du normaal gebruikt, Je alleen als beleefdheid. Later vervangt je het du, omdat je gramaticaal maklijker te hanteren is. # COD, DAB
ye = ooit, steeds, altijd, hoe; ON ye
ye olde = de oude, de aloude, de vertrouwde
yea (gese, gise) = ja, jawel; ON ja, jae; ML ia, ja; AU ya, yowi; ME yes
year (gear) = jaar; KA year; ON jaer; GRoud yaer, iaer
yeargethidan = jaargetijden
yearig = mondig, volwassen = recht van spreken; ON jarich
NB ML bitjara = bespreken; AU yarra = spreken; boom
NB Bomen zijn vaak vergaderplekken in diverse oude culturen.
yearlics = jaarlijks; ON jaerlix
yeman =A yoman
yen = tw een; ON ien; GD yen
yeower (yer, yor) = jouw; KA yor
yer (yeower) = jouw; KA yor; GD yer
yerselfa = jezelf; GD yersel
yew [dzjew] = boom
yew (yer) = bz jouw; KA yor; SF yew
yfel (eufel, afel, ofel) = euvel, slecht, verkeerd; KA yfel; WA ovel, euvel
yfle =A yfel
yi = je, jij
yict (OA gig) = jicht (# rugpijn); WA gig
ymb = vz in, rondom
ymbaernan = rondreizen
ymbe =A ymb
beon ymbe = te doen hebben met
ymbsittan = omsingelen, belegeren
ymbutan = rondlopend, omsingeld
yne >A ine
yneran >A ineran
yo (yu, you, ye) = je, jij, jou; KA yu; GR+DR joe; AH ow; PD/Olb jo; MD yo; ME you
yok (joc, juc, geoc) = juk; KA yok
yok (joc, juc, geoc) = juk = landmaat = hoeveelheid land dat een juk ossen in ťťn dag kan ploegen; 1 juk = 1 gras; KA yok
yoman = goeman = handelaar, bemiddelaar
yoman (yeman) = vrije boer, landeigenaar, hereboer, jonker; KA yoman; ME yeoman
yon (joen) = bz jouw; GR joen; GD yon
yong [jong] (OA geong) = jong; NH [jong]; EF [jong]
yongen = jongen, broer; GD youngen
yor (yer, yeower) = jouw; KA yor; ON jouwer; GR joen; GD yer; CE ur; ME your
Yor Weorthignis = Uwe Waardigheid
you (ju, ye, yo, jou) = je; KA yu; ON jou; GR joe; GRoud ju; CE u >A ye
yowe (euwe) = jouw; ON juwe, jouwe; WA oewe
yower (eower) = jouwer; CE ur >A yor
yrfe (ierfe, aerfe) = erfdeel
yscealdre (ieshus, ieshut) = ijskelder, ijshut
yse (isa, is) = ijs; ON is, ijs; WA ies
Ysel (Ysle, Ysla, Isla, Isle, Isel) = Yssel = rivier in Gelderland en Overijssel
yshus (ieshut, iescealdre) = ijshut, ijskelder; ME icehouse
yshut = ijshut, ijskelder
ysig = ijzig; WA iesig
Ysla =A Ysel
Ysle =A Ysel
yslic = vreselijk, verschrikkelijk; ON iselijc
ysop (isop, peccereat) = hysop (# riet)
yt (it, hit) = het, deze; KA it; ON it; WA et; ME it
yt =A ut
yterra =A uterra
yth (uth) = golf
ythan (uthan) = ww golven
Ytum (Iotum) = Jutland
yu [ju:, joe] (you, yo) = je, jou; KA yu; ON ju; DR ju; PD/Olb jo; EF [ju:]; ME you
yul (jol) = plezier, vrolijkheid, gijn
yulan (jolan) = ww joelen, jolen
yulbeam (jolbeam) = joelboom, kerstboom
Yule = Joel, Joelfeest = Kerstfeest
Yulfeaste (Yule, Jolfeste) = Joelfeest > ZA/PgAng
yulig = jolig, vrolijk
 
z:: > s::
Zelworde = Selwerd/Groningen

 

===